De dodelijke overeenkomst tussen rood en zwart

DE VEELGEHOORDE opvatting dat Franse intellectuele debatten interessanter zijn dan Nederlandse is maar ten dele juist. Franse debatten zijn scherper en persoonlijker, maar vervallen sneller in een eindeloze herhaling van bekende standpunten. Tijdens de publicitaire veldslag rond de zaak-Papon bijvoorbeeld leken de stukken er aan alle kanten af te vliegen, maar uiteindelijk leverden de slagenwisselingen weinig nieuwe gezichtspunten op over het vraagstuk van schuld en boete na Vichy. Helaas geldt dat ook voor het Livre Noir, het met veel misbaar gelanceerde ‘zwartboek’ over de misdaden van het communisme waarin een voor Franse verhoudingen kennelijk uiterst gewaagde vergelijking van het communisme met het nazisme wordt gemaakt. Voordat de inhoud goed en wel tot het publiek was doorgedrongen, hadden de commentatoren zich al op hun koude-oorlogsstellingen van weleer teruggetrokken.

Le Figaro bromde dat er niets nieuws in stond, L'Humanité wierp tegen dat het zwartboek de fout maakte om het communisme verantwoordelijk te stellen voor de ‘ontsporingen’ van het stalinisme. Communisten en gaullisten verzetten zich broederlijk tegen de vergelijking van nazisme met stalinisme of communisme omdat die geen recht doet aan het aandeel van de Sovjetunie (lange tijd De Gaulles bondgenoot) in de strijd tegen Hitler-Duitsland. Wat dat betreft is er sedert 1989 weinig veranderd. Dat is jammer, want het boek werpt ondanks zijn opzichtige gebreken interessante vragen op, juist dankzij het vernauwde perspectief. De auteurs zijn merendeels afgezwaaide stalinisten of maoïsten. Het zwartboek pretendeert een soort balans op te maken van alle misdaden tegen de menselijkheid die in naam van het wereldcommunisme zijn gepleegd.
HET IS EEN beetje een ratjetoe geworden. In vijf hoofdstukken van wisselende omvang en kwaliteit komen achtereenvolgens de Sovjetunie, de Komintern, Oost-Europa, Azië en de overige Derde Wereld aan bod, maar geen ervan streeft naar volledigheid. Het hoofdstuk over de Sovjetunie geeft geen gedetailleerde beschrijving van de Goelag zoals de boeken van Alexander Solzjenitsyn of Robert Conquest, maar concentreert zich op de beginjaren van het Sovjet-bewind. De paragraaf over de genocide in Democratisch Kampuchea streeft niet naar uitputtendheid zoals het Cambodian Genocide Program van de Yale-universiteit. En het begrip 'misdaden tegen de menselijkheid’ is dan wel nauwkeurig omschreven in het internationaal recht, maar een historicus is geen onderzoeksrechter met alle bevoegdheden van dien. De natuurlijke beperking van het bronnenmateriaal wreekt zich nu en dan pijnlijk. Wie een boekhoudkundige afrekening met een eeuw communisme verwacht, komt bedrogen uit.
Het meeste opzien baarde de inleiding, waarin Courtois nazisme en communisme met elkaar vergelijkt zonder ze overigens aan elkaar gelijk te stellen. Het communisme had volgens Courtois een 'misdadige dimensie’ met het nazisme gemeen, en wel omdat het een nieuwe mens de scheppen door de oude uit te roeien: 'De toekomstige nazi-maatschappij moest worden opgebouwd op het “zuivere ras”; de toekomstige communistische maatschappij op een proletarisch volk dat van alle burgerlijke smetten vrij was. De omvorming van beide maatschappijen werd op dezelfde manier ter hand genomen, ook al waren de criteria voor uitsluiting niet dezelfde.’ Verder wekt hij de indruk dat hij van de communistische misdaden wel degelijk een zaak wil maken, naar analogie van het tribunaal van Neurenberg. Twee van de auteurs, Nicolas Werth (Sovjetoloog) en Jean-Louis Margolin (Azië-specialist), besloten daarom zich van Courtois te distantiëren.
Hun desertie werd uitbundig begroet door L'Humanité, maar veel plezier hebben de communisten er niet van gehad. Werth ontkende niet de misdadige kern van het communisme, alleen vond hij 'de leugen waardoor de terreur zo lang verborgen kon blijven een wezenlijker kenmerk van het communisme dan de terreur zelf’. Margolin hechtte op zijn beurt aan een scherp onderscheid tussen de marxistische doctrine en de 'catastrofale, monsterlijke wandaden van de Aziatische regimes die ik beschrijf’. De interessantste vragen bleven intussen vrijwel onbesproken. Ligt de terreur in de communistische ideologie besloten? Zo ja, waarom heeft het communisme dan zoveel idealisten aangetrokken? Is er een wezenlijke cesuur tussen leninisme en stalinisme? En wat valt er - afgezien van een gratuite manier om je democratische antecedenten te bewijzen - uit de vergelijking van nazisme en communisme eigenlijk te leren?
OM MET DE eerste vraag te beginnen: helaas gaan de schrijvers niet uitdrukkelijk in op het verband tussen ideologie en praktijk. Ze beperken zich, in Courtois’ woorden, tot 'het reële communisme in een bepaald tijdperk, in bepaalde landen, belichaamd door leiders als Lenin, Stalin, Mao, Ho Chi Minh, Castro, enzovoort’. Alleen in zijn slothoofdstuk, 'Waarom?’, doet Courtois een zwakke poging dit verband nader te verklaren, maar hij komt niet verder dan wat auteurs als Boris Souvarine of Arthur Koestler hierover al hebben gezegd. En het recente meesterwerk De Geschiedenis van een Illusie (1997) van François Furet - die het voorwoord bij het zwartboek zou schrijven maar vroegtijdig overleed - overtreft hij zeker niet.
Het pièce de résistance is het grote en diepgravende hoofdstuk van Werth over de Sovjetunie. Voor zover dat nog nodig is, bewijst hij dat de massaterreur het leidende beginsel van het nieuwe bewind was. Lenin en de zijnen maakten gebruik van een machtsvacuüm om een staatsgreep te plegen. Zij genoten kortstondig een grote populariteit dankzij hun oproepen tot onteigening van het grootgrondbezit en erkenning van de sovjets als het hoogste gezag. Maar ze hadden de macht nog niet aan zich getrokken of ze kondigden de politiestaat af, joegen de arbeiders terug de fabriek in, vervingen de vrije vakbonden en sovjets door volgzamer organen en zetten de gevangenkampen - 'concentratiekampen’ in Lenins eigen woorden - wijd open voor hun politieke tegenstanders.
Veel bolsjewieken van het eerste uur werden al snel uitgerangeerd omdat hun rol onder de 'nieuwe verhoudingen’ was uitgespeeld. Hun humanistische idealen werden vertrapt door het halfgeletterde uitschot dat onder Lenins toezicht de partij en de nieuwe staatsorganen bemande. In wezen installeerde Lenin onder de dekmantel van de klassenstrijd de heerschappij van de straat, belichaamd in de geheime politie onder leiding van de hysterische Felix Dzjerzjinski. Overal waar zij hun macht vestigden, richtten de Rode Gardisten naar toenmalige begrippen uiterst bloedige slachtingen aan onder gevangen soldaten, officieren en burgers. De 'revolutionaire tribunalen’ die zij achterlieten, ren niet bedoeld om recht te spreken maar om ongewenste of overbodig geachte groepen (zoals ambtenaren) uit te roeien. Overigens regisseerde Lenin ook het eerste politieke schijnproces dat - zoals de Nederlandse sovjetoloog Marc Jansen uitvoerig heeft beschreven - reeds alle elementen van de showprocessen onder Stalin bevatte (Een showproces onder Lenin, 1980).
HET ONDERSCHEID tussen leninisme en stalinisme was een kwestie van schaal en beschikbare geweldsmiddelen. De manier waarop de bolsjewieken de boeren van zich vervreemdden is volgens Werth de voorbode van de latere rampzalige collectivisatie. De 'ravitailleringslegers’ die in de eerste jaren het platteland afstroopten naar voedsel voor de uitgehongerde steden schoten elke boer dood die hen een duimbreed in de weg legde. De onderwerping van het platteland aan de wil van een stedelijke minderheid moest wel uitlopen op een totale oorlog.
Niet bekend
Werth plaatst deze geweldsorgie in het kader van de beroerde voedselsituatie en de chaotische omstandigheden van 1917. De menselijke betrekkingen in Rusland waren ten prooi aan een algehele brutalisering, veroorzaakt door een combinatie van overhaaste industrialisatie, het stuurloze geweld van de ontwortelde boerenmassa’s en het 'moderne’, dat wil zeggen mechanische en anonieme geweld dat de Eerste Wereldoorlog had geïntroduceerd. Maar die configuratie verklaart niet waarom de terreur door de bolsjewieken tot norm werd verheven, zeker in de eerste maanden toen het nieuwe bewind nog geen noemenswaardige oppositie uit binnen- of buitenland ondervond. Volgens Werth heeft het nietsontziende geweld van de bolsjewieken zoveel weerzin gewekt dat de 'contrarevolutionaire’ bewegingen overal spontaan uit de grond rezen. Ze hebben derhalve hun omsingelingscomplex zelf veroorzaakt.
De eerste kanttekeningen van critici bij de analyse van Werth zijn buitengewoon kinderachtig. Als het bolsjewisme de terreur nodig had om te kunnen bestaan, schreef de linkse vakbondshistoricus Michel Dreyfus, waarom kon het dan na de dood van Stalin en het einde van de terreur nog veertig jaar overleven? Wel, dat is niet moeilijk te beantwoorden. Er zijn duizenden studies over de Sovjetunie in de jaren zestig en zeventig die het antwoord op een presenteerblaadje aanreiken. Om het gechargeerd te zeggen: de schrik zat er ook na 1953 nog goed in. Verder schrijft Dreyfus verontschuldigend dat de bolsjewieken 'dankzij het ontbreken van een Russische democratische traditie werden meegesleurd in een geweldscyclus die ze niet konden tegenhouden’. Zoals Werth laat zien, wilden ze daartoe niet eens een poging ondernemen; ze gedijden van nature in een gewelddadig klimaat.
DAARMEE ZIJN WE aangeland bij de hamvraag. De gelijkstelling van alle communistische regimes aan het nazisme is natuurlijk idioot, maar dat wil niet zeggen dat elke parallel onterecht is. Trotski schreef al in De verraden Revolutie (1937): 'Stalinisme en fascisme zijn, ondanks de grote verschillen in hun sociale basis, gelijksoortige verschijnselen. In veel opzichten vertonen ze een dodelijke overeenkomst.’ Achterstallige klassenstrijders beroepen zich graag op subtiele verschillen tussen de tigingskampen met hun gaskamers en executiepelotons en de Sovjet-kampen waar gevangenen werden uitgehongerd, met een nekschot afgemaakt of gedwongen zich dood te werken, maar ik ben zo onbescheiden te denken dat het voor de slachtoffers niets uitmaakte. Essentieel is dat in Hitler-Duitsland en in Stalin-Rusland mensen massaal werden vermoord, niet om wat ze dachten of deden maar om wat ze waren, en niet met de bedoeling om hun soortgenoten te intimideren, maar om hun soort van de aardbodem te vegen.
Wat dat betreft gaat Courtois’ vergelijking niet ver genoeg. Er zijn waarachtig genoeg aspecten die meer aandacht verdienen dan een cursieve behandeling in een inleiding. Hij vermeldt terecht dat de nazi’s de Sovjet-kampen ten voorbeeld hielden aan hun eigen kampcommandanten, maar de intellectuele chronologie is veel interessanter dan de architectonische. Arthur Koestler heeft het communisme ooit beschreven als de 'vroedvrouw’ van het fascisme, omdat het als eerste beweging de politiek als een voortzetting van de oorlog met andere middelen propageerde. In Lenins woorden: 'Alle moraal is volledig ondergeschikt aan het belang van de klassenstrijd’. Bij Alfred Rosenberg werd dat later: 'Recht ist das, was arische Männer für recht befinden’. Het was dezelfde taal die dezelfde inbraak van de onderwereld in de beschaving aankondigde.
Een andere overeenkomst die Courtois niet noemt is de gangstermentaliteit van Lenin en Hitler. Lees naast Lenins programmatische geschriften ook zijn brieven, telegrammen en dagorders en je ontdekt afgronden van grofheid, machtswellust en kleinzieligheid. Wie hiervan opkijkt, raadplege de bijna vierduizend stukken die de sovjetoloog Richard Pipes sinds 1990 in archieven heeft opgeduikeld (The Unknown Lenin, 1997). Daaruit rijst hetzelfde beeld op als uit de correspondentie en de tafelgesprekken van Hitler. Het beeld van een psychopaat in de klassieke betekenis van het woord, die de mensheid onderverdeelt in ondergeschikten en vijanden en beiden als ongedierte zal vertrappen als het hem zo uitkomt.
Anderzijds doet het zwartboek in het geheel geen recht aan de verhoudingen in Latijns-Amerika, waar alleen al het woord 'landhervorming’ een totaal andere klank heeft dan in Stalins tranendal van de jaren dertig. Als het contrast tussen communistische idealen en het reëel bestaande communisme ergens duidelijk naar voren komt, is het wel daar. Maar het boek scheert alle partijen en bewegingen over één terroristische kam. Het lijkt wel of de auteurs van dit hoofdstuk ieder streven naar democratie en sociale rechtvaardigheid verwerpen omdat het met de erfzonde van Lenin belast is. Gelukkig zal er van dat tribunaal wel niets terechtkomen.