De dodelijke paradox van de krijgseer

De moordpartij in Srebrenica vond plaats ondanks de aanwezigheid van Dutchbat. Of misschien juist dankzij de aanwezigheid van zo'n vredesleger? Een analyse van de paradox van de militaire erecode.
WARTIME VAN DE Amerikaanse auteur Paul Fussell opent met een treffend beeld van de instelling waarmee de Amerikanen aan de Tweede Wereldoorlog begonnen. Om de Duitse tanks te weerstaan had men lichte sierlijke jeeps ontwikkeld, bewapend met mitrailleurs, en pantservoertuigen van blank glanzend staal. De zwaarste daarvan, de ‘Honey’, had nog steeds ongeveer het kaliber van een gems tegenover een tijger. Met dit materiaal kon men snelheid en wendbaarheid inzetten tegen brute kracht, zodat men buiten het bereik zou blijven van de vijandelijke schootskracht. Het is een uiting van de illusie dat men een oorlog kan voeren zonder verliezen en zonder risico’s; het is de optimistische onderschatting die te zien is aan het begin van elke oorlog. En het doet te veel denken aan het optimistische verhaal van Dutchbat in Bosnie om toevallig te zijn. ‘Een goedbetaalde vakantie in een warm land.’

De mythe van de schone, elegante oorlog zonder slachtpartijen, waar de soldaten zingend en juichend voortgaan van bolwerk naar bolwerk, is blijkbaar even hardnekkig als de oorlog. Het Nederlandse bataljon werd naar Srebrenica gestuurd met pantservoertuigen die waren ontmanteld om de strijdende partijen geen aanstoot te geven. Het eindigde met onttakeld materieel dat zonder slag of stoot in handen viel van de andere partij, maar dat terzijde.
De mythe van de schone, bloedeloze operatie hoort bij de strategie die te allen tijde oorlog maatschappelijk aanvaardbaar moet maken. Een ander onderdeel van die strategie is geheimhouding van de precieze operatiedoelen en zwijgzaamheid over de methoden, resultaten en verliezen. De officiele diplomatieke opdracht, in dit geval het VN-mandaat ter bescherming van de enclave, is openbaar; de strategische en tactische vertaling, vervat in de rules of engagement, is militair geheim. Vallen er verliezen, of vallen de resultaten tegen, dan krijgt de buitenwacht een onvolledig en rooskleurig beeld voorgeschoteld.
GEHEIMHOUDING, onvolledige informatie en verdraaiing van feiten zijn na het Srebrenica-debacle schering en inslag. Naarmate de incidenten zich opstapelen, tekent zich meer en meer het beeld af van een bewuste cover-up. Die doet zich zowel voor bij de top van de landmacht als bij de staf en de afdeling Voorlichting van het ministerie van Defensie. Dat de verantwoordelijke minister Voorhoeve keer op keer verrast leek te zijn door zijn eigen ambtenaren, zou gespeeld kunnen zijn, maar er kan ook sprake zijn van een militair-ambtelijke strategie om de politiek te misleiden of althans zo lang mogelijk in het ongewisse te laten.
Op het eerste gezicht lijkt dit een irrationele handelwijze, die het eigen belang van Defensie alleen maar heeft geschaad. Maar is het zo irrationeel? Of hebben we te maken met een type gedrag dat, hoewel het censorachtige en paranoide trekken vertoont, een wezenlijk onderdeel is van het instituut Leger? We zijn die gedachte ontwend geraakt door het feit dat het leger onder strikte democratische controle staat, en door de ‘democratische’ instelling die het leger zich de laatste decennia heeft aangemeten. Lang haar wordt getolereerd, Jantjes die de Dam schoonvegen, krijgen een schrobbering en het verzaken van de groetplicht is geen aanleiding meer om iemand met twee weken zwaar op te zadelen.
Het leger wil een modern instituut zijn, en heeft dus bijvoorbeeld zijn licht opgestoken bij agogische methoden uit de jaren zestig en zeventig. In de training tot blauwhelm - de training van 'groen’ naar 'blauw’ - kregen de beroepsinfanteristen en luchtmobiele soldaten volgens een vaag gelijkheidsbeginsel lessen in tolerantie jegens de burgerbevolking. Dit terwijl in de burgermaatschappij allang een materialistisch individualisme floreert, waarbij alleen het recht om te sterven voor allen gelijk is. Openheid en zwijgplicht gaan in een onveranderlijk autoritaire hierarchie broederlijk samen. Het illustreert hoe maatschappelijke veranderingen het militaire apparaat als laatste bereiken om er vervolgens, in uitgeholde vorm, het langst te blijven hangen.
Als total institution heeft het leger een reputatie hoog te houden van onuitroeibaar conservatisme en gezagsgetrouwheid. Dit in tegenstelling tot het gevangenissysteem - ook een total institution - dat zich onder druk van de publieke opinie sneller lijkt aan te passen aan veranderende maatschappelijke omstandigheden. Is dat een teken dat het leger te weinig wordt blootgesteld aan praktische risico’s, aan prikkels die aanpassing noodzakelijk maken? Met andere woorden: verstoft een leger in vredestijd bij gebrek aan oorlog?
Toch is juist het leger sinds de val van de Muur onderhevig aan enorme veranderingen. Samenhangend met de gewijzigde taken - van defensief instrument tegen de oorlogsdreiging uit het Oosten, ingebed in het kader van de Navo, tot een flexibele, parate troepenmacht die 'vredestaken’ kan uitvoeren - is het dienstplichtigenleger omgevormd tot een veel kleinere, meer doelgerichte brigade van beroepsmilitairen.
ER IS AL EERDER op gewezen dat het oprichten van een beroepsleger het effect heeft dat het militaire apparaat veel minder gedifferentieerd wordt en dat het opleidingsniveau daalt. Hoger opgeleiden kiezen ternauwernood voor het leger zolang ze beroepsalternatieven hebben. Laag opgeleiden worden daarentegen aangemoedigd een carriere bij het leger te kiezen, met als bijkomend voordeel dat ze daar vaardigheden aanleren die van nut zijn in het normale arbeidsproces. Het lagere opleidingspeil heeft tot gevolg dat beroepssoldaten in iedere situatie precies verteld moet worden wat ze moeten doen (en laten), terwijl in een dienstplichtigenkorps eerder de eigenzinnigheid moet worden ingedamd. Het heeft waarschijnlijk ook tot gevolg dat vooral lagere officieren niet meer op hun strepen hoeven te staan omdat ze het qua intelligentie afleggen tegen hun ondergeschikten, maar dat terzijde.
Vreemd genoeg is in het kader van Srebrenica juist de gezagsgetrouwheid aan twijfel onderhevig. De pas afgezwaaide opperbevelhebber van de landmacht, generaal Couzy, heeft zijn oppositie tegen de politieke leiding nooit onder stoelen of banken gestoken, maar hij is niet de enige. De openlijke afwijzing van de politiek krijgt de laatste tijd zelfs een antidemocratisch tintje. Militair-technisch mag de kritiek van Couzy terecht zijn geweest - daar gaat het nu niet om. Waar het om gaat, is het ondubbelzinnige primaat van de politiek. Het lijkt mij zorgwekkend wanneer de militaire top (of een deel ervan) zich afzet tegen het parlement, zeker wanneer die houding op lagere rangen wordt overgedragen. Een bananenrepubliek is wel het laatste waaraan we behoefte hebben. Maar de afwijzende, hier en daar onwillige houding van beroepsmilitairen roept vooral vragen op. Vragen naar de relatieve ondoordringbaarheid van het leger als institutie, naar de motieven die zijn collectieve gedrag bepalen en vooral naar de mechanismen die ertoe leidden dat, na het Srebrenica- debacle, de toedracht zoveel mogelijk in de doofpot werd gestopt.
Als het hierbij om zakelijke, rationele beweegredenen zou gaan, is het cover-up-gedrag ternauwernood verklaarbaar. Zaken als de vernietiging van bewijsmateriaal (de filmrolletjes) en het feit dat alle voor de hand liggende mogelijkheden om de terugkerende militairen snel en uitvoerig te horen over de gebeurtenissen werden genegeerd, hebben de reputatie van Dutchbat en van de landmacht allesbehalve goed gedaan. Zou het, bijvoorbeeld, niet eleganter zijn geweest indien overste Karremans voor het Joegoslavie-tribunaal fotomateriaal had kunnen overleggen met de mededeling: we hebben de stad niet kunnen redden, maar aan onze waarnemingstaak hebben we tenminste voldaan?
Kennelijk zag men bij Defensie een ander belang geschaad, dat zwaarder woog. De veelheid van uitgelekte incidenten wijst daarop, evenals de voortgaande zwijgzaamheid op het departement en de selectieve manier waarop mededelingen naar buiten zijn gebracht. Het is jammer dat noch de journalistiek, noch de politiek in de afwikkeling na de val van de enclave heeft doorzien dat de toevalligheden en ongelukjes een samenhangende reeks vormen. De filmrolletjes, tot tweemaal toe, de lijst van Franken, de ondertekening van het 'akkoord’ met Mladic, het op vakantie sturen van het bataljon in plaats van de manschappen in Zagreb al te ondervragen, de oppositie van onderofficieren tegen de bataljonsleiding, de uitlevering van familieleden van Bosnisch VN-personeel, de weigering gewonde burgers te verzorgen, de vijandige houding van Dutchbat jegens de moslimbevolking (vooral van de jongere mannen), het traineren van het debriefingsrapport, het bericht dat Bosnische Serviers moslimmannen uit de bergen lokten in afgenomen VN- uitrusting. Het is een onafzienbare reeks, en het is niet gewaagd te veronderstellen dat, indien al die incidenten in hun samenhang aan het licht waren gekomen, de positie van Voorhoeve en van verschillende hooggeplaatste militairen onhoudbaar was geworden. Van het per ongeluk wegpromoveren van Karremans zou dan geen sprake zijn geweest.
HET BELANG VAN AL deze omtrekkende bewegingen lijkt niets anders te zijn dan angst voor gezichtsverlies. Dat die drijfveer irrationeel is, wordt pijnlijk zichtbaar in het licht van de zeven- tot achtduizend vermisten van wie het leeuwedeel hoogstwaarschijnlijk is vermoord. Het irrationele blijkt hieruit dat - zelfs al was er niets meer te redden geweest - men zich de verdenking van medeplichtigheid had kunnen besparen.
Het is ook irrationeel omdat deze houding de grote frustraties in de hand heeft gewerkt die de Dutchbatters sinds hun terugkomst hebben bevangen. Zwijgplicht, gekoppeld aan de druk van de publieke opinie, belemmert hen zichtbaar in de verwerking van hun oorlogservaringen. Als het zo doorgaat, moet er een nieuwe Hueting aan te pas komen voor ze toekomen aan een meer redelijke evaluatie van hun aanwezigheid. Alsof de Tweede Wereldoorlog, Indie en Nieuw-Guinea niet hebben plaatsgevonden; alsof De aanslag nooit is geschreven.
Uiteraard is er vanuit een ander gezichspunt wel degelijk sprake van rationeel handelen: wanneer men in aanmerking neemt dat voor een militair het behoud van eer geen mythe maar een feit is dat te allen tijde zwaar telt. Van eerverlies is sprake wanneer er op genade of ongenade moet worden overgegeven; wanneer bij het opgeven van posities de wapens en persoonlijke uitrusting van de soldaten verloren gaan; en ook (mogen we aannemen) wanneer sprake is van grote en onvoorziene personele verliezen. Het woord 'overgave’ mocht na de val van Srebrenica dan ook niet worden gebruikt. Deze militaire erecode is niet voorbehouden aan Dutchbat; ook de Fransen gaven er blijk van het lot van hun twee gegijzelde piloten belangrijker te vinden dan de uitvoering van hun vredestaak, zoals onlangs bekend werd.
Zo ontstaat de paradox dat voor een leger het behoud van de eigen manschappen voorop staat, terwijl het verlies van burgers die aan hun verantwoordelijkheid zijn toevertrouwd, kennelijk niet geldt als verlies van krijgseer. Zelfs het Bosnische regeringsleger kan in deze paradox worden betrokken: zo werd onlangs de terugtrekking van de troepen naar Tuzla, ondanks het verlies van de stad Srebrenica en duizenden levens, als een 'succesvolle militaire operatie’ bestempeld.
Het wel erg rigide vasthouden aan de in het mandaat (en in het contact met de Bosnische Serviers) vervatte opdracht de moslimstrijders te ontwapenen, leidde ertoe dat de wapendepots pas werden opengesteld toen het te laat was. Een interpretatieverschil lag aan deze blunder ten grondslag: terwijl vanaf donderdag 6 juli 1995 de observatieposten systematisch werden opgerold, duurde het nog tot maandag 10 juli voordat allerwegen de mening postvatte dat het Mladic te doen was om de hele enclave. Zelfs het verlies van de hele zuid- en westflank was blijkbaar niet voldoende om te erkennen dat het tijd werd de moslims het recht op zelfverdediging terug te geven.
Zo ontstaat de volgende meervoudige paradox: Dutchbat klaagt dat het alleen tegen een overmacht stond, terwijl het in theorie enkel rugdekking zou moeten geven; voor de buitenwacht staat het vast dat Dutchbat zijn beschermende taak heeft verzaakt, terwijl de verdediging van de enclave nooit tot het mandaat heeft behoord en feitelijk onmogelijk werd gemaakt door de eigen VN-top; en tegelijk werd het Bosnische regeringsleger belet de enclave zelf te verdedigen, door de al te letterlijke manier waarop Dutchbat zijn ontwapeningsopdracht heeft uitgevoerd.
Het is niet gemakkelijk uit te maken wie waar gelijk had. Er kan nu alleen nog worden vastgesteld dat het op alle niveaus ontbrak aan doelgerichtheid en vastbeslotenheid - en dat de enigen die precies wisten waar ze voor stonden, de Bosnische Serviers waren.
HET IS DE VRAAG of een doelgericht, efficient en rationeel optreden in deze vredesmissie kon worden verwacht. Enerzijds is er de scepsis die door Couzy c.s. reeds voor de troepenuitzending werd uitgesproken omtrent de militair-technische aspecten van de operatie. De verschillende interpretaties van het begrip 'bescherming van de burgerbevolking’ geven aan hoe diep de kloof was tussen de politieke en de militaire meningsvorming. De politici, het parlement incluis, stonden in hoofdzaak een optimistisch beeld van de vredesmissie voor ogen: de veilige, schone en 'blauwe’ variant, waarbij de loutere aanwezigheid van VN-personeel moest garanderen dat de integriteit van de enclave werd gewaarborgd. De militairen die zich bezighielden met de strategische en tactische aspecten, gingen ervan uit dat de beschermingstaak in gevechtssituaties onmogelijk kon worden waargemaakt. Toen het erop aankwam, moest derhalve worden teruggegrepen op improvisatie en ad-hoc- beslissingen.
De manschappen hebben bij verschillende gelegenheden hun waardering uitgesproken voor kapitein Groen, die de luchtmobiele troepen bij het begin van de aanval instrueerde voor hun oorspronkelijke 'groene’ gevechtstaak. Verder is het duidelijk geworden dat de rules of engagement - waarschijnlijk door Janvier - op het laatste moment waren veranderd, zodat het vuur niet mocht worden geopend tenzij er gericht op de posities werd geschoten. De blocking position van zes tanks, die op zondag ten zuiden van de stad werd ingericht, diende daardoor letterlijk als kanonnevoer.
Maar de Serviers namen dat risico niet. Zowel bij het innemen van de observatieposten als bij de schijnaanval op de blocking position van 10 juli namen ze zorgvuldig de marge tussen aanvallen en platschieten in acht. Een sergeant getuigde dat de Serviers bij die gelegenheid werden afgeslagen door hoog over hun hoofden heen te schieten en het vuur vervolgens geleidelijk te laten zakken. Dit terwijl het enige anti-tankkanon dat ze bezaten, onklaar was door gebrek aan onderdelen. Men moet die aanval dan ook zien als een test met het oog op eventuele luchtaanvallen, waarbij de Bosnische Serviers ervoor zorgden de VN-leiding geen alibi voor luchtsteun te verschaffen - zo Janvier c.s. luchtsteun al serieus in overweging namen.
ANDERZIJDS IS ER het punt dat openbaarheid en publiek optreden blijkbaar slecht passen in de total institution die 'Leger’ heet. Zo waren de Amerikanen ten tijde van de Golfoorlog mededeelzaam genoeg wanneer het de effectieve uitvoering van hun krijgsdoelstellingen betrof - zolang het beeld kon worden vastgehouden van een schone en uiterst efficiente operatie. Nu, na vijf jaar, komt uit wat men daaronder moet verstaan: 'schoonheidsfoutjes’ zoals het ontmantelen van bases die gifgas bleken te bevatten (hoewel ze tevoren waren gescand) konden pas onder de druk van het overstelpende bewijsmateriaal worden toegegeven.
De manschappen van het Dutchbat- bataljon waren, dat blijkt zonneklaar uit de afwikkeling van het drama, niet voorbereid op hun handelen bij een totale nederlaag. Dat kon ook nauwelijks, aangezien Janviers verzuchting dat hij 'van de enclaves af moest’, uiteraard niet in de rules of engagement voorkwam. Het relativeert de druk die er na afloop van de catastrofe door de buitenwacht op Dutchbat is gelegd. Het is weinig zinvol te spreken van burgemeesters in oorlogstijd wanneer de verzamelde kritiek zich op veilige afstand bevindt. Tijdens de Tweede Wereldoorlog gold de goed-of-foutvraag voor allen; nu voor vierhonderd man die zich op het kritieke moment de wijze lessen van de geschiedenis misschien niet allemaal konden herinneren.
Men kan de journalistiek in deze niet kwalijk nemen dat ze haar werk doet. Ergerlijker is het geblaat van betweters als de toneelschrijvers Vleugel en Vorstenbosch, die de Dutchbatter klakkeloos associeren met de mentaliteit van een neonazi- knokploeg. Veeleer heeft de weigerachtige, weinig intelligente houding van het ministerie van Defensie, gesouffleerd door de legertop, in de hand gewerkt dat de verzamelde journalisten zich hebben gestort op het karige beeld dat van Dutchbat overbleef.
Een zakelijke en rechtvaardige evaluatie van de Nederlandse vredesmissie in Bosnie is, en wordt nog altijd, ernstig gehinderd door de opstelling van de militaire en departementale top van Defensie. Dat lijkt in strijd met het eigen belang een beeld van de operatie te scheppen dat recht doet aan de uiterst moeilijke omstandigheden. In plaats van open kaart te spelen, waardoor tenminste de rol van Dutchbat in proportie kon worden beoordeeld, koos men ervoor geheimzinnig te doen met onbenulligheden en zo de pers op het spoor gezet van grote blunders.
Dutchbat heeft gefaald. Dat is, helaas, een objectieve constatering. Dutchbat heeft gefaald, omdat er onder de bevolking die men moest beschermen een massaslachting heeft plaatsgevonden en de rest op wrede wijze werd gedeporteerd. Zolang de militaire leiding en het departement echter hun kop in het zand blijven steken en alleen ter verdediging met hun vinger naar de buitenwacht wijzen, maken zij zichzelf tot kop van Jut en geven zij gelegenheid tot ongehinderd prijsschieten. Het enige 'belang’ dat zij daarmee dienen, is het overoude axioma van elk militair apparaat: nooit het eigen nest bevuilen. Zelfs als dat leidt tot de verdenking van medewerking aan oorlogsmisdaden en het zich onttrekken aan parlementaire controle.