Kunst en cultuur; aartsvijanden

De dokter en de kunstenaar

In Nederland is kunst een verplicht nummertje voor de politiek. Amateurs, professionele kunstenaars: ze worden allemaal gerekend tot de gemeenplaats «cultuur». Net als televisie en ander amusement.

Eerder dit jaar, bij de uitreiking van de Charlotte Köhlerprijs voor jeugdige kunstenaars, hield voormalig staatssecretaris van Cultuur Elco Brinkman het openingswoord. Brinkman is voorzitter van het Prins Bernhard Fonds dat de prijs beheert. Tijdens zijn toespraak bekende Brinkman met een opvallend gebrek aan gêne dat hij nog nooit van een van de vijf winnaars had gehoord. Hij, de voorzitter van een van de grootste kunstfondsen van Nederland, hulde zich schaamteloos in onwetendheid over wat feitelijk zijn vakgebied zou moeten zijn. Dit soort terloopse desinteresse, en ermee wegkomen, is eigenlijk alleen denkbaar in de wereld van de kunst.

In een artikel in Vrij Nederland van afgelopen week wordt de Amsterdamse wethouder van Cultuur Hannah Belliot geportretteerd. Haar dédain voor de kunsten wordt met onverbloemde sympathie beschreven. Hoe ze bijvoorbeeld tijdens een van haar zeldzame schouwburgbezoeken, halverwege een Hamlet, de zaal verlaat, «want dan heeft ze het wel gezien». Haar gedrag wordt vergoelijkt door een anonieme «adviseur»: «Ze is bestuurder, geen zetbaas voor cultuur.»

Nu het tijdperk van de gedachten definitief is overgegaan in het tijdperk van de meningen wordt de comateuze toestand van de Nederlandse kunstwereld opeens gruwelijk zichtbaar. Tegen de populistische ideeën uit de politiek dat kunst meer allochtonen moest trekken, laagdrempeliger moest zijn en gespreid moest worden over het land volgde vanuit die kunstwereld slechts een krampachtig zwijgen. En inderdaad. Het woei over. De huidige staatssecretaris Van der Laan heeft zelfs alle ideeën over kunst opgegeven. De kunstwereld moet het zelf maar uitzoeken. Want die weet het immers zelf het beste. Van der Laan wil natuurlijk verder in de politiek, weet dat kunst geen maatschappelijk issue is, en hult zich wijselijk in nietszeggendheid.

Gelukkig is er af en toe nog een schaamteloze domoor in Den Haag, zoals onlangs CDA-kamerlid Schoonhoven, die de discussie over de rol van kunst in de samenleving nieuw leven inblaast. Kunstenaars moeten volgens haar, op straffe van een korting op hun subsidie, verplicht met en voor amateurs gaan werken. Vervang het woord kunstenaar door hersenchirurg, militair, politieagent of — waarom niet? — politicus, ook allemaal gesubsidieerde beroepen, en het land zou op zijn kop staan. Maar over kunst kun je eigenlijk alles zeggen in Nederland. En dat alles kan ook nog eens door iedereen worden gezegd. Kennis van zaken is niet vereist. Want dit is immers het tijdperk van de meningen. En die meningen worden door geen enkel idee over de status van het onderwerp in toom gehouden. Kunst heeft in Nederland helemaal geen status.

Hoewel de geëtaleerde domheid en ongefilterde haat een makkelijk doelwit zouden moeten zijn voor die vele getalenteerde en naar verluidt royaal gesubsidieerde kunstenaars in Nederland komt er uit die hoek zeer weinig tegenspraak. Al is de liefde voor de kunst ongelijkmatig verdeeld, de twijfel aan haar maatschappelijk nut is algemeen.

Terwijl bijna iedereen het nut voor het algemeen belang van zaken als infrastructuur, medische zorg en inburgeringscursussen inziet, blijft de maatschappelijke noodzaak van de kunst in nevelen van onbegrip verborgen.

Is de kunst er eigenlijk wel bij gediend dat zoveel mogelijk mensen van haar verschijningsvormen kennisnemen? En: is de samenleving daar eigenlijk wel bij gediend? Het lijkt het politiek correcte ding om te zeggen, maar de waarheid van die aanname is nooit bewezen.

Het is slechts voor de zielenrust van een enkeling noodzakelijk om bij tijd en wijle geroerd te worden door het onbekende van een abstracte werkelijkheid. De meeste mensen (zie de kijkcijfers) voelen zich het meest op hun gemak wanneer ze elke dag geconfronteerd worden met min of meer hetzelfde. En daarvoor is de televisie uitgevonden.

Het belang van de kunst voor een samenleving is eenvoudig voor het volk inzichtelijk te maken wanneer zij weer naast die andere nationale bron van vermaak en onbegrip, de wetenschap, wordt geplaatst. Er moet een ministerie van Kunst en Wetenschappen ko men. Geen staatssecretariaat, dat is er voor de visserij. Kunst en wetenschappen. De dokter en de kunstenaar. Dat snapt iedereen.

Zij vormen, naast het langzaam instortende Groningen, het kapitaal van Nederland, en dienen geëerd en gekoesterd te worden. En ja, het is een elitair gezelschap. En dat moet ook zo zijn. Het volk wil geen kunst. En zal dat ook nooit willen. En heeft dat nooit gewild. Want het volk is angstig en wil op zichzelf lijken. Liefst zo veel mogelijk, en als het even kan ten koste van het «andere».

Het misverstand in Nederland is dat kunst en cultuur op een hoop worden gegooid. Maar kunst en cultuur zijn geen vrienden. Kunst en cultuur zijn elkaars aartsvijanden.