Radicaal theater in België

De dodelijke jas

‘Amusement voor de geest’: zo noemen de acteurs van tg STAN hun werk. Dat lijkt ook het artistieke credo van de Vlaamse regisseur Luk Perceval. Die even naar zijn thuisbasis Gent is teruggekeerd. Hun producties komen naar Nederland.

Brussel/Gent – De voorstelling Eind goed al goed van tg STAN is zo’n half uur op stoom als er in de studio van het Brussels Kaaitheater iets eigenaardigs gebeurt. De souffleur maakt een fout. Of beter, het personage dat nog niet op is, de schrijver van de dramatische kunst in het stuk, de toneelspeler Damiaan De Schrijver in de voorstelling, souffleert verkeerd. Hij zit half achter de speelvloer maar wel reusachtig in ’t zicht. Hij rookt een sigaar, zet puffend thee, schenkt afwisselend water en cognac. En hij leest dus ondertussen de tekst mee als een gelegenheids-souffleur. En opeens corrigeert hij het personage van de moeder, Jolente De Keersmaeker. En die correctie klopt zo te horen niet. Er ontstaat een kort twistgesprek waarin ook Sara De Roo, die de dochter speelt, zich mengt. Uiteindelijk schakelen de dames, licht gegeneerd, een aantal tekstclausen terug. En blijken zíj het bij het rechte eind te hebben. Ze hebben de souffleur op een faux pas betrapt. En kijk aan, vanaf hier wordt de vederlichte toon van de conversatiekomedie (die tot hier overheerste) definitief verlaten. En meteen is de inzet van het spel enerverend hoog.

De drie toneelspelers – souffleur (straks schrijver), moeder en dochter – tonen hoezeer zij de gevangenen zijn van afspraken, irritaties en conventies. In de intrige van het stuk dat hier gespeeld wordt zijn de drie personages daarvan absoluut de gevangenen. Hun toestand is, met name door de wederzijdse, gelijkhebberige en kifterige toonzetting, uitzichtloos. Maar ook het toneel als kunstvorm ontleent aan die eenzame opsluiting zijn specifieke karakter. Met de gespeelde, geïmproviseerde of ter plekke uitgevonden ‘uitglijder’ van de souffleur wordt orde op zaken gesteld en komt men tot de kern van de zaak. Die luidt, kort samengevat: de dramatische kunst is een hel. De wederzijds tot martelende inzichten veroordeelde participanten – in het toneel: spelers en publiek – representeren twee kanten van dezelfde medaille. Ze zijn de vertolkers van het tragische lot van strompelende stumperds. En tegelijkertijd zijn ze hun toeschouwende mededogers.

Voor deze drie toneelspelers is het werk van de in zijn kindertijd in Nederland opgegroeide Oostenrijkse schrijver Thomas Bernhard (1931-1989) al jarenlang gefundenes Fressen. Een buitenkans dus. Om het publiek retorisch taalvertier voor te zetten. Maar ook om de toeschouwers hersenknersende levensvragen toe te werpen. Dat alles in de bloeddoordrenkte arena die Thomas Bernhard voor de misantropie van zijn gruwelijke maar trefzekere zweepslagen heeft ingericht. Damiaan De Schrijver kent Bernhard ook als toneelsolist. Hij speelde bij tg STAN de monologen Oude Meesters en Brandhouteen irritatie. Gedriëen ondernamen deze toneelspelers eerder het stuk Über allen Gipfeln ist Ruh (in hun versie: Alles is rustig), over de Werdegang van een kapotgelauwerde schrijver. En enkele korte stukken (‘Dramolette’) onder de verzameltitel Redde wie zich redden kan – geen slechte titel. En nu dus Am Ziel. Over een ondernemersweduwe en haar dochter die naar een toneeluitvoering zijn gaan kijken van een jong en ambitieus schrijver. Bij die gelegenheid hebben ze hem uitgenodigd mee te gaan naar hun zomerhuis in Katwijk. Het stuk is in Nederland de afgelopen seizoenen twee keer eerder uitgevoerd. Een keer op locatie én op tournee, met een échte schrijver (Arnon Grunberg) in de rol van de schrijver. Daarna als Toneelschuur-productie met een bejubelde hoofdrol voor Marlies Heuer als de moeder.

Wat handeling betreft gaat het stuk Am Ziel vooral over het inpakken van heel veel reisbagage in veel te benauwde kamers. De vormgeving wordt hier gedomineerd door een slordig aan elkaar geplakte wand die de speelvloer verkleint. Midden voor staat een enorme rieten mand waaruit van alles te voorschijn komt. De beide dames dragen slecht bij elkaar passende kledij, over elkaar heen, alsof ze zich overijld moesten verplaatsen en hun kledingkeuze niet hebben kunnen afronden. Hun conversaties laten zich ook beluisteren als over elkaar heen getrokken Fremdkörper. Het stuk lijkt de vorm te hebben van een monoloog van de moeder. De titel (Eind goed, al goed) is hier ontleend aan een irritant cliché waarmee de overleden echtgenoot van de moeder alle gesprekken dichtplamuurde. Een gewoonte die zij heeft overgenomen. De toneelspelers van STAN spelen alsof ze permanent op iets anders uit zijn dan waar hun personages zeggen op uit te zijn. Aangezien dat almaar tegen de tekst ín acteren geschiedt met een palet aan mimisch commentaar en met een hoge graad aan muzikaliteit werkt deze stoofpot vol toneelspelersvernuft als theatrale slapstick. Waarbij uiteindelijk de moeder aan de toneelschrijver de hamvraag voorlegt, over de ware aard van die rare bezigheid van zijn (hun) dramatische kunst. Wat doen jullie nu eigenlijk? vraagt de moeder tegen het eind. Waarom trekken jullie toneelspelers de gewone stervelingen doorlopend ‘de dodelijke jas’ van een personage aan? Pas op: dit is geen toneelvoorstelling over toneel. Het trio speelt knalhard de situatie en de daarin opgetaste conflictstof. Maar het is alsof er steeds een ander spotje op wordt gezet. Alsof de scène permanent wordt gekanteld en in een ander perspectief wordt getoond. Met de brede glimlach die vraagt: is het zo eindelijk goed? Of wilt u het nóg weer anders? Het resultaat is ruim twee uur theatraal Vergnügen van een hoog niveau.

We reizen door naar Gent. Waar de troep van NTGent in haar mooi afgebladderde bonbonnière op het St-Baafsplein een verloren zoon heeft teruggehaald. Tijdelijk althans. Om een pot sterk toneel met hen te maken. Luk Perceval is de naam. In deze contreien was hij decennia een gevierd regisseur. Daarna werd het vlakke land te klein voor hem. Hij maakt al jaren in München, Berlijn en recentelijk in Hamburg bij het Thalia Theater mooi en scherp toneel, waar het Duitse publiek vrij permanent van blijft opkijken. Maar ook bij het Vlaamse en Nederlandse toneelpubliek is hij nog niet uit de gratie. Toneelgroep Amsterdam nam onlangs zijn meedogenloze toneelversie van Coetzee’s In ongenade in reprise. Perceval maakt compromisloos toneel. Hij daagt zijn toneelspelers uit om permanent iets anders te tonen dan wat ze al (goed) kunnen. Hij eist rücksichtlosheid, weerwoord, tegenspraak. Hij doet me altijd denken aan een ideaal van de Vlaamse toneelpionier Herman Teirlinck (1879-1967), volgens mij een van Percevals helden. Die zocht zijn hele leven een tegenpool voor de gemakzuchtige toneelkunstenaar die alleen nog maar kan nadoen. Teirlinck noemde zijn type dwarse toneelmaker de rotsmens: ‘De ontembare, onstuimige kunstenaar zou in de samenleving een weerstandig verzamelcentrum kunnen zijn, een vreemdsoortige vorst, die niet heersen wil, een man als een rots. Maar een rotsmens die men niet kan overtuigen, die men verplicht is uit de weg te gaan en te omzeilen gelijk een monument. Hoe zou hij anders kunnen dan storen? Hij is een hinderpaal.’ In Gent heeft de Störenfried Luk Perceval nu Platonov gemaakt, het eerste stuk van Anton Tsjechov. In het recent verschenen, geheel opnieuw vertaalde Verzameld Toneel heeft het stuk de titel Vaderloosheid gekregen. Het is een tekst die hij schreef in 1881 (hij was 21). Hij liet het lezen aan een door hem bewonderde toneelspeelster. Die het afwees. Waarna het in een la verdween. En daar pas een kleine twintig jaar na Tsjechovs dood weer uit kwam. Het is veel te lang – de Letse regisseur Alvis Hermanis regisseerde het vorig seizoen in Wenen, een uitvoering van vijf uur. In Gent doen Perceval, zijn negen toneelspelers en een pianist er een kleine twee uur over. Zonder pauze.

Platonov is een dorpsonderwijzer, een vrouwenverslinder, een observeerder, een nihilist misschien. Al in het eerste bedrijf geeft landeigenaar Glagoljev een karakteristiek van hem: ‘Platonov is het prototype van de huidige richtingloosheid. Hij is een held uit de beste, helaas nog niet geschreven hedendaagse roman. Met die richtingloosheid bedoel ik de huidige toestand van ons. De Russische romanschrijver voelt die richtingloosheid. Hij is op een doodlopende weg, raakt verdwaald, krijgt geen vat. Ze zijn moeilijk te vatten die heren. Geen wonder. Alles is uiterst vaag en onbegrijpelijk. Zo’n prototype is onze uiterst intelligente Platonov. Gaat het goed met hem?’ Het aantal hem omringende mannelijke nitwits is in Percevals bewerking teruggebracht tot de helft. De hem aanbiddende vrouwen zijn allemaal gehandhaafd. De speelvloer wordt gedomineerd door een met zware bielzen boven op stapels boeken gebouwde treinrails, die van links vóór naar rechts áchter loopt. Over die rails rijdt gedurende de voorstelling een platform met daarop een vleugel met de geniale pianist Jens Thomas, die de gehele vertoning met afwisselend verstilde en uitbundige pianoklanken begeleidt, terwijl hij in een dodelijk traag tempo naar achteren wordt gereden. Vrijwel het complete ensemble is gedurende de hele voorstelling ergens voor op het toneel aanwezig. Minimaal bewegend. Een koor van zombies. Met gedoseerde verbale en mimische middelen acterend op de vulkaanrand van radeloosheid. Onder hen de van onderdrukte erotiek zinderende generaalsweduwe Anna Petrovna (Elsie de Brauw, prachtig). En de door drankzucht of een ander euvel in een curieus koeterwaals ploeterende huisarts Triletski (Steven van Watermeulen, ongemeen geestig). Twee figuren onttrekken zich aan dit ensemble. Een jonge vrouw die een levensgevaarlijke choreografie uitvoert op de treinrails (Zoë Thielemans). En een jonge outcast, de crimineel Ossip (een prachtige creatie van Briek Lesage), die vanonder die rails de bewoonde wereld in kruipt. Tussen hen in zwerft Platonov (een grandioze Bert Luppes). De brutale vlerk en onverwoestbare schuinsmarcheerder die slechts stand houdt bij de gratie van de uitgeblustheid van zijn omgeving. Hij neemt het voortouw in het langzaam afbrokkelen van de taal. Van alle taal. Van elke klank. Van elke waardigheid ook. ‘Ik ben ziek. Ik moet mezelf van kant maken. Hamlet was bang voor dromen. Ik ben bang voor het leven. Wat zal er gebeuren als ik verder leef? De schaamte zal me verteren. Finita la commedia! Een intelligent zwijn minder!’ Aan het eind zijn het alleen nog de tingelklanken van die achteruit rijdende vleugel die tot ons spreken. Daarna doet iemand het licht uit. Deze Platonov is van een verbluffend soort radicaliteit. Zonder bravoure of spektakelzucht. Luk Perceval hoort tot de grote toneelvertellers van deze tijd. Volgend seizoen maakt hij een coproductie van NTGent met het Hamburgse Thalia Theat er. Voorjaar 2014. Im Westen Nichts Neues/De Grote Oorlog, naar Erich Maria Remarque.


tg STAN speelt Eind goed al goed naar Am Ziel van Thomas Bernhard op 2, 3 en 4 mei in Monty Antwerpen, op 7 en 8 mei in Toneelschuur Haarlem, op 10 en 11 mei in Theater Kikker Utrecht, op 18 mei in Grand Theatre Groningen, op 21 en 22 mei in de Brakke Grond in Amsterdam. NTGent speelt Platonov op 7 en 8 mei in de Stadsschouwburg Amsterdam