De doden in je leven bijhouden

Marja Pruis leest meer dan ze in de papieren Groene kan of wil bespreken. Deze week: Ook ik ben stukgewaaid (2020), een kleine bundel essays van Emma van Meyeren over rouw.

Het is maar een klein boekje, maar het viel me op in de boekwinkel, vanwege de strakke vormgeving, de titel. Een beetje bladeren, stuiten op namen als Patti Smith en Astrid Roemer, een zinsnede als ‘Mijn moeder had een herkenbare jas…’ deed de rest. Drie essays staan erin, en ze verrasten me door hun toon, helder en ernstig, en vanwege iets principieels, iets wat ik zelf nooit zo beseft had dat dit ook tot de mogelijkheden behoorde, namelijk dat je degene om wie je rouwt niet loslaat.

Misschien ben ik mentaal blijven steken bij die vijf stadia waar je doorheen moest volgens de Kübler-Ross-doctrine, en die je uiteindelijk bij ‘aanvaarding’ zouden brengen als het hoogste goed. Ik kan sec bedenken dat aanvaarden iets goeds is, maar op een dieper vlak verzet alles in mij zich daartegen. Bewust en onbewust; zowel overdag als in mijn dromen zijn degenen die mij zijn ontvallen nog steeds bij me.

De ochtend dat ik deze essays kocht – en het een heeft met het ander te maken – werd ik nog wakker met een helder visioen van mijn vader die ik al drieëntwintig jaar mis, maar naast wie ik in mijn droom probleemloos had gelopen, zij het dat ik wat moeite had hem bij te houden. Hij in zijn vertrouwde beige lange regenjas, ik mijn hand in een van zijn jaszakken zodat ik hem een hand kon geven. Ik werd wakker en voelde de warmte van zijn hand nog.

Deze essays van Emma van Meyeren openden voor mij een nieuw perspectief op de omgang met degenen die je verliest in de loop van je leven, maar die wel bij je blijven horen. Het eerste essay, ‘Ergens naar verlangen’, gaat in op het herinnerend vermogen van het lichaam, en de mogelijkheid om aldus fysiek degene die je mist weer bij je te halen. Voor Van Meyeren is dit de aanleiding te filosoferen over de wisselwerking tussen lichaam en geest bij het rouwen, en het feit dat verdriet zich juist vaak lichamelijk uit. Erg mooi verweeft ze de theorie met de praktijk, door tussen de regels door te vertellen over de favoriete jas van haar moeder, die ze als een van haar weinige kledingstukken bewaarde. ‘Ik stemde rationeel in met deze uitdunning maar in mijn gevoelswereld klopte er niks van.’ Via Freuds ‘Rouw en melancholie’ en Patti Smith’s voorliefde voor relikwieën komt ze uit bij de fundamentele paradox van het rouwen, dat je je iemand wél en niet wil blijven herinneren, en dat het meestal ook nog eens iets is wat je niet helemaal in de hand hebt zelf. Dat je soms iets eerder voelt dan ziet.

In ‘De juiste ingrediënten’ overdenkt Van Meyeren het troostrijke gehalte van rituelen, en tegelijkertijd de moeite de juiste te vinden als je niet kerkelijk bent, en niet vatbaar voor modieuze shit. En niet een graf kunt bezoeken zonder jezelf als main character in een soapserie te zien. Via somatische gedichten van de Amerikaanse dichter CAConrad, geschreven in reactie op de moord op hun vriend Earth, komt ze uit bij rituelen die werken, omdat ze de deur openzetten voor ‘de leegte van rouw’. Dat rituelen zo belangrijk zijn, komt omdat rouw niet een individuele ervaring zou zijn. Ik moet hier nog even over nadenken; ben altijd heel bang voor de banaliteit van de collectieve ervaring. Maar ik geloof dat Van Meyeren bedoelt dat je op zoek moet naar rituelen die voor jou werken.

En dan het slotessay, ‘Er is geen ruimte zonder jou’, over het weven van rouwpatronen. Hierin schrijft ze over de speciale band tussen filmmaakster Chantal Akerman en haar moeder, die op een eigenaardige manier zich verhoudt tot alle mogelijke moeders, onder wie ook Van Meyerens moeder. Hoezeer je je uit het veld kunt laten slaan door een nonchalante opmerking van een ander familielid, wat haar brengt op het begrip ‘secundair verlies’ uit de wereld van de psychologie. Ik denk niet dat het altijd maar helpt, als ergens een woord voor blijkt te zijn, maar Van Meyeren kan aan de hand van dit begrip wel iets laten zien: de onvoorspelbaarheid en de grilligheid van rouw. En soms ook de onuitsprekelijkheid die met metaforen nog het beste te benaderen is, mits hele uitgekiende zoals Astrid Roemer ze schrijft en waaraan dit boekje ook zijn titel te danken heeft. Voor mij school de openbaring van deze essays in het weigeren ergens een punt achter te zetten.