De doem van de massale fraude

Dit essay is een licht bewerkte versie van de voordracht die de auteur jongstleden maandag hield in de serie Nieuwe Kerk Lezingen georganiseerd door de Nationale Stichting De Nieuwe Kerk te Amsterdam.
Zolang er conflicten blijven bestaan over de verdeling van geld, arbeid, woningen en diensten, zal de neiging van mensen om de kluit te belazeren alleen maar toenemen. Wat te doen? Zorgen voor permanente groei? De arbeid radicaal herverdelen? Het lijkt allemaal niet haalbaar. Er hangt een zware doem over onze toekomst.

Fraude betekent dat we ons iets toeeigenen waardoor een medemens, een organisatie, een bedrijf of de samenleving als geheel wordt benadeeld. Enkele voorbeelden: een baan krijgen op grond van vervalste diploma’s; als hoogleraar met een volle aanstelling drie dagen per week ten eigen bate ‘klussen’; als uitkeringsgerechtigde van de samenleving stelen door inkomsten niet op te geven; een verzekeringsmaatschappij oplichten. De vraag naar de oorzaken van het bedrog kan op ten minste twee niveaus worden gesteld: we kunnen op zoek gaan naar persoonlijke kenmerken van fraudeurs, of het probleem in een sociaal-psychologisch en economisch perspectief plaatsen.
Om met het eerste te beginnen: onderscheiden fraudeurs zich van andere mensen? Er zijn bij mijn weten geen redenen om dat aan te nemen - afgezien van de klassieke oplichter en de pathologische leugenaar. Mogelijk is iemands intelligentie als factor in het geding, maar dan gaat het vooral om een specifiek type fraude met een daarbij passende omvang. Een goede fiscalist die aan een bedrijf is verbonden, kan de samenleving voor een veel groter bedrag benadelen dan een timmerman die zo nu en dan zwart werkt.
Ook voor zover fraude in verband wordt gebracht met een min of meer algemene menselijke neiging tot liegen en bedriegen, zijn er geen aanknopingspunten. Psychologen menen te weten dat volwassenen gemiddeld twintig maal per week een onwaarheid spreken in de vorm van smoesjes, leugens en uitspraken die met frauderen te maken hebben, maar er is bij mijn weten geen verband tussen de mate van liegen en de schaal waarop iemand fraudeert.
Ten slotte kan men nog denken aan de persoonlijkheidsstructuur. Er zijn vijf basisdimensies in ons functioneren die al vrij vroeg worden gevormd en die gedurende het hele leven redelijk stabiel blijven: introvert tegenover extravert; vriendelijk versus stug; zorgvuldig tegenover nonchalant; emotioneel stabiel tegenover emotioneel labiel; en ideeenarm en gehoorzaam versus ideeenrijk, ongehoorzaam en geneigd om risico’s te nemen. Ook op deze dimensies onderscheiden fraudeurs zich bij mijn weten niet van andere mensen. Wel kunnen we zeggen dat de laatstgenoemde polariteit in onze samenleving geweldig is aangemoedigd; mogelijk wordt ons daarvan nu de rekening gepresenteerd.
Om die opmerking te begrijpen moeten we het probleem vanuit een sociaal-psychologisch perspectief bezien. Maar eerst nog even dit. De mens wordt vaak met dieren vergeleken, ook als het gaat om bedrog, misleiding en fraude. Er zijn redenen te over voor het leggen van allerlei verbanden. Wat het zenuwstelsel aangaat, gooit de evolutie niets weg dat goed functioneert. Die strategie brengt met zich mee dat ons brein kan worden beschouwd als een aangepaste reconstructie van de hersenen van reptielen, zoogdieren en primaten. Daaruit volgt dat veel van onze gedragingen sterk op die van dieren lijken, een verschijnsel dat uitvoerig is onderzocht.
Dieren die tot verschillende soorten behoren, doen pogingen elkaar in het kader van de strijd om het bestaan voor de gek te houden (denk aan camouflage), maar binnen een groep dieren stelt fraude weinig voor. Dieren die in groepen leven (zoals chimpansees) misleiden elkaar regelmatig met wat voedsel, maar de groep als geheel komt nooit in gevaar. Bovendien zijn de hoeveelheden waar het om gaat altijd klein en de straf bij ontdekking is zwaar. Het gedrag van dieren wordt eerst en vooral geleid door het voortbestaan van de soort. Daarentegen is fraude op de schaal die wij nu kennen, uniek voor onze soort.
Overigens zal de situatie bij de mens indertijd niet veel anders zijn geweest. Toen wij in kleine jagersgemeenschappen leefden, was er een sterke sociale controle. Ernstige fraude werd waarschijnlijk bestraft met uitstoting, hetgeen de dood betekende. Ook in de periode dat de landbouw werd ontwikkeld, hielden wij elkaar goed in de gaten: men leefde in groepen van zo'n honderdvijftig tot tweehonderd mensen en binnen zo'n groep waren we op elkaar aangewezen.
Fraude is een universeel verschijnsel geworden. Er zijn niet alleen frauderende burgers, maar ook frauderende ambtenaren en burgemeesters. Er is fraude met melkquota en met visquota. Het RSV-schandaal ging mede ten koste van de samenleving, wat ook geldt voor de miljarden die gemoeid waren met het ABP-schandaal. We hadden het WAO-schandaal, het Wir-schandaal en wat al niet. Respectabele banken wassen geld wit. Overheidsinstellingen worden overeind gehouden, ook als men weet dat een groot deel van de uitgaven op z'n minst ondoelmatig is. De vele malen aangekondigde 'Grote Efficiency-operatie’ van de departementen komt nauwelijks van de grond. Ontslagen universitaire medewerkers krijgen een riant wachtgeld en kunnen soms als directeur ener BV bij dezelfde universiteit die het wachtgeld betaalt, enkele tienduizenden guldens per maand declareren voor verrichte werkzaamheden, wat andere academici en zeker uitkeringsgerechtigden, die niet mogen bijverdienen, tot grote woede brengt en om begrijpelijke redenen tot fraude verleidt, enzovoort. Kortom, fraude is niet alleen buitengewoon veelvormig, zelfs gedrag dat op moreel niveau frauduleus genoemd mag worden, is voor een deel gelegaliseerd. Je mag als ambtenaar met een uitkering tonnen bijverdienen en als bijstandsgerechtigde niets, het was de bedoeling dat werkloosheidscijfers werden gecamoufleerd via de WAO, en een verzekeringsmaatschappij die brandschade aan nylon niet vergoedt ('nylon smelt en kan niet branden’) lokt door zo te chicaneren bedrog uit.
Gevraagd om commentaar op dit soort problemen en verschijnselen stelt onze minister-president vast: Nederland is ziek en gevuld met calculerende, volop frauderende burgers. Minister Kok heeft daar zelfs aan toegevoegd dat in hun vrije tijd bijverdienende academici regelrechte fraudeurs zijn - alsof het niet ieder vrij staat lange dagen te maken. Dergelijke reacties getuigen van eenzijdigheid, om het maar vriendelijk te zeggen: we hebben immers een minstens even ijverig calculerende overheid en dito politiek systeem. Het 'kwartje van Kok’ en de elf cent accijnsverhoging van januari 1994 zijn ingevoerd onder het mom van milieubescherming. Ook dat is een vorm van fraude dan wel oplichting: het gaat bij dit soort maatregelen eenvoudigweg om het bestrijden van een begrotingstekort. Dergelijke vormen van onwaarachtigheid (waarom zeg je niet gewoon wat er aan de hand is?) heeft een destructieve invloed op de mentaliteit van mensen: wie zich door de overheid bedrogen voelt, zal gemakkelijker zelf gaan bedriegen, om te beginnen op fiscaal gebied.
Als een groot aantal vormen van fraude bij elkaar wordt genomen, valt moeilijk te ontkomen aan de slotsom dat de samenleving als geheel nogal aan het verloederen is. Dat komt ook naar voren uit gegevens over de criminaliteit. Onder de titel Recht in beweging heeft het ministerie van Justitie in 1991 een beleidsplan voor de komende jaren laten verschijnen, waarin een aantal saillante gegevens staat. Na de Tweede Wereldoorlog, zo valt in het rapport te lezen, is het aantal begeerlijke en kostbare goederen binnen onze samenleving sterk toegenomen. De keerzijde daarvan is dat de criminaliteit in de vorm van inbraak, diefstal en verduistering grote hoogten bereikte. Als we de schade van alle vormen van criminaliteit bij elkaar optellen, wordt volgens een conservatieve schatting de som bereikt van vijfendertig miljard per jaar.
Natuurlijk vallen misdaad en fraude niet alleen te verklaren met het feit dat er veel te stelen en te overtreden valt. Er moet ook een mentaliteit zijn die ervoor zorgt dat we ons op grote schaal gaan misdragen. De nota vestigt de aandacht op de verzorgingsstaat die vanaf de jaren zestig gestalte kreeg. Voordien waren mensen in geval van problemen in sterke mate op elkaar aangewezen, net als tijdens eerdere fasen van ons evolutieproces. Dat veranderde drastisch toen voor elke moeilijkheid een loket werd geopend. Het anonimiseren van allerlei vormen van hulpverlening heeft wellicht met zich meegebracht dat wij steeds minder respect voor elkaar en voor elkaars belangen hebben gekregen. Tevens zorgt deze anonimisering ervoor dat conflicten steeds minder vaak binnenshuis worden opgelost: men loopt voor het minste of geringste naar de rechter.
Nog een uitvloeisel van de verzorgingsstaat was dat de regelgeving in algemene zin geweldig toenam. De overheid wenste het individu van veel taken en verantwoordelijkheden te verlossen en de uitvoering van allerlei zaken over te laten aan talloze instanties. Als gevolg van deze ontwikkelingen ontstonden twee grote problemen. De via de regelgeving in de hand gewerkte gemakzucht van de zijde van de burger leidde in combinatie met de genoemde minachting voor andermans belangen tot veel meer criminaliteit, zodat de taak van politie en justitie zwaarder werd. Meer regels impliceren immers dat er ook meer gecontroleerd moet worden.
Het eindresultaat kan geillustreerd worden aan de hand van wat cijfers. Het aantal advocaten is sinds 1970 verdubbeld. De strafrechter zag het aantal zaken met 65 procent toenemen; de werkzaamheden van de civiele rechter namen toe met ruim tachtig procent. Het aantal korte gedingen is in minder dan twintig jaar verviervoudigd, en de administratieve rechter zag zijn bezigheden over diezelfde periode met driehonderd procent toenemen. Dat alles gebeurde niet voor niets: de criminaliteit is sinds 1960 met naar schatting duizend procent toegenomen. (Van de internationaal georganiseerde criminaliteit is zo weinig bekend dat hiervan niets in het genoemde percentage is opgenomen.) Hier staat tegenover dat de bestrijding van het zogeheten normovertredend gedrag niet zo best lukt omdat de begroting van Justitie met 'slechts’ vierhonderd procent werd verhoogd. Dat het niet goed gaat, blijkt ook uit een ander gegeven: in 1964 werd meer dan de helft van het aantal misdrijven opgehelderd; momenteel is dat nog maar ongeveer een kwart.
De cijfers laten dus zien dat de overheid lang niet genoeg middelen heeft of wil aanwenden voor de bestrijding van het onheil dat zij zelf voor een deel in de hand heeft gewerkt. Ook criminologen krijgen in het rapport een veeg uit de pan. Zij zouden verhullend taalgebruik hebben ingevoerd, zoals 'afwijkend gedrag’ in plaats van 'criminaliteit’ en 'oneigenlijk gebruik’ in plaats van 'fraude’. Een enkeling beweerde zelfs dat het strafrecht maar beter kon verdwijnen (het zogenaamde abolitionisme). Ook zulk gepraat werkt misdaad in de hand.
Het hele verhaal is het zoveelste voorbeeld van een verschijnsel waar we maar niet van af schijnen te kunnen komen: de rijksoverheid en de politiek verzinnen en besluiten van alles, maar men vraagt zich zelden af welke consequenties de genomen maatregelen zullen hebben, gezien de wetten die het menselijk gedrag beschrijven. Maar hoe het ook zij, er is iets ernstig mis en de correctiepogingen zijn niet buitengewoon succesvol.
Hoe kon het zo ver komen? Wat is er, kortweg, met onze samenleving gebeurd? In 1945 was er veel vernield en gestolen, en viel er dus veel op te bouwen. We hadden in die tijd een samenleving die op drie poten rustte: de agrarische sector, de industrie en de dienstverlening. Dat was een buitengewoon gunstige situatie.
Er zijn grote verschillen tussen mensen in belangstelling en vermogens; binnen de drie grote sectoren was voor ieder wel een plaats te vinden. Wat opleidingen betreft had men een keus van Lagere Landbouwschool tot Landbouwhogeschool, en van lbo tot Technische Universiteit. Bovendien was er veel werk voor ongeschoolden, vooral in de eerste twee sectoren.
In de jaren daarna zijn enorm veel arbeidsplaatsen verloren gegaan door de automatisering en door het feit dat Nederland zich binnen Europa heeft geconcentreerd op dienstverlening. Het resultaat van die ontwikkelingen komt tot uitdrukking in de arbeidsproduktiviteit. Per hoofd van de potentiele beroepsbevolking is die produktiviteit matig, maar berekend per hoofd van de werkende bevolking is zij de hoogste ter wereld. Anders gezegd: de ene helft van de bevolking loopt op straat terwijl de andere helft chronisch overwerkt is; momenteel onderhoudt elke werkende een niet-werkende. Hoe scheef de verhoudingen tussen werkenden en niet-werkenden zijn, blijkt ook uit het feit dat wij desondanks tot de twaalf rijkste landen ter wereld behoren.
Andere belangrijke ontwikkelingen doen zich voor in het onderwijs. Het lbo loopt leeg. De opleidingen zijn steeds eenzijdiger geworden en vooral gericht op een toekomst in de dienstverlenende sector. Veel mensen passen daar niet in, wat bijdraagt aan de werkloosheid. Bovendien is er in die sector weinig plaats voor laaggeschoolden. In het algemeen gesproken is het opleidingsniveau de afgelopen decennia sterk gestegen. Nu is er niets tegen een hoger opleidingsniveau - mensen worden daardoor kritischer en mondiger, maar ook inventiever als het om fraude gaat.
Ondertussen moeten we om humanitaire redenen behulpzaam zijn bij het oplossen van een groot vluchtelingenprobleem. Dat probleem kan onbeheersbaar worden in de zin dat we veel van deze mensen, hoog- of laaggeschoold, waarschijnlijk geen toekomst op de arbeidsmarkt kunnen bieden. Om deze reden zullen de collectieve lasten stijgen. Maar ook omdat het aantal te verzorgen bejaarden en chronisch zieken in dure verpleeghuizen sterk toeneemt. Overheid en politiek hebben de zaak echter steeds minder in de hand. De overheid lijkt het hoofdzakelijk als haar taak te zien om verantwoordelijkheden door te schuiven; denk bijvoorbeeld aan de manier waarop gemeenten de problematiek van asielzoekers krijgen op te lossen, wat hen voor allerlei verdelingsconflicten rond woningen plaatst.
Heel belangrijk is ook dat de 'grote verhalen’ in onze cultuur verdwijnen. Godsdiensten en ideologieen zijn systemen die zorgen voor samenbindende zingeving, met inbegrip van een zekere sociale controle. Zo werd de mens door het protestantisme beschouwd als 'rentmeester van de aarde’ die de natuur aan zich moest onderwerpen; voor het overige beval men hard werken aan (ook vandaag de dag is werkloosheid betrekkelijk zeldzaam in kringen van calvinisten). Door het wegvallen van dergelijke algemene kaders trekt de zingeving van het bestaan zich terug op een steeds lager aggregatieniveau: de eenzame joggers, de mensen met de walkman die aangeven niet te willen communiceren of die ergens anders willen zijn; denk ook aan de vele sekten, de New Age-beweging, de conflicten tussen groepen over opvoedingsmethoden (besnijdenis van meisjes), de enorme belangstelling voor de psychologiestudie en voor boeken op dit gebied (zo van: 'Als ik mijn eigen bestaan en relatie maar kan “managen”, is het goed’, en in negatieve zin: 'Ieder voor zich en God voor ons allen’). Kortweg: individualisering.
Ziehier de ingredienten die voor grootschalige fraude en sociale onrust hebben gezorgd: er is een nijpend probleem ontstaan of geschapen wat betreft de verdeling van geld, arbeid en woningen; veel mensen zijn vanwege het intensievere en langer durende onderwijs (ook) inventiever geworden; het 'grote verhaal’ met de daarbij behorende sociale controle ontbreekt goeddeels; we zijn individualistischer dan vroeger, we hebben nauwelijks meer een 'wij-gevoel’; en we laten ons 'inspireren’ door een veelal niet al te best functionerende overheid en politiek. Denk hierbij nogmaals aan dieren: zij houden elkaar binnen groepjes in de gaten, de mens daarentegen steelt van de anonieme grote hoop. Het is bij het frauderen veelal niet duidelijk dat en hoe je iemand benadeelt, de kans op ontdekking en bestraffing is betrekkelijk gering, en het ervaren verdelingsconflict groot. Ook het gebrek aan direct contact met de consequenties van ons doen en laten werkt frauduleus gedrag in de hand.
De vraag is wat je aan dit alles kunt doen. De basis, het enorme verdelingsconflict, is naar mijn mening niet op te lossen met meer politie, meer belastingambtenaren, meer netwerkkoppelingen, meer justitie en zeker niet met nog meer regelgeving (trouwens, wie zal dat allemaal betalen?). Het gaat om de structuur van de samenleving als geheel en om de onverkwikkelijke taferelen die zich daarin afspelen. Ook gepraat over mentaliteitsverandering is onvruchtbaar. Mensen leren het nooit om met grove ongelijkheid te leven; er is geen enkele cultuur die daar op een lange termijn het voorbeeld van heeft gegeven. Ik zie uiteindelijk drie toekomstscenario’s voor me, twee positief en een negatief.
Het eerste scenario zoekt de oplossing in groei. Wat willen we? Geen ondergang van onze cultuur maar duurzaamheid. In dat verband wordt weleens 'nulgroei’ gepropageerd. Dat is een gevaarlijke aanbeveling. Onder de omstandigheden waarin wij verkeren worden de verdelingsconflicten bij nulgroei steeds groter, onder andere omdat de automatisering toeneemt, alsmede het aantal bejaarden, chronisch zieken en vluchtelingen. Gegeven het feit dat fraude voor een belangrijk deel herleidbaar is tot verdelingsconflicten, is de consequentie dat economische groei noodzakelijk is teneinde de omvang van het conflict en het daaruit voortvloeiende destructieve gedrag te kunnen inperken.
De volgende vraag is hoe groei in zijn werk gaat. In de levende natuur verloopt groei via mutaties: de oude soort redt het niet, een nieuwe neemt de dienst over. In een menselijke samenleving wordt de dienst niet uitgemaakt door de biologische evolutie, maar door de culturele evolutie. Dat wil zeggen dat wij, in tegenstelling tot dieren, onze omgeving voor een belangrijk deel zelf maken - denk aan huizen, kleding, voedsel, ambachten, wetenschap, kunst, handel. De menselijke pendant van de mutatie is de innovatie: het groeiproces krijgt periodiek een 'stootje’ doordat we iets nieuws verzinnen, een nieuwe dienst, een nieuw produkt, gekoppeld aan een nieuwe markt.
Je kunt die groeistootjes vergelijken met een estafette: elke wissel leidt tot een tijdelijke versnelling van het tempo.
Elke snelle economische en culturele ontwikkeling leidt op een gegeven moment tot instabiliteit van het systeem, waardoor magere en vette jaren elkaar chaotisch afwisselen. Vooral tijdens magere jaren wordt het wangedrag dat met het verdelingsconflict te maken heeft, sterk aangemoedigd. Die instabiliteit is alleen uit het systeem te krijgen via vernieuwingen die zorgen voor een periode van vette jaren. Anders gezegd: als er verdelingsconflicten zijn, is groei een doem, maar alleen via groei kun je het conflict beheersbaar houden.
Natuurlijk werkt dat niet altijd zo. Vernieuwingen en groei blijven achterwege als er geen concurrentie is. Dat is echter niet aan de orde: ons land maakt immers deel uit van een groot, open netwerk. Bij wijze van regel kun je zelfs zeggen dat er meer en vaker geinnoveerd moet worden naarmate er meer concurrentie is. Innovaties en groei zijn evenmin nodig bij volledige werkgelegenheid en een totale beheersing van de markt, maar de werkgelegenheid is ondermaats en er zijn bijna geen monopolistische bedrijfstakken. Een ander principe is dat wat het snelst is gegroeid, ook het snelst terugvalt. In onze samenleving is dat niet de broodbakkerij maar de dienstverlening. Dank zij voortdurende innovaties op dat gebied kan de produktie per hoofd toenemen, zodat je in beginsel, dat wil zeggen via een goed belasting- en uitkeringsstelsel, minder verdelingsproblemen krijgt en dus ook minder fraude.
Samengevat: in een hoogontwikkeld systeem worden verdelingsconflicten en fraude in de hand gewerkt door te weinig innovaties. Het haperen van de innovatiesnelheid kan zelfs een recessie opleveren. En het doen haperen van het innovatietempo is een menselijke tekortkoming die leidt tot steeds meer verdelingsconflicten en tot steeds meer ellende. De cirkel rond.
Dit scenario, dat wil zeggen de eis dat er voortdurend op een intelligente manier wordt geinnoveerd, stelt enorme eisen aan het management van bedrijven, dat daar op een gegeven moment niet meer aan kan voldoen. De oorzaak daarvan is niet moeilijk te bedenken: er is een toenemende eenwording van Europa en steeds meer arbeid wordt uitbesteed aan goedkope landen. Naarmate een economische gemeenschap steeds meer deel gaat uitmaken van een groter netwerk, wordt het bij het innoveren steeds moeilijker de concurrentie een stap voor te zijn.
Hieruit volgt dat het groeiscenario niet erg realistisch is. Dat is heel vervelend, ook omdat een alternatief, dat wil zeggen een aanzienlijke inkomensachteruitgang dan wel belastingverhoging, onbespreekbaar is. Bovendien zou de sociale onrust daardoor in zekere zin alleen maar worden vergroot: de werkenden zullen dan immers harder moeten werken voor minder inkomen en dat betekent weer dat ze er niet tevredener op worden.
Een tweede scenario ter inperking van het verdelingsconflict en de daaruit voortspruitende fraude behelst de herverdeling van arbeid. Sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog is onze werkweek nogal geslonken: van 48 uur daalde ze naar 44, 42, 40 en 38 uur per week, plus steeds meer vakantie- en atv-dagen. Desondanks is de structurele werkloosheid groot, zeker als je de enorme verborgen werkloosheid meerekent. De situatie is nog dramatischer als het percentage wordt meegeteld van de mensen die een bijstandsuitkering krijgen of WAO.
Wat te doen? We zouden kunnen overwegen de werkweek op twintig uur per week te stellen. Consequenties daarvan zijn dat een enorme vraag ontstaat op de arbeidsmarkt, gekoppeld aan een enorm aanbod, ook van vrouwen die nu niet aan de slag kunnen komen. Bovendien worden werk, vrije tijd en de opvoeding van kinderen dan eerlijker gedeeld, wat betekent dat het verdelingsconfict in algemene zin kleiner wordt. Een nadeel is direct duidelijk: alleenstaanden die niet al te veel verdienen, moeten onder deze omstandigheden een aanvulling op hun inkomen ontvangen. Als we de omvang van die groep echter vergelijken met dat deel van de beroepsbevolking, vrouwen uiteraard meegerekend, dat momenteel niet werkt en van een uitkering leeft, zullen de collectieve lasten lager uitvallen dan nu het geval is. Helaas is in eerste termijn gebleken dat dit scenario zich in brede kring slechts mag verheugen in hilarische reacties.
Een derde scenario is een uitgesproken doemscenario, maar helaas nietonwaarschijnlijk. Om te beginnen zal de automatisering verder doordringen en de eenzijdigheid van het karakter van de Nederlandse arbeidsmarkt blijft de komende decennia bestaan. De werkloosheid zal verder toenemen en daarmee ook het verdelingsconflict en de neiging tot frauderen. Bovendien zorgen open grenzen voor meer concurrentie, die met groei bevorderende innovaties niet meer bij te houden is. Daanaast zorgt de megalomane drang tot fuseren ervoor dat er steeds grotere organisaties ontstaan die vaak slecht functioneren. Veertig percent van de fusies loopt zelfs slecht af en twintig percent blijkt zinloos te zijn. Grote organisaties zorgen er tevens voor dat het frauderen steeds 'anoniemer’ wordt en daardoor op moreel niveau steeds 'gemakkelijker’. Ook wordt via subsidieregels fraude binnen de Europese Unie zelfs aantrekkelijk gemaakt en aangemoedigd (een voorbeeld: Frans graan naar Duitsland brengen, uitladen, weer inladen, en vervolgens naar Rusland vervoeren met een subsidie, want nu is het Duits graan geworden).
De sterk stijgende kosten wegens de vergrijzing en de vluchtelingenstromen zullen de verdelingsconflicten verder aanwakkeren. Wat dit betreft verkeren zowel de volkshuisvesting als de gezondheidszorg in de gevarenzone. Twee concrete voorbeelden. Mensen met een groot gezin krijgen na een jarenlange wachttijd een naar hun mening te klein huis toegewezen omdat gezinnen van asielzoekers vaak nog meer kinderen tellen. En stel dat een gezin van een asielzoeker een kind heeft met een ernstige afwijking (de tetralogie van Fallot) die operatief verholpen kan worden voor 150.000 gulden. Een arts tekent bezwaar aan bij de inspectie omdat een aantal van zijn andere patienten hierdoor langer op noodzakelijke operatieve ingrepen moet wachten.
De heterogene samenstelling van ons land zorgt ervoor dat het ontstaan van een of andere samenbindende zingeving die ons gedrag ook op een moreel-intermenselijk niveau stuurt, heel onwaarschijnlijk is, en dat impliceert dat de individualisering nog verder zal toenemen. Nog meer individualisering betekent nog minder achting voor de belangen van anderen en dus nog meer fraude. Ook kan men denken aan de reele mogelijkheid dat er subgroepen ontstaan met niet overeenstemmende groepsnormen, waardoor conflicterende doelstellingen en belangen in de hand worden gewerkt.
Bij gebrek aan een 'collectieve vijand’ zoals we die tijdens de Koude Oorlog kenden, zullen we de vijand (dat wil zeggen: de al dan niet vermeende oorzaak van het verdelingsconflict) steeds meer in eigen kring gaan zoeken, bijvoorbeeld bij zieken, bejaarden, subculturen en vluchtelingen. Dat levert in het slechtste geval niet alleen sociale onrust op maar ook gettovorming, massale misleiding en uiteindelijk ineenstorting van de cultuur, al dan niet via geweld. De overheid verliest steeds meer haar greep op het geheel en besluit problemen op te lossen door alles te decentraliseren. Aan het eind van de rit valt het land mogelijk uit elkaar in deelstaatjes, zoals Belgie er al vier kent en zoals dat in heel Europa een trend aan het worden is - zie de voormalige Sovjetunie en het al even voormalige Joegoslavie.
Kortom, te vrezen valt dat de omvang van zowel fraude en criminaliteit als de algemene sociale onrust de komende jaren enorm zullen toenemen. En dat allemaal als gevolg van vijf rampen: 1. de slechte verdeling van arbeid, 2. het afbrokkelen van zingeving in breed verband, 3. interculturele conflicten op allerlei gebied, 4. de eenwording van Europa (een onderneming waar we nooit aan hadden moeten beginnen) en 5. de neiging om onze collectieve vijand in eigen kring te gaan zoeken.