Schuld en boete 1

De donkere decennia van Latijns-Amerika

Als een moorddadig bewind ten val komt, rijst de vraag: wat doen we met de daders van het oude regime en hoe helpen we hun slachtoffers bij een nieuw leven? In Latijns-Amerika zijn militaire dictators vaak nog te machtig om te worden berecht. In Srebrenica is de «civil society» te zwak om zich omhoog te trekken en bieden ook schadeclaims tegen Nederland geen soelaas. In beide gevallen draait het om het omgaan met de geschiedenis. Twee persoonlijke beschouwingen over rechtspreken, vergeven en vergeten in twee bloedige regio’s.

Het adresboekje uit mijn Latijns-Amerikaanse tijd heb ik nog altijd. Het rode kaftje is nog intact, maar de bladzijden zijn beduimeld en sommige bijna verkruimeld. Het is mijn meest tastbare herinnering aan de verschrikkingen in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw.

Veel mensen die erin staan, zijn voorgoed onbereikbaar — wegens moord. Ja, er zaten een paar lui van de guerrilla onder. Hun idealisme of fanatisme hebben ze met de dood moeten bekopen. Maar de meeste doden van het boekje waren mensen die nooit een wapen hadden vastgehouden. Ze waren niet de gewapende strijd maar de democratie toegedaan: activisten en sympathisanten, vakbondsmensen, politici, journalisten, priesters.

Voor hen en hun familie is er eindelijk hoop op rust. Want het zijn thans barre tijden voor de vuile-oorlogsmisdadigers. Tot voor kort leken ze nog voor altijd buiten schot te blijven. En nu, twintig, dertig jaar na dato, is de berechting van de moordenaars, ontvoerders en folteraars een van de belangrijkste en actueelste thema’s van Latijns-Amerika geworden.

Het blijkt niet mogelijk het verleden te begraven als er niet eerst rekenschap en verantwoording voor is afgelegd. Daar zijn jaren overheen gegaan. Ook in het naoorlogse Duitsland heeft het een generatie geduurd voordat men de verschrikkingen van het nazisme volop onder ogen durfde te zien. Een dergelijk proces is nu begonnen in Argentinië, Chili, Peru en Uruguay, waar maatregelen zijn genomen om te kunnen optreden tegen de topterroristen van weleer.

In de tijd van de dictaturen gold opkomen voor de mensenrechten als verdacht heulen met linkse terroristen, en op zijn best als sentimentele nonsens. Tegenwoordig is de roep om gerechtigheid politieke prioriteit van de machthebbers. Mensenrechten zijn geen bladvulling meer op hun politieke agenda; ze staan bovenaan. Vanwaar deze verrassende ommezwaai? En waarom heeft hij zo lang op zich laten wachten?

Laten we eerst teruggaan naar de overzichtelijke jaren van de Koude Oorlog. De Verenigde Staten en de Sovjet-Unie — China had het nog veel te druk met zijn rode boekje en andere ideologische rimram — hadden ieder hun eigen, door de afspraken van Jalta gesanctioneerde invloedssfeer. Ze konden daarin doen wat ze wilden zonder dat de ander ingreep.

Als Washington de zoveelste interventie in Latijns-Amerika uitvoerde, kraaide er behalve Anton Constandse geen haan naar. De invasies in Guatemala (1954), de Dominicaanse Republiek (1965), Grenada (1983) en Panama (1989) stuitten niet op wereldwijde protesten, en zelfs de Amerikaanse steun aan bloedige staatsgrepen en repressieve militaire regimes werd geaccepteerd als een fait accompli. Hetzelfde gold voor het andere kamp: als Moskou in zijn immense achtertuin orde op zaken stelde, dan had het Westen daar na plichtmatige protesten vrede mee. Zie de invasies in Hongarije (1956), Tsjecho-Slowakije (1968) en Afghanistan (1979).

Handhaving van het machtsevenwicht was vitaal voor zowel Washington als Moskou. Een verstoring daarvan kon immers voor beide levensgevaarlijk zijn. Daarom prefereerden ze compromissen boven confrontatie. Het jaar 1968 leverde op dat punt een mooi, zij het weinig bekend voorbeeld. Toen de Parijse studenten in mei in opstand kwamen en even later de Franse communistische partij de macht voor het grijpen had, sprak de grote broer in Moskou zijn veto uit. Mede daardoor kreeg De Gaulle de situatie gemakkelijk weer onder controle. In ruil voor haar verantwoordelijke gedrag eiste en kreeg de Sovjet-Unie de garantie dat het Westen niet in actie zou komen bij de invasie, een paar maanden later, van Tsjecho-Slowakije door troepen van het Warschaupact.

In de jaren zeventig en tachtig werkte ik op een continent dat sinds de formulering van de Monroe-doctrine (1823) het lijdend voorwerp was van Amerika’s manifest destiny: de «evidente lotsbestemming» die de Verenigde Staten zichzelf toeschreven. Daardoor kenden ze zich het recht toe om hun waarden en de inrichting van hun samenleving uit te dragen over het hele westelijk halfrond.

Op papier was president Monroe’s leer «Amerika voor de Amerikanen» bedoeld om de Europanen, speciaal de Britten, buiten Latijns-Amerika te houden. Dit verzet tegen het Britse neokolonialisme kwam echter neer op de rechtvaardiging van nieuwe banden van afhankelijkheid, nu binnen het westelijk halfrond zelf. De vertaling van de Monroe-doctrine luidde in de praktijk dan ook: Latijns-Amerika voor de Verenigde Staten.

Amerika’s — zichzelf toegedichte — roeping als uitverkoren volk Gods en de gewoonte om deze met militaire middelen kracht bij te zetten, zijn na de ontbinding van de Sovjet-Unie gemondialiseerd. Wie de achtergronden van de invasies in Afghanistan en Irak beter wil begrijpen, doet er daarom goed aan de vele toepassingen van de Monroe-doctrine te bestuderen. De rechtvaardiging voor het ingrijpen verschilt — tegenwoordig gebeurt het in naam van de strijd tegen het internationale terrorisme — maar de inspiratiebron is dezelfde gebleven: het heilige, religieus getinte geloof in de eigen superioriteit.

Een flink aantal toepassingen van het Amerikaanse mes sianisme heb ik van dichtbij ervaren tijdens door de VS gesponsorde staatsgrepen, burgeroorlogen en terroristische acties. Ter rechtvaardiging van deze «strijd tegen het communisme» liet Washington het sovjetspook rondwaren, dat niets liever zou willen dan in de Latijns-Amerikaanse achtertuin van Uncle Sam een Russische basis vestigen.

Slechts één keer, in het warmst van de Koude Oorlog, heeft Moskou geprobeerd in Latijns-Amerika het machtsevenwicht te wijzigen. Dat was in 1962, toen partijleider Chroesjtsjov raketten plaatste op het net communistisch geworden Cuba. Zonder een schot te lossen dwong Kennedy de ontmanteling van deze raketbasis af. Het was de enige keer in de Koude Oorlog dat de twee grote mogendheden rechtstreeks tegenover elkaar hebben gestaan.

Daarna heeft de Sovjet-Unie zich in Latijns-Amerika definitief koest gehouden. Ze dwarsboomde de guerrilla van Che Guevara in Bolivia, weigerde de belegerde Allende in Chili te hulp te komen, steunde het bewind van de Argentijnse generaal Videla door enorme graanorders, gaf geen steun aan de guerrillabewegingen in Midden-Amerika en liet de slachtoffers van de mensenrechtenschendingen stikken. Washington had zich in Latijns-Amerika geen betere Koude-Oorlogsvijand kunnen wensen.

Acht jaar na de Cubaanse raketcrisis kwamen de VS in de greep van een nieuwe angst voor een sovjetdoorbraak op het wereldtoneel: de verkiezing van Allende in Chili. Volgens Henry Kissinger zou het slagen van het Chileense experiment — een vreedzame, legale overgang naar het socialisme — een inspirerende werking hebben op de communistische partijen van Italië en Frankrijk, met alle destabiliserende gevolgen van dien. Nog voordat Allende zijn ambt aanvaardde, besloot de latere Nobelprijswinnaar voor de vrede dat het Chileense experiment moest mislukken. Hij werd de architect van de coup van Pinochet.

Na de raketcrisis was het experiment-Allende in Latijns-Amerika de enige gelegenheid waarbij de mondiale machtsverhoudingen in het geding hadden kunnen komen als Moskou bereid was geweest risico’s te nemen — quod non. Vanuit puur machtspolitieke overwegingen gezien was de Amerikaanse steun aan de coup van Pinochet dus begrijpelijk. Alle andere Amerikaanse interventies in Latijns-Amerika waren niet méér dan de Monroe-reflex van de politieman die de orde in zijn wijk wil handhaven.

De binnenlandse Latijnse troebelen werden niet veroorzaakt door stoken van Moskou maar door desperate sociale misstanden, die soms tot extreme antwoorden leidden. In de bestrijding van de onrust gedroegen de VS zich alsof hun eigen overleving op het spel stond. Alle middelen waren geoorloofd om die vermeende bestaansdreiging het hoofd te bieden: militaire interventie, financiële en economische pressie, levering van wapens, militaire trainers, martelinstructeurs, logistieke steun. Symbool van de Amerikaanse interventiedrang was de huidige ambassadeur bij de Verenigde Naties, John Negroponte, die als ambassadeur in Honduras de oorlog van de Nicaraguaanse contra’s tegen de sandinisten leidde.

Wat er in die donkere decennia is gebeurd, waren geen betreurenswaardige excessen of noodzakelijke reacties om het linkse terrorisme te beteugelen, zoals nog altijd wordt volgehouden door de bewonderaars van de toenmalige dictaturen. Het waren geplande campagnes waarin de staat het terrorisme van zijn tegenstanders verre overtrof.

Ideologisch werd de staatsterreur gerechtvaardigd door de leer van de nationale veiligheid. De geestelijke vader was de Braziliaanse geopoliticus generaal Golbery do Couto e Silva. Deze doctrine werd onder Amerikaanse aanmoediging omhelsd door alle dictaturen. Ze verhief de veiligheid tot hoogste goed van de natie, en degenen die geacht werden haar in gedachten, woord of werk in gevaar te brengen tot nationale vijand. Deze vijand moest tot zwijgen worden gebracht. De middelen waarmee dat gebeurde, werden door het doel geheiligd.

Dat was de context waarin de langdurigste, omvangrijkste en meest systematische schendingen van de elementaire mensenrechten plaatsvonden. De daders waren lokale militairen en veiligheidsmensen, de verantwoordelijken de politieke en militaire leiders en hun patroons in Washington. Staatsgeweld en guerrillageweld stonden in geen verhouding. De overkill van de staat was overweldigend. De toenmalige leiders verdienen een dubbele straf: voor hun misdaden zelf, en omdat ze de staat in al zijn geledingen hebben ingezet voor terroristische doelen.

Het was een tijd van Entwertung aller Werten. Democratie was slecht, dictatuur goed. Mensenrechtenschendingen werden ontkend of goedgepraat: waar gehakt wordt, vallen immers spaanders? Verdwijningen, martelingen en moorden waren kost van alledag. Behalve Jorge Zorreguieta wist iedereen in Latijns-Amerika ervan. Ikzelf betrapte me erop dat ik aan de spelregels van de dictaturen begon te wennen. Als je je meningen niet voor je houdt, als je acties onderneemt die het regime niet zinnen, tja, dan loopt het nu eenmaal slecht met je af. Alsof de wet van de terreur natuurwet was geworden.

De eerste bres in de dictaturen werd geslagen toen in Washington Jimmy Carter president werd en de mensenrechten plotseling belangrijk werden. Daarna zijn de tirannieën geleidelijk aan stukgelopen op een combinatie van economische crisis, volksverzet en eigen onmacht. De ene dictatuur na de andere moest het veld ruimen. Onder de democratieën die ervoor in de plaats kwamen, zijn de sociale en economische mensenrechten niet verbeterd, eerder verslechterd. Maar je wordt tegenwoordig meestal niet meer vanwege je overtuigingen of de uitoefening van je democratische rechten om zeep gebracht, en als er ’s ochtends vroeg wordt aangebeld, kun je er vrij zeker van zijn dat het de melkboer is.

Na het vertrek van een dictatuur rijst altijd de vraag: wat te doen met de folteraars en moordenaars van het oude regime? Het ideale antwoord, geef ze een eerlijke berechting, kan zelden worden gegeven. Daarvoor zijn de leden van het oude regime, vaak de militaire top, nog te machtig en is de nieuwe regering te zwak, te bang of te opportunistisch. In Chili gaf Pinochet zichzelf en zijn mensen bij voorbaat amnestie. In Argentinië gingen de meeste staatsterroristen door twee amnestieën vrijuit. De belangrijkste militaire leiders werden opgepakt, maar door president Menem vrijgelaten. De regel in heel Latijns-Amerika was dat slechts tegen een handjevol staatsterroristen werd opgetreden, of zelfs dat niet eens.

Die verregaande clementie had ongetwijfeld maatschappelijke steun, vooral onder degenen die van de dictaturen hadden geprofiteerd. Anderen wilden het verleden het verleden laten om de militairen niet te provoceren, of omdat ze de verschrikkingen niet onder ogen durfden te zien om niet over de schuldvraag te hoeven nadenken. Maar de jaren gingen voorbij, en de schaduwen van het verleden losten niet op. Integendeel, kinderen van slachtoffers en niet-slachtoffers, vaak jongeren die in de tijd van de terreur nog niet geboren waren, maakten de strijd voor gerechtigheid tot de hunne.

Ook de internationale situatie veranderde. De Koude Oorlog, die de context bood waarin de terreur zijn gang kon gaan, is voorbij. De notie dat massale schending van de mensenrechten een misdaad is die geen grenzen kent, wint steeds meer veld. De oprichting van het internationale strafhof en van diverse tribunalen voor oorlogsmisdaden en genocide is, alle beperkingen ten spijt, een reusachtige stap vooruit. De internationale uitleveringsverzoeken van de Spaanse onderzoeksrechter Garzón en de arrestatie van Pinochet in Engeland zijn, zelfs ongeacht de afloop, een geweldige reclame voor de vestiging van een internationale rechtsorde. Teken des tijds: Henry Kissinger moet tegenwoordig de landen mijden waar hij ter verantwoording kan worden geroepen voor zijn rol in de coup in Chili.

Na zoveel jaren willen ook de politieke leiders in het reine komen met het verleden. Deze openheid geeft de regeringen prestige en maakt hun democratische gezindheid geloofwaardiger. Het doorbreken van de stilte over de vuile oorlogen wordt vergemakkelijkt door een generatiewisseling in de militaire gelederen. De nieuwe chefs voelen er niets meer voor de vuile-oorlogsvoerders te sauveren. Pinochet hoeft weliswaar vanwege zijn gezondheidstoestand niet terecht te staan, maar in het Chileense leger is hij een afgedankt museumstuk geworden.

In Chili zijn processen aangespannen tegen driehonderd officieren, onder wie 22 generaals. President Ricardo Lagos heeft onderzoek gelast naar alle drie- à vierduizend moorden. Militairen van lagere rang die met dit onderzoek meewerken, is straffeloosheid beloofd. Sommige mensenrechtengroepen zien daarin een verkapte amnestie. Maar het is in veel gevallen de enige mogelijkheid om de waarheid over de terreur te achterhalen en de verantwoordelijken te straffen.

De nieuwe Argentijnse president Néstor Kirchner heeft het verbod op de uitlevering van staatsterroristen opgeheven, generaals met bloed aan hun handen ontslagen en de amnestiewetten door beide kamers van het parlement ongedaan laten maken. In Uruguay is een strafproces begonnen tegen Juan María Bordaberry, de gekozen burgerpresident die de militaire coup van 1973 steunde en als legale franje van de dictatuur mocht aanblijven. En in Peru, waar de gekozen president Fujimori aan het hoofd stond van een militair schrikbewind, is na de publicatie van de Commissie Waarheid en Verzoening over de moord op tienduizenden mensen de weg vrijgekomen voor een systematisch onderzoek.

Rechtspreken, eventueel vergeven, maar nooit vergeten. Mijn dodenboekje is beduimeld en verkruimeld, maar ik zal het nooit weggooien.