Michael Cunningham, Stralende dagen

De doden zijn onder ons

Michael Cunningham

Stralende dagen

Uit het Engels (Specimen Days) vertaald door Peter Abelsen

Prometheus, 333 blz., e 17,95

Was in The Hours van Michael Cunningham Virginia Woolf de grote schrijver die haar stempel op het verhaalverloop mocht drukken, in Specimen Days (vertaald als Stralende dagen) duikt de ne gentiende-eeuwse Amerikaanse dich ter Walt Whitman op de meest onverwachte plekken op. Leaves of Grass, de bundel die de dichter en «christelijke ketter» vanaf 4 juli 1855 in Brooklyn en omgeving zelf aan de man probeerde te brengen, was een bruisende, vitalistische bundel vol hallucinerende ego lyriek («I celebrate myself») en spinozistisch getinte natuurpoëzie: «Wat is het gras?» vraagt het kind. Dat gras, een kernbeeld in Leaves of Grass, symboliseert het wonder van de doodgewone dingen en de heiligheid van doorsnee mensen, zoals Malcolm Cowley het in zijn voorwoord bij de Penguin-oerversie van Whitmans enige bundel formuleert. Ten slotte is er de aandacht voor de lezer of De Ander, een handreiking, want «elk atoom dat mij toebehoort, behoort ook u toe». Whitman, die zichzelf een zwerver en een ondeugd noemde, had een groot dichtershart: «Ik ben immens, ik omvat menigten.»

Het is die vervloeiing van mensen, de notie dat we allemaal onderdeel zijn van de eeuwige natuurcyclus en de reïncarnatiegedachte waarmee Cunningham in zijn driedelige roman (eigenlijk drie al te kunstmatig verknoopte novellen) probeert te spelen. De doden zijn onder ons, dat wil zeggen in de bomen, in het gras, in ons, in de hele natuur.

In het eerste deel is het de twaalfjarige Ierse New Yorker Lucas die opgaat in Whitmans bundel, die dan misschien tien jaar uit is. Te pas en te onpas citeert hij uit het gedicht van zijn held. Zijn broer Simon, fabrieksarbeider, is net bij een bedrijfsongeval om het leven gekomen. De stempelmachine waaraan hij werkte slokte hem als het ware op. Lucas volgt zijn broer in de fabriek op. Hij werpt zich op als beschermheer van Catherine – arbeidster in een naai fabriek, hoer en zwanger. Opeens is hij kostwinner van het gezin: zijn moeder is ontredderd door het verlies van haar zoon en de longen van zijn vader zijn verpest in de looierij. Lucas leest Whitman in bed, vandaar een pril erotisch verlangen als dit: «Als Lucas uit zijn lichaam kon opstijgen, zou hij een kunnen worden met wat hij zag, hoorde en rook. Dan zou hij net als de lucht om Catherine heen kunnen hangen, en haar overal kunnen aanraken.»

Lucas heeft een dichterlijke, visio naire gave. En die gave zorgt er in dit eerste en verreweg beste deel In de machine voor dat hij net als zijn moeder stemmen kan horen, die hem lokken. De stem van zijn broer klinkt op uit de machine, zoals zijn moeder haar dode zoon in haar speeldoos hoort. Machines blijken niet levenloos of onbezield. «Ze maakten deel uit van een groter verband, een ongebroken lijn – machines, en dan gras en bomen, en dan paarden en honden, en dan mensen.» En God? Die is de heiligste ma chine die zo veel van de mensen houdt dat hij die stuk voor stuk met huid en haar verslindt. Aan het slot van het eerste deel van Stralende dagen offert Lucas zich op ten gunste van Catherine.

Cunningham schiet in deel twee bijna anderhalve eeuw naar voren. We zijn in het New York van vlak na 11 september 2001. Een politiepsychologe, Cat Martin, neemt telefoontjes op van mensen die geestelijk in de war zijn. Een van de bellers, een jongen, kondigt aan een willekeurige zelfmoordactie te gaan ondernemen uit liefde. De lezer zit midden in het heden. Er is angst. «De mensen konden het ruiken. Ze wa ren vandaag weer herinnerd aan iets wat de rest van de wereld al eeuwenlang wist – dat het zomaar met je ge daan kon zijn.» Maar dit middendeel van Cunninghams Stralende dagen wil maar niet tot leven komen. De kleine verbanden tussen het voorafgaande Lucas-verhaal en de terroristische «kinderkruistocht» (namen, voorwerpen, een dode zoon, Whitman-poëzie op de muur) zijn al te opgelegd. Bovendien lijkt Cat meer een machine dan een mens. Of wil Cunningham suggereren dat Cat, gezien haar voornaam, ook iets dierlijks heeft, zodat Whitmans ideeën goed zich ook hier doet gelden? Want staat er niet in Leaves of Grass dat Whitman niet alleen een Amerikaan is maar ook «one of the roughs, a kosmos»? Zelfs zijn gedachten zijn die van alle mensen in alle tijdperken en landen.

Hier raakt de lezer van de grond los en de draad kwijt. Het verhaal ontspoort. Aan het slot van de kinderkruis tocht verdwijnt de politiepsychologe met een van de «terroristische»» kinderen uit de stad. Waarom? Moet het kind haar dode zoontje vervangen? Hoe zit het met haar relatie met de zakenman Simon die in «futures» handelt? In deze fase van de roman wordt de mistigheid groter dan de suggestieve kracht.

In het slotdeel is het helemaal mis. We zijn inderdaad in de future aangekomen, 2070, na een kernramp, hoewel Bruce Springsteen nog ergens uit een autoradio Born to Run brult. Cunningham laat in Central Park een geprogrammeerde machinemens (Simon!) optreden voor toeristen, die zich graag laten beroven. Maar er is een samenzwering om alle kunstmensen te do den. Simon vlucht de stad uit richting Denver, een hagedissenvrouw van een andere planeet (nee, ik verzin niets) gaat met hem mee.

En toen? De lucht in. Verder niet in teressant. Misschien zou ik nog iets kunnen zeggen over de schoonheid die de vluchtende kunstmens zoekt, of over de sf-poging tot maatschappelijke satire die Cunningham wellicht wilde bedrijven. En moest dit verhaal verteld worden om iets cruciaals te zeggen over het dier en de mens, over eugenetica, over na tuur lijk versus kunstmatig leven, over liefde?

Had Michael Cunningham het maar gelaten bij het eerste deel, een mooie novelle over een dichterlijk aangelegde, negentiende-eeuwse arbeidersjongen met ridderlijke inborst. Nu heeft hij zijn roman verpest door verleden, heden en toekomst in een roman te stoppen en uiterst artificieel met elkaar te verbinden. Walt Whitman is een poëtische kosmos, maar Michael Cunningham niet.