De dodelijke waarheid

Bloederige foto’s van het slachtoffer. Leugens om de verdachte onder druk te zetten. Emotionele chantage. Het hoort allemaal bij de zogeheten ‘Zaanse verhoormethode’. Die inmiddels vele tegenstanders kent. Onder wie oud-hoofdcommissaris Blaauw
OP 11 APRIL 1948 verdwijnt in Rotterdam plotseling de negenjarige Keesje Vermeulen. ‘Keesje heeft zich bij het verstoppertje spelen zo goed verborgen dat hij niet meer te vinden is’, vertelt een kameraadje aan de bezorgde ouders. Het zal nog ruim twee weken duren voordat het kind weer wordt teruggevonden. Een jutezak met het naakte lijkje wordt opgevist uit het water van de Delfhavense Schie. De ontzetting in Rotterdam is groot, honderden mensen komen naar de begrafenis van Keesje. Over een ding is iedereen het eens: de dader moet koste wat het kost gevonden worden.

Er dient zich al snel een geschikte kandidaat aan. Zijn naam is Hendrik K. Hij is werkzaam in een bedrijf waar weleens een jutezak wordt gebruikt en ook schijnt hij daar wel eens iets te enthousiast met een jonge knecht te hebben gestoeid. Bovendien wil het verhaal dat Hendrik sinds de moord op Keesje nogal zenuwachtig doet.
De zaak-Keesje Vermeulen is een van de zes dubieuze moordonderzoeken die de Rotterdamse oud-hoofdcommissaris van politie J. A. Blaauw in zijn boek Verdacht van moord in kaart brengt. Alle door hem beschreven onderzoeken worden gekenmerkt door grove blunders van de kant van de politie. De oorzaken van die missers zoekt Blaauw in een falende leiding, ongezonde rivaliteit, verkeerde verhoormethoden en een ongeremde scoringsdrift. De moorden vonden weliswaar plaats tussen 1923 en 1984, maar dat doet niet veel af aan de actualiteit van het boek. Volgens Blaauw zijn genoemde oorzaken van falend onderzoek namelijk ‘binnen het politie-apparaat bepaald niet exclusief aan vroegere generaties voorbehouden’.
BLAAUW IS EEN man van de feiten. Op zijn werkkamer legt hij uit wat er allemaal fout kan gaan in een moordonderzoek als er niet wordt uitgegaan van feiten, feiten en nog eens feiten. Zoals bij de moord op Keesje Vermeulen. Blaauw: 'Een van de rechercheurs die op die moord zat, heb ik later zelf gesproken. Die man was er nog steeds heilig van overtuigd dat Hendrik K. die moord had gepleegd. Maar als je gaat ontrafelen hoe het opsporingsonderzoek van start is gegaan, kom je uit bij niet meer dan een verdachtmaking: een collega van een ander bureau had iets gezegd in de trant van: “Goh, jullie moeten toch eens gaan kijken, want die man zou wel eens in aanmerking kunnen komen voor de moord op Keesje.” En toen is het fout gegaan. Men was er gelijk van overtuigd dat de man de dader was. Hij zou ontucht hebben gepleegd met knapen uit zijn bedrijf. De politie heeft zich eenvoudigweg afgesloten voor de mogelijkheid dat de verdachte ook wel eens onschuldig zou kunnen zijn.
De dienders die de man verhoorden, dramden net zo lang tot K. door de knieen ging. Een normaal mens kan zich moeilijk voorstellen dat hij een moord bekent die hij niet heeft gepleegd, maar er bestaan mensen die dat in zo'n situatie dus wel doen. De man trok zijn bekentenis weliswaar later weer in, maar toch is hij veroordeeld voor een moord die hij absoluut niet heeft gepleegd. Uiteindelijk vormde de jutezak waarin het kind gevonden was, het doorslaggevend bewijs. Stoffenonderzoek wees uit dat er een stuk of tien verschillende stoffen in hadden gezeten die in hun combinatie specifiek waren voor het bedrijf waar K. werkzaam was. Vijf jaar later is uit een nader onderzoek gebleken dat die jutezak net zo goed bij een ander bedrijf had kunnen horen.’
Ook de omstandigheden van een moord kunnen een rechercheur ertoe verleiden al te snel in de schuld van een verdachte te gaan geloven. Hij komt in aanraking met de treurende familie van het slachtoffer of wordt geconfronteerd met de lugubere details van een kindermoord. De emoties die daardoor worden opgeroepen, kunnen de blik op de waarheid vertroebelen. Blaauw onderkent het probleem: 'Je wilt zo graag de waarheid en dan heb je er een hekel aan wanneer er iemand met een tegenverhaal komt. Bederf mijn theorie niet, denk je dan. Daarom moet je voortdurend kritisch zijn op wat je aan het doen bent. Het is levensgevaarlijk er te snel van uit te gaan dat je de dader al te pakken hebt. Ik heb daar te veel mensen mee de fout in zien gaan.’
De suggestie van Blaauw dat de opsporingsmethoden van de politie anno 1996 nog veel te wensen overlaten, lijkt niet uit de lucht gegrepen. Zo is er sinds kort een verhoormethode in zwang geraakt die op zijn zachtst gezegd omstreden is. Het gaat om de 'Zaanse methode’, genoemd naar het politiebureau waar ze in 1994 voor het eerst in praktijk werd gebracht. Bij deze methode gaat het erom de verdachte de moord te laten herbeleven. Elke vorm van nonverbale communicatie waarop de verdachte zich vervolgens laat betrappen, wordt als relevant beschouwd. In het ideale verhoor, althans volgens deze methode, zou de verhoorkamer een kopie moeten worden van de plaats waar het delict heeft plaatsgevonden. Geur-, smaak- en beeldmanipulaties vormen probate hulpmiddelen om de herbeleving op te roepen.
De Amsterdamse strafpleiter mr. Bram Moszkowicz is de methode in zijn praktijk meer dan eens tegengekomen. Zijn oordeel is vernietigend: 'Ik vind die methode volstrekt inhumaan, onmenselijk. Dat soort praktijken verwacht je niet in een rechtsstaat als Nederland. Als u eens wist wat ze met die mensen doen! In zaken waarin bloed heeft gevloeid bijvoorbeeld, worden foto’s van het slachtoffer opgehangen aan de wanden en het plafond, zelfs uitgespreid over de vloer, zodat de verdachte er permanent mee wordt geconfronteerd. Waar die verdachte ook kijkt, overal ziet hij die bloederige massa. En tijdens het verhoor probeert men de zwakke plekken van de verdachte te raken. Bij een client van mij had men al snel gemerkt dat hij erg aan zijn moeder gehecht was. Dat ging met behulp van de klassieke techniek van the good one en the bad one. Eerst zocht een goedige agent uit wat zijn zwakke plekken waren. Vervolgens begon de kwaaie agent erop te hameren dat mijn client zijn moeder de eerstkomende twintig jaar niet meer zou zien als hij niet snel bekende. Dit zijn overtredingen van het pressieverbod; in de wet staat dat verdachten hun verklaringen in vrijheid moeten kunnen afleggen.’
OOK HET SP-Tweede-Kamerlid Jan Marijnissen vindt de Zaanse verhoormethode ontoelaatbaar. De SP heeft hierover inmiddels zeventien kamervragen gesteld aan minister Sorgdrager van Justitie. Marijnissen: 'Ik heb werkelijk met verbijstering naar de videobeelden van zo'n verhoor gekeken. Het is echt te gek voor woorden dat zoiets in Nederland kan. Een verdachte werd bijvoorbeeld gechanteerd met zijn kind. De ondervrager zong een liedje waarmee het kind van de verdachte weleens zou kunnen worden gepest: “Je papa is een moordenaar.” Mensen worden via hun vrouw onder druk gezet, of er worden leugens verteld om de verdachte op het verkeerde been te zetten.’
De vragen van de SP-fractie aan de minister, zijn overigens nog niet beantwoord.
Mr. Doedens, strafpleiter te Utrecht, claimt de eerste te zijn die, begin dit jaar, de Zaanse methode in de Amsterdamse rechtszaal aan de kaak stelde. Doedens’ client bleek voor verhoor te zijn overgebracht naar politiebureau Zaandam. Daar volgde een urenlang verhoor in een kamer die volgehangen was met foto’s, afgewisseld met de namen van de familieleden van het slachtoffer en de dader. Doedens: 'Mijn client werd door de politie bestookt met regelrechte leugens. Er werd hem voorgehouden dat hij in Turkije gezocht werd voor heroinehandel, wat helemaal niet waar bleek te zijn. Ook zou een criminele organisatie hem willen liquideren en zou ik door die organisatie zijn ingehuurd. Dat strookt in het geheel niet met het recht van de verdachte om vrij te kunnen antwoorden zonder misleid te worden en zonder dat er druk op hem wordt uitgeoefend.’
Doedens vroeg in de rechtzaal om uitleg. 'Daarop heeft de rechtbank gezegd dat wat tijdens die verhoren is gebeurd, volstrekt ontoelaatbaar was. Maar ze stelde de officier van justitie er niet verantwoordelijk voor omdat die er niet van op de hoogte zou zijn geweest. Daarmee heeft de rechtbank zich er op slinkse wijze van afgemaakt. De regel is namelijk dat het er niet toe doet of de officier ergens iets van afweet of niet, hij is gewoon in alle gevallen verantwoordelijk voor de door de politie gebruikte methoden.
De politie in Zaanstad maakt bij hun verhoormethoden gebruik van de ideeen van H. Hoenderdos, een soort Jomanda-achtige figuur die door de Zaanse politie op handen wordt gedragen. Die kwakzalver heeft geen wetenschappelijke opleiding genoten maar toch enkele zogenaamd wetenschappelijke brochures geschreven. Hij verwijst daarin onder meer naar het boek De vuurloper van Emiel Ratelband. Zijn tactiek bestaat onder meer uit het invoeren van zogenaamde smaak-, geur- en tijdlijnen. Ik heb voorgesteld om dan maar meteen net als Jomanda de verhoorcel “in te stralen”.’
Het hoger beroep in de betreffende zaak moet nog voorkomen en Doedens ziet er verlangend naar uit. De politie te Zaandam was niet beschikbaar voor commentaar. Men wenst daar over de Zaanse methode voorlopig geen uitspraken te doen.
Naast de Zaanse methode beschikt de politie nog over enkele andere trucs om de verdachte een bekentenis te ontfutselen. De rechtsgeleerden Crombag, Van Koppen en Wagenaar geven er in hun boek Dubieuze zaken ettelijke voorbeelden van. 'Als je bekent, mag je weg’, werd opa Donker, verdacht van incest, toegevoegd tijdens een verhoor dat plaatsvond vlak voordat zijn in het buitenland woonachtige dochter aankwam op Schiphol. Ook de truc met het proces-verbaal is een bekende. Laat verdachte de kladversie ondertekenen, schrijf zelf vervolgens een nette versie en kopieer daar de handtekening van verdachte onder.
Op de steun van een ter plekke aanwezige advocaat hoeft de verdachte ook niet te rekenen. Het van film en tv bekende zinnetje 'You have the right to an attorney. Anything you say can and will be used against you in the court of law’ kent geen Nederlandse pendant. Bij ons heeft de verdachte in eerste instantie zelfs helemaal geen recht op een advocaat. Pas wanneer de politie en het Openbaar Ministerie hun toestemming hebben gegeven, mogen raadslieden hun client opzoeken. De belangrijkste verhoren hebben zich dan in de regel al voltrokken.
Oud-hoofdcommissaris Blaauw wuift de Zaanse methode weg als klinkklare komedie. 'De Zaanse methode is een verwerpelijke techniek. Ze spot met iedere vorm van ethiek. Men probeert de verdachte het delict te laten herbeleven. Daarmee neem je dus a priori het standpunt in dat je de dader voor je hebt zitten. Je mag natuurlijk best indringende vragen stellen en een intensief verhoor voeren, maar dat moet dan wel gebaseerd zijn op feiten en niet op flauwekul.’
Het belang van de nonverbale communicatie van een jankende verdachte zal Blaauw niet ontkennen, maar de betekenis ervan mag niet worden overdreven. 'Natuurlijk kan het voorkomen dat iemand tijdens het verhoor in elkaar klapt en begint te huilen. Daar zal hij dan wel een reden voor hebben. Wacht in zo'n geval rustig af tot de man is uitgehuild en vraag hem dan: “Wat is er nou aan de hand, joh?” Dan kan het best gebeuren dat iemand zegt verschrikkelijk aangeslagen te zijn door het feit dat hij verdacht wordt van de moord. Maar het andere uiterste kan natuurlijk ook gebeuren: hij kan ook bekennen de moord inderdaad te hebben gepleegd.’
HET IS NIET ongewoon dat er tijdens het verhoor een band tussen verdachte en verhoorders ontstaat, negatief of positief. Ook dat wil Blaauw niet ontkennen, maar zodra die verhouding wordt misbruikt om een verdachte psychisch onder druk te zetten, vindt hij dat er een grens wordt overschreden. Blaauw: 'Het is natuurlijk zo dat je als verhoorder gaat proberen om te doorgronden wat voor individu er tegenover je aan tafel zit. Is het een sympathieke vent of een rotvent? Dat is heel menselijk en verklaarbaar. De verdachte doet dat zelf ook. Hij vraagt zich ook af of jij een eerlijke vent bent of dat je hem misschien probeert te belazeren. Ik heb oplichters verhoord waarbij ik in staat was om het dossier in een keer met schrijfmachine en al het raam uit te mieteren. Als je zo'n vent een stuk uit het proces-verbaal voorlas, zei hij: “Ho ho, wacht eens even, die komma staat niet goed.” Dat is heel typisch voor oplichters. Na een uur ouwehoeren ben je het er uiteindelijk over eens dat het een sinaasappel was geweest in plaats van een mandarijn.
Natuurlijk mag je, wanneer je in de gaten krijgt dat iemand jou wel ziet zitten, hem best eens in het fatsoenlijke een duwtje in de rug geven. Maar het is een keihard gegeven dat wanneer je een verdachte eenmaal willens en wetens hebt besodemieterd om hem tot een bekentenis te pressen, hij dat altijd zal blijven onthouden.’