De dochters van Toni Morrison

Toni Morrison stelde zich in dienst van haar gemeenschap, iets wat van weinig schrijvers ooit in die mate is verlangd.

Toni Morrison in New York, 1974 © Waring Abbott

Ik heb Toni Morrisons vroege romans gelezen toen ik heel jong was, waarschijnlijk iets té jong, een jaar of tien. Ik kon niet altijd meegaan in haar linguïstische experimenten of haar compacte, metaforische taalgebruik, maar op die leeftijd ging het mij niet eens zozeer om haar werk, maar om Morrison zelf. Thuis hadden we al haar boeken in de kast staan, en dan van elke titel meerdere exemplaren, alsof mijn moeder zich ervan wilde verzekeren dat Morrison voorgoed in ons leven zou blijven. Het is lastig om nu, in 2019, te beschrijven aan welke peilloos diepe behoefte zij beantwoordde, of om dat gevoel weer helemaal terug te halen. In het Londen van 1985 bestond er niet zoiets als ‘black girl magic’. Sterker nog, in bredere, culturele zin bestond er helemaal niets black girl-achtigs, afgezien van zingen, dansen en misschien hardlopen. Mijn moeder had zeker ‘zwarte schrijfsters’ in de kast staan, waarbij een ereplaats was ingeruimd voor ‘Toni’, maar tijdens geen van de lessen die ik volgde kwam hun bestaan zelfs maar aan de orde en ik kan me ook niet herinneren er ooit een op tv te hebben gezien, of in de krant, of waar dan ook.

Toen ik The Bluest Eye, Sula, Song of Solomon en Tar Baby voor het eerst las, was dat voor mij dan ook niet alleen een esthetische of psychologische ervaring, maar tevens een existentiële. Zoals veel zwarte meisjes van mijn generatie drong ik Morrison in een onmogelijke rol, die zij helemaal in haar eentje moest zien te vervullen. Wanneer ik haar naam op de rug van een boek zag prijken, wilde ik iets voelen van de moeiteloze toe-eigening en achteloze zelfbevestiging die voortkomt uit vertrouwdheid, en die een willekeurige Angelsaksische jongen op school ervaart zodra de naam valt van iemand als William Shakespeare of John Keats – ongeacht de vraag of die jongen belezen is of van literatuur houdt. Dat is een last die geen enkele schrijver ooit zou hoeven dragen. Het bijzondere aan Morrison is dat ze niet alleen bereid was die last op zich te nemen, maar ook nog eens de verwachtingen wist waar te maken. Ze was zich ervan bewust dat ze voor ons méér moest zijn dan een auteur, dat ze haast een discours moest zijn – en dat wás ze dan ook, ze spon haar eigen taal uit het grotere weefsel, en elke roman die ze schreef was een project, een missie – ze schreef nooit enkel ter vermaak.

Net zoals er keatsiaanse en shakespeareaanse zinnen zijn, drukte ook Morrison een duidelijk stempel op de taal, haar zinnen waren rijk aan dwingende, autogene metaforen, ze gebruikte soms bijna net zoveel bijzinnen als in een presidentiële toespraak uit de negentiende eeuw, en ze was steevast trouw aan de cruciale overtuiging dat narratieve taal – inclusief, ruimte latend, ambivalent, tastend, metaforisch, geworteld in een orale cultuur – een vorm van wijsheid in zich draagt die zich onderscheidt van, en stelling neemt tegen ‘de versteende taal van de academische wereld of de “nuttige” taal van de wetenschap’, zoals zij het formuleert.

Morrison was zich ervan bewust dat ze voor ons haast een discours moest zijn

Het verspillen van het menselijk potentieel was haar grote thema, maar daar was niets onbewusts of toevalligs aan – dat kon ze zich niet permitteren. Neem The Bluest Eye – hoe te schrijven over zelfverachting zonder daar zelf in mee te gaan? Zonder de gewoonte in een kwaad daglicht te plaatsen? Of de macht van de overwinning in handen te geven van de cultuur die het in de hand heeft gewerkt? Alles moest grondig worden overdacht en dat deed ze dan ook, niet alleen als schrijver maar ook als recensent en academicus.

Wat mij het meest opviel aan haar laatste bundeling essays, The Source of Self-Regard, is de mate waarin ze in staat is geweest met een niet-aflatend kritische, onderzoekende blik naar haar eigen romans te kijken, als een architect die een rondleiding geeft in een gebouw dat ze zelf heeft ontworpen, zich evenzeer bewust van de schoonheid als van de functionaliteit. Toni Morrison stelde zich in dienst van haar gemeenschap, iets wat van weinig schrijvers ooit in die mate is verlangd, en ze beschouwde het als een voorrecht om dat te kunnen doen. Een belangrijk deel van haar project was het verheffen van de zwarte cultuur en die heel bewust in een vocabulaire gieten dat rechtdoet aan de pracht van die cultuur. Diegenen die van mening waren dat de toegang tot haar gebouwen nogal smal was, diende ze op legendarische wijze van repliek. En inmiddels – voor een belangrijk deel dankzij haar vastberadenheid zich niet van haar koers te laten brengen – is ons natuurlijk duidelijk dat er niet zoiets bestaat als een smalle toegang tot de huizen van geschiedenis, ervaring en cultuur. Want waar het aankomt op manieren van vertellen, manieren van kijken, is ieders verhaal onbegrensd. Ook dat van een zwarte vrouw. Dat onbegrensde terrein is precies wat zij heeft opengelegd voor meisjes zoals ik, die iets anders hadden gevreesd.

In 1992 publiceerde een goede vriendin van mijn moeder, de in Ghana geboren, legendarische zwart-Britse uitgeefster Margaret Busby, het eerste deel van Daughters of Africa, waar Morrison natuurlijk ook in was opgenomen, naast meer dan tweehonderd andere schrijfsters. De titel was ontleend aan de woorden van Maria W. Stewart, de eerste Afro-Amerikaanse vrouw die openbare lezingen gaf. ‘O, ye daughters of Africa, awake! awake! arise! no longer sleep nor slumber, but distinguish yourselves. Show forth to the world that ye are endowed with noble and exalted faculties.’ (‘Dochters van Afrika, ontwaak! ontwaak! sta op! slaap of sluimer niet langer, maar onderscheid jezelf. Laat de wereld zien dat jullie zijn begiftigd met grootse en nobele talenten.’) Een jaar later won Morrison de Nobelprijs. Een jaar later ging ik studeren en tijdens mijn colleges Engelstalige literatuur kwam geen van de dochters van Afrika aan bod, evenmin als de zonen, overigens. Het zou nog lang duren voor er iets veranderde, maar Morrison bleef het voortouw nemen, loodste ons de toekomst binnen, als een licht dat wij volgden.

In dat jaar publiceerde Margaret het tweede deel van Daughters of Africa, al even dik, en de schrijfsters die in dat deel zijn opgenomen zijn niet alleen dochters van Afrika maar ook, in metaforische zin, dochters van Morrison – een categorie waartoe ik mezelf ook reken. Morrison verwierp het idee van de te smalle toegangspoort en maakte aanspraak op de hele wijde wereld. Ze heeft ons literaire erfgoed verrijkt en vandaag de dag krijgt elk schoolgaand kind, ongeacht zijn of haar achtergrond, Morrison mee als literaire voorgangster, als een van de grote Amerikaanse auteurs, een auteur die even toegankelijk is – even ‘universeel’ – als alle andere auteurs die in de canon zijn opgenomen. Alle lezers en schrijvers zijn schatplichtig aan Morrison voor de ruimte die ze heeft geschapen.


Dit stuk verscheen eerder als onderdeel van PEN America’s eerbetoon aan Toni Morrison. Vertaling: Nicolette Hoekmeijer