Zwarte canon: Onderzoek onder zeventig historici

De donkere kant van ons verleden

‘Welke historische gebeurtenissen mogen niet ontbreken in een zwarte canon?’ Die vraag legde de redactie van De Groene Amsterdammer onlangs voor aan alle vaderlandse historici die verbonden zijn aan een universiteit. Door middel van een online enquête peilden we de gedachten van professionele geschiedschrijvers over de donkere kant van ons verleden. We vroegen deelnemers vijf vensters te nomineren en kort toe te lichten. Ook kregen ze gelegenheid om minder bekende pijnlijke episodes uit de geschiedenis aan te dragen die naar voren kwamen uit hun eigen onderzoek.

Zeventig historici stuurden hun zwarte canon in. Ondertussen werd ook op www.groene.nl druk gediscussieerd over dit onderwerp. Bewijs dat velen het eens zijn met Rudy Kousbroek, die vond dat het beter was om zelf grondig uit te zoeken wat bij ons niet deugt dan te moeten verdragen dat een ander ermee aankomt.

Sommige deelnemers waren kort en zakelijk in hun antwoorden omdat ze vonden dat de historicus geen rechter van de geschiedenis moet willen zijn. Anderen droegen het hart meer op de tong en betoogden uitgebreid waarom delen van de vaderlandse geschiedenis het predikaat ‘zwart’ verdienen. Enkelen grepen de gelegenheid aan om tegen – of juist voor – de canon als zodanig te pleiten. Een weerslag van dat debat vindt u op pagina 28. Maar hieronder eerst de resultaten van ons onderzoek: negen rode draden die samen de Zwarte canon van Nederland bijeenhouden.

Die Tyranny verdrijven

De eerste zwarte bladzijde is niet minder dan de keerzijde van onze stichtingsmythe: het ­verhaal van de Opstand van 1568 en de tachtig­jarige strijd tegen Spaanse overheersing onder aanvoering van het huis van Oranje. Voor de ­calvinistische edelen, kooplieden en ­predikanten in de ‘Hollandse Tuin’ (Holland, Zeeland en Utrecht) betekende de Opstand een bevrijding. Voor anderen, met name de rooms-katholieke bewoners van de grensgebieden, had hij alle kenmerken van een bloedige onderdrukking. De canon van Nederland wijdt hieraan geen woord.

UvA-historica Marjolein ’t Hart refereert aan het proefschrift Staatsvormend geweld (2007) van Leo Adriaenssen waaruit blijkt dat de Staten in die grensgebieden welbewust een tactiek van de verschroeide aarde toepasten. Ze gaven bijvoorbeeld opdracht om de Meijerij van ’s-Hertogenbosch door brandschatting en uithongering te ‘devasteren ende depopuleeren’. Met succes: de bevolking slonk binnen tien jaar met zeventig procent. Willem de Zwijger mag voor zijn tijd een tolerant man zijn geweest, hij deed zijn bijnaam geen eer aan door uitgerekend over deze kwestie te zwijgen, hoewel hij als bevelhebber van het Staatse leger nauw betrokken was bij de uitvoering, stelt Adriaenssen.

Ook Willems zoon Maurits, later geroemd als veldheer en militair theoreticus van Europees formaat, verdiende zijn eerste sporen in deze eerloze campagnes; hij liet onder meer zijn soldaten in 1587 bij Veghel zeshonderd boeren afslachten. ‘Maurits kreeg de opdracht om niet alleen al het graan en vee te vernietigen, maar ook alle ploegen, wagens, hele dorpen in brand te steken, kortom de hele basis van het bestaan van een onschuldige bevolking te vernietigen omdat zij wel eens de Spanjaarden zouden kunnen helpen’, aldus ’t Hart, die gepromoveerd is op de Nederlandse staatsvorming in de zeventiende eeuw. Gert Oostindie, directeur van het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde en hoogleraar in Leiden, spreekt van ‘moordzuchtige religieuze onverdraagzaamheid’ tijdens de Tachtigjarige Oorlog. Lodewijk Wagenaar van het Amsterdamse Instituut voor Geschiedenis pleit ervoor dat de ‘religieuze inkleuring’ van onze ontstaansgeschiedenis eindelijk eens wordt gecorrigeerd. (AB)

Religieuze intolerantie

Ons zelfbeeld als tolerante natie wordt ondergraven door vele voorbeelden van religieuze vervolging waar deelnemende historici mee op de proppen komen. Veelgenoemd is de discriminatie van katholieken, die volgde op de Beeldenstorm van 1566. De Nijmeegse mediëvist Peter Raedts stelt dat bij de ‘bezetting’ van de zuidelijke Generaliteits­landen, Brabant en Limburg, in de eerste helft van de zeventiende eeuw, de katholieken systematisch de meest elementaire burgerrechten werd ontzegd. Niet dat de vervolging gepaard ging met slachtpartijen, maar de katholieken waren volgens Raedts wel ‘tweederangsburgers’, tot 1795 de jure en tot ver in de negentiende eeuw de facto. Joost Rosendaal (Radboud Universiteit Nijmegen) noemt de Generaliteitslanden zelfs de Westbank van Nederland en de Brabanders onze Palestijnen. In andere delen van het land werden katholieken met harde hand bekeerd tot het calvinisme, iets wat in het zuiden ondanks de repressie nooit gelukt is.

Ook binnen de protestantse geloofsgemeenschap is er voldoende stof voor zwarte geschiedenis. Begin zestiende eeuw waren Wederdopers onderwerp van vervolging, een eeuw later werd het theologisch dispuut tussen arminianen en gomaristen met geweld beslecht: eenmaal aan de macht gooide stadhouder Maurits de arminianen uit de kerk. Volgens Raedts leidde deze ‘intolerante godsdiensttwist’ tot ‘het definitieve monopolie van het orthodoxe calvinisme’. Ook UvA-historicus Rudi Künzel vond bij zijn onderzoek veel aanwijzingen voor vervolging van de Afgescheidenen (ca. 1830-1840) in de vorm van boetes en gevangenisstraffen. Dat was geen uitzondering, want ‘zo functioneerde toen de protestantse staatskerk’.

De religieuze intolerantie trof ook seksuele geaardheid. Tussen 1730 en 1733 was er een opleving van geweld tegen homoseksuelen. Tijdens deze Sodomietenvervolging werden in Utrecht achttien mannen ter dood veroordeeld. Hierop volgden vervolgingen van honderden mannen in andere delen van het land. Na een periode van epidemieën moest de vertoornde God mild gestemd worden door de ‘welig tierende onzedelijkheid’ aan te pakken. De ‘cruisende’ mannen waren een geschikte zondebok. ‘Predikanten rechtvaardigden de vervolging, omdat in die jaren een paalwormplaag de dijken aantastte’, aldus Joost Rosendaal. ‘Die paalworm werd gezien als Gods straf voor sodomie, want God zou altijd exemplarisch straffen.’

Onderdrukking in de naam van ‘het ware geloof’ duurde voort tot in de negentiende eeuw. Reden waarom de Rotterdamse historicus Dick Douwes religieuze intolerantie een plek in de zwarte canon wil geven. Helemaal voorbij is deze zwarte episode volgens Douwes nog niet: ‘De omgang met moslims tegenwoordig heeft trekken van de oude omgang met katholieken: schuilkerken en schuilmoskeeën zijn inwisselbaar.’ (RB)

Strijd tussen de Republiek en Oranje

De rivaliteit tussen Orangisten en Staatsgezinden leverde volgens respondenten de nodige zwarte bladzijden op. In de zeventiende eeuw waren dat de moorden op raadspensionaris Johan van Oldenbarnevelt (1619) en de gebroeders Johan en Cornelis de Witt (1672). Een eeuw later speelde de strijd zich af tussen aanhangers van stadhouder Willem V en de Patriotten.

De executie van Van Oldenbarnevelt wegens landverraad was het gevolg van complexe persoonlijke, religieuze en politieke factoren, maar de kwalijke rol van prins Maurits wordt door de historici niet betwist; de prins rekende af met zijn rivaal op een manier die volgens de Groningse hoogleraar Doeko Bosscher ook toen al niet tot de Nederlandse politieke cultuur behoorde. Volgens Henk Nellen van het Huygens ing kreeg Van Oldenbarnevelt een politiek proces en had zijn veroordeling een wankele juridische basis: ‘Het was Maurits’ grootste fout de staatsman geen gratie te verlenen, zoals ook Maurits’ biograaf A.Th. van Deursen met klem heeft beargumenteerd.’ Nellen benadrukt dat er in de tijd zelf al discussie was over de morele aspecten van deze gebeurtenis. Hij vindt dat laatste van belang, want ‘de historicus moet zulke zwarte bladzijden beoordelen naar de normen van die tijd’.

Het lynchen van de gebroeders De Witt wordt door de Leidse historicus Henk den Heijer omschreven als ‘een uit de hand gelopen geval van kwalijke stemmingmakerij’. ‘Er was sprake van het ophitsen van het volk dat leidde tot de moord op staatslieden die zeer veel voor de Republiek hebben betekend’, aldus Heijer. Volgens Jacco Pekelder (Universiteit Utrecht) is deze moord door zijn gruwelijkheid alleen al een venster waard, maar ‘toont hij ook de precaire positie van goede bestuurders tegenover populisme en de profiteurs of manipulators die daarachter schuilgaan’. Bovendien, zegt Pekelder met een knipoog, ‘wees deze moord op de uitvinder van de verzekeringswiskunde (Johan de Witt) er toen al op dat het met Nederland Kennisland nooit iets kan worden’. Ook Erik Nijhof van de Universiteit Utrecht ziet de moordpartijen niet als een incident: ‘De moorden op Van Oldenbarnevelt en de gebroeders De Witt staan model voor gesanctioneerde politieke moorden van zeer bekwame en integere personen.’

De twist tussen de Patriotten en ‘het corrupte regentensysteem van stadhouder Willem V’ in 1787 past volgens Joost Rosendaal ook in de zwarte canon. ‘De revolutie van de Patriotten die een democratisering van het Nederlandse staatsbestel inclusief vrijheid van meningsuiting, gelijke rechten voor katholieken en bestrijding van corruptie nastreefden, werd hardhandig de kop in gedrukt met de hulp van een Pruisisch leger’, aldus Rosendaal. Dit ging gepaard met oorlogsmisdaden die zelfs sommige Orangisten te ver gingen: ‘Duizenden huizen werden geplunderd, tienduizenden Nederlanders sloegen op de vlucht. Het aantal doden is onbekend. De werkelijke omvang is slechts bij benadering te schatten omdat het nieuwe Orangistische bewind de plunderaars en daders amnestie gaf en verdere publicatie en vastlegging van de gebeurtenissen tegenging.’

De deelnemers zien door de eeuwen heen vaker een kwalijke rol voor de Oranjes weggelegd; de stichting van het Koninkrijk begin negentiende eeuw was discutabel en koningen worden ‘ten onrechte geprezen’ (Willem I) of zijn ‘incapabel’ en ‘behoorlijk mal’ (Willem III). De schenking van het Amsterdamse stadhuis aan de Oranjes is een ‘groot verlies’ en een teken dat de Nederlandse burgerij getemd is, en daarnaast lijkt de koninklijke familie steeds groter en welvarender te worden. Het blijvende succes van de Oranjes werpt volgens de Utrechtse historicus Ed Jonker ‘een smet op het democratische en rationele gehalte van de Nederlandse politiek’. (RB)

Horigheid en uitbuiting

Wie denkt aan slavernij, denkt al snel aan ons koloniale verleden. Minder aandacht krijgt het feit dat de Nederlanders niet alleen in slaven handelden, maar vaak ook – in meer of mindere mate – slaven waren. Zo waren vanaf de vroege Middeleeuwen tot diep in veertiende eeuw de meeste boeren horigen. En daarmee feitelijk menselijk eigendom van een bezittende klasse.

Onze inheemse slavernij is vreemd genoeg ‘nooit onderdeel van vinnige discussies over basale menselijke vrijheden’, merkt de Groningse mediëvist Job Weststrate op. Hij vindt dat horigheid ook eens moraliserend moet worden beoordeeld naar hedendaagse maatstaven. Die exercitie pakt weinig opwekkend uit. Hoewel horigen verbonden waren aan het land dat ze bewerkten, konden ze geen land bezitten. Bovendien waren ze niet vrij om zich ergens anders te vestigen. Vandaar dat rechteloze boeren regelmatig probeerden te vluchten naar gebieden die geen horigheid kenden – een indicatie dat feodale machtsverhoudingen niet alleen met de blik van nu als onderdrukking worden gezien. In heel Europa raakte het instituut horigheid in de dertiende en veertiende eeuw in verval. In de Achterhoek en Twente hield horigheid echter tot diep in de achttiende eeuw stand. Pas in 1795, onder Frans bewind, verdween deze vorm van dwangarbeid definitief uit ons land.

Middeleeuwse landbewerkers zijn niet de enige verworpenen der aarde die de revue passeren in de enquête. Ook de barre werkomstandigheden in de negentiende-eeuwse industrie verdienen volgens aan aantal historici een plaats in de zwarte canon. ‘De systematische uitbuiting van arbeiders’ is wat historicus Dirk Jan Wolffram (Rijksuniversiteit Groningen) betreft zonder meer een zwarte bladzijde. Te meer ‘omdat Nederland vanaf halverwege de negentiende eeuw al over de middelen beschikte om via verzekeringswetten en effectieve armoedebestrijding sociale nood te lenigen’. In dat opzicht liepen we achter op bijvoorbeeld Engeland en Duitsland, waar hervormingen eerder van de grond kwamen. Dat het bij ons een halve eeuw moest duren voordat er verbetering kwam in de leef- en werkomstandigheden van arbeiders was volgens Wolffram ‘vooral een kwestie van politieke onwil’.

Eén naam die door verscheidene deelnemers wordt genoemd in verband met het zware lot van het Nederlands werkvolk is Petrus Regout, oprichter van wat later de Sphinx-fabrieken in Maastricht werden. Behalve om fijn beschilderde kannetjes en goudgerande bordjes staan de Regout-fabrieken vooral bekend om het gebruik van kinderarbeid. ‘In ploegendiensten van twaalf uur stonden tien- en elfjarigen in de hitte en giftige dampen. ’s Avonds kon je ze als schimmen over straat zien gaan’, aldus Pieter Caljé, historicus aan de Universiteit Maastricht. De fabrieken van Regout waren van meet af aan het symbool voor de uitbuiting van kinderen, omdat kinder­arbeid daar bleef bestaan, ook na het wetje van Van Houten. Protesten waren het gevolg. ‘Toen eind negentiende eeuw het Delfts studentencorps vernam wat er in Maastricht gebeurde, gooiden ze hun Regout-servies stuk’, vertelt Caljé. (CT)

Koloniaal verleden

Geen zwarte bladzijde is zo dicht beschreven als die van ons koloniaal verleden. Volkerenmoord op de Banda-eilanden, slavenhandel in de Amerika’s , de Atjeh-oorlog, zonder uitzondering noemen de vaderlandse historici een of meer passages uit de koloniale geschiedenis als onmisbaar in een zwarte canon. Ook op minder bekende passages wordt gewezen, zoals de moord op tienduizend Chinezen in Batavia in 1740, genoemd door Remco Raben van de Universiteit Utrecht.

De namen van koloniale bewindslieden en militairen worden veelvuldig vermeld. Arnold de Vlamingh van Oudshoorn, Van Heutsz, Westerling, Van Daalen, Spoor, ieder omstreden figuur komt voor in de enquête. Geheel naar verwachting is Jan Pieterszoon Coen de voornaamste kop van jut. De tekst bij zijn standbeeld in Hoorn mag dan na lang touwtrekken zijn genuanceerd (‘Volgens critici verdient Coens gewelddadige handelspolitiek in de Indische archipel geen eerbetoon’), door de deelnemers aan de enquête wordt hij onomwonden veroordeeld. ‘Het optreden van Coen is een duidelijk geval van genocide. Onder het mom van contractbreuk liet hij doelbewust de eiland­bewoners uithongeren, nadat hij de hoofden had geëxecuteerd. De laatste paar honderd inwoners die overbleven zijn gedeporteerd en als slaaf verkocht. Dat een hele bevolking zo moest boeten omdat hun vertegenwoordigers “contractbreuk” zouden hebben gepleegd is nooit goed te praten’, schrijft Marjolein ’t Hart (UvA).

Een enkeling gooit het over een compleet andere boeg en gebruikt (natuur)rampen in Nederlands-Indië om greep te krijgen op de koloniale geschiedenis. Alicia Schrikker van de Universiteit Leiden beschouwt de overstromingen in Centraal-Java van 1861, de Merapi-uitbarstingen van 1867 en 1930 en de Krakatau-ramp van 1883 als zwarte bladzijden omdat bij dit soort rampen de overheid zich vooral druk maakte over schade aan infra­structuur en overheidsgebouwen. Hulpacties mondden uit in publieke discussies over de vraag of geld dat ingezameld was door Europeanen ook aan ‘inlanders’ ten goede moest komen, of over de vraag of geld ingezameld door christenen ook aan moslims besteed mocht worden, licht Schrikker toe. Van betekenis is volgens haar en anderen vooral de hongersnood op Java in 1901, die ook destijds als schokkend werd ervaren. ‘In de kranten vroeg men zich af hoe het kon dat in het vruchtbare Java een tekort aan voedsel kon ontstaan. Dat kon alleen maar het gevolg zijn van falend overheidsbeleid’, schrijft Schrikker. Tegelijkertijd werd de hongersnood brandpunt van publiek debat over de ethische politiek en de verantwoordelijkheid van de Nederlandse overheid voor het welzijn van mensen in Nederlands-Indië. Daarom biedt deze episode volgens Schrikker een blik op de complexiteit van het Nederlands kolonialisme, waarbij de ‘ethische politiek als enigszins positief element een plaats kan hebben’.

Dat ons koloniale verleden een open zenuw blijft, is goed te proeven in de verschillende bijdragen. Ed Jonker, verbonden aan de Universiteit Utrecht, merkt op dat ‘de erkenning dat Nederland gewoon imperialisme heeft bedreven’ erg laat kwam en dan nog ‘mondjesmaat en schoorvoetend heeft plaatsgevonden’. Zelfs nu gaat het niet van harte, aldus Jonker. ‘Ter illustratie: ook het Indische deel van Loe de Jongs traditionele verhaal van goed en kwaad in de Tweede Wereldoorlog stuitte op grote bezwaren’, schrijft hij. Ook slavernij en slavenhandel zijn nog steeds onderbelichte onderdelen van de Nederlandse geschiedenis, meent Guno Jones van de Universiteit van Amsterdam. Het valt hem vooral op dat slavernij in ‘de Oost’ nog steeds zwaar onderbelicht is. ‘Toen premier Balkenende trots naar de “voc-mentaliteit” verwees ging hij er compleet aan voorbij dat die compagnie een sleutelrol speelde bij de slavernij in Nederlands-Indië.’ (CT)

De Tweede Wereldoorlog

De Tweede Wereldoorlog is veruit de meest omstreden en pijnlijke episode uit de recente Nederlandse geschiedenis en het zal daarom geen verbazing wekken dat vrijwel alle gepolste historici ernaar verwijzen. De pijn begint al jaren voordat het oorlogsgeweld Nederland bereikt, blijkt uit de bijdragen aan de enquête. Joden die Duitsland probeerden te ontvluchten, werden getest op hun waarde voor Nederland en bij een negatief oordeel geweerd. De steeds racistischer en extremere nsb kreeg massale aanhang. En uit ijver om neutraliteit uit te stralen ontnam de regering Nederlandse Brigadisten, vrijwilligers die in de Spaanse Burgeroorlog vochten aan Republikeinse kant, hun burgerschap.

En dan de oorlog zelf. Een open wond blijft het ontstellend grote aantal Nederlandse joden dat de oorlog niet overleefde, veel meer dan in andere West-Europese landen. ‘De joden­vervolging was een door de Duitse nazi-­autoriteiten geïnitieerde en gecoördineerde misdaad, maar daar moet wel een aanvulling bij’, schrijft Geraldien von Frijtag Drabbe Künzel van de Universiteit Utrecht. ‘De honderdduizenden Nederlanders die wegkeken, de duizenden die joden opspoorden of uit hun lege huizen stalen, de honderden die jodenhaat predikten. Ongetwijfeld was deze misdaad zonder al deze Nederlandse actoren veel lastiger uit te voeren geweest.’

Veel historici noemen ook de kwalijke rol van de Nederlandse ambtenarij en het gezagsapparaat bij de holocaust. ‘De meeste ambtenaren en politiemannen zagen niet, of wilden niet zien’, schrijft UvA-historicus Karel Berkhoff, ‘dat regels en wetten minder belangrijk waren in een totaal nieuwe context: een landsbestuur dat een beleid van discriminatie en vervolging doorvoerde.’ Ook Nederlands hoogste rechts­lichaam de Hoge Raad wilde dat niet zien. Na een recente studie die de Hoge Raad negatief neerzette volgde daarvoor officieel excuus.

Maar de zwarte bladzijde gaat natuurlijk verder dan wegkijken. De nsb zag haar lidmaatschap verdrievoudigen na de Duitse inname en bood de Duitsers haar diensten aan. ‘Het is begrijpelijk dat de andere Nederlanders dit als landverraderlijk gedrag zagen, wat het dan ook was’, stelt David Barnouw (niod). Nederland telde ook het grootste aantal SS-vrijwilligers van alle bezette landen. Het blijft een schokkend onderwerp, zoals onlangs nog werd geïllustreerd door de ruime aandacht en het Gouden Kalf voor de documentaire Zwarte soldaten, waarin zes SS’ers onverbloemd over hun ervaringen vertellen.

Er zijn nog vele verzwegen of onder­gesneeuwde zwarte onderwerpen aan de oorlog te onttrekken. Joost Rosendaal, verbonden aan de Radboud Universiteit Nijmegen, noemt er twee. Ten eerste burgerslachtofferschap – de dertigduizend burgers die door oorlogs­geweld omkwamen. ‘Aan het omkomen van gewone burgers kon geen betekenis of waarde worden gehecht’, schrijft Rosendaal. ‘Sterker nog: tijdens de Koude Oorlog was het iets wat demoraliserend kon werken, zeker omdat velen door geallieerde bombardementen en beschietingen waren gedood.’ Ten tweede de duizenden mannen die tijdens hun dwangarbeid omkwamen bij bombardementen. ‘Dit blijft beladen met een extra taboe omdat ze niet “heldhaftig” waren ondergedoken’, aldus Rosendaal.

Dit zwartboek zou ook na de bevrijding nog lang geopend blijven. Eerst was daar ‘Bijltjesdag’, net als de jodenvervolging al beschreven door Chris van der Heijden: de ‘moffenhoeren’ die werden geschoren en vernederd, de afrekeningen, de strafkampen voor collaborateurs. De terugkeer van joden is een onderwerp dat de laatste twintig jaar veel aandacht kreeg: zij zagen vaak hun bezittingen geroofd, ingenomen of verbeurd verklaard. De Nederlandse regering stelde zich hierin bijzonder kil op, net als bij hun reïntegratie. De Leidse historica Saskia Bonjour schrijft over een verslag van een Nederlandse overheidsdelegatie die na de Duitse capitulatie in concentratiekampen op zoek ging naar vluchtelingen die nuttig konden zijn bij de wederopbouw. ‘Na een bezoek werd opgemerkt dat de gevangenen over de nodige vaardigheden leken te beschikken, maar dat het gat in hun cv van die jaren die ze in het concentratiekamp hadden gezeten misschien op bezwaren zou stuiten bij werkgevers in Nederland’, aldus Bonjour. (RvdH)

Post-koloniale naschokken

Over onze koloniale tijd hangt een schaduw van hypocrisie, en dat geldt ook voor de periode van de dekolonisatie. Het eerlijk onderkennen van de ondergeschikte positie van de autochtone bevolking in Indonesië en Suriname ten tijde van de Nederlandse overheersing gebeurt net zo krampachtig als onze omgang met het loslaten van onze wingebieden. Dit geldt in het bijzonder voor de politionele acties tegen de uitgeroepen Republik Indonesia (17 augustus 1945). De knil-militairen begingen in hun strijd tegen het Indonesische nationalisme oorlogsmisdaden. In de jaren na de formele onafhankelijkheid van 1949 bleef erkenning en rechtsherstel voor de nabestaanden van de omgekomen Indonesische vrijheidsstrijders uit. Denk aan bijvoorbeeld de kwestie-Rawagede die pas zeer recent in volle omvang publiekelijk is onderkend.

Dit moet tevens worden afgezet tegen het Nederlandse moralisme richting andere landen. ‘Het valt op dat het politieke establishment vaak zonder terughoudendheid het morele vingertje heft naar landen als China inzake “schendingen van mensenrechten”, maar het eigen koloniale verleden (en de oorlogsmisdaden die destijds zijn begaan) maar moeizaam onder ogen wil zien, laat staan dat men serieus nadenkt over rechtsherstel voor de nabestaanden’, aldus Guno Jones (UvA).

De coming home van de knil-­militairen ligt in het verlengde daarvan. De Nederlandse militairen die naar Indonesië werden gezonden meenden dat ze een soort bevrijders zouden zijn. Maar toen ze terugkeerden wilde iedereen de Nederlandse acties zo snel mogelijk vergeten, zodat zij in stilte hun wonden moesten likken. ‘De vrijwillige militairen waren gegrepen door de bevrijding van Nederland door de Canadezen en zagen eenzelfde missie in het bevrijden van hun landgenoten in door de Japanners bezet Indonesië. Met dat idee werden zij in Nederland actief geworven, maar eenmaal ter plekke kregen ze te maken met steeds bijgestelde orders en raakten ze verwikkeld in een vuile oorlog. Maar voor hen was er geen weg terug. Na terugkeer werd hén verweten dat ze “fout” waren geweest in hun strijd voor een “foute” zaak. Opvang en geldelijke vergoeding waren er niet’, constateert Marjet Derks van de Radboud Universiteit Nijmegen.

De behandeling van de Molukse knil-soldaten is nog pijnlijker. Zij hadden trouw aan Nederlandse zijde meegevochten en vertrokken na de mislukte strijd ‘tijdelijk’ vanwege allerlei beloften over een eigen vrije Molukse republiek naar Nederland. Als gevolg van hun frustratie over het uitblijven van hun ideaal vonden in de jaren zeventig gewelddadige acties plaats (zoals treinkapingen in 1977), gepleegd door een militante groepering binnen de tweede generatie Molukkers. ‘De bloedige beëindiging van de treinkaping bij De Punt, wat twee gijzelaars en zes kapers het leven kostte, zie ik net als indertijd Den Uyl als een nederlaag. Het is een uitvloeisel van eeuwen van Nederlandse verdeel- en heerspolitiek in Indië, waarvan de Molukkers de laatste maar zeker niet de eerste slachtoffers waren’, stelt Jacco Pekelder, historicus aan de Universiteit Utrecht.

Met het oog op deze dramatisch verlopen onafhankelijkheid zou de dekolonisatie van Suriname ‘netjes’ verlopen, was de heersende gedachte in de jaren zeventig in Nederland. Maar nee, meent Wim de Jong (Nijmegen). ‘De Surinaamse onafhankelijkheid werd op volstrekt onverantwoorde wijze verleend en leidde ten slotte tot een snelle machtsovername door Desi Bouterse.’ Hij wijst erop dat het tegen de wil van de Surinaamse bevolking (negentig procent was tegen) toch gebeurde. Het land was er nog niet rijp voor, want bestuurlijk was het een zwakke staat. Bovendien was de afhankelijkheidsbeweging etnisch eenzijdig – voornamelijk Creools en nauwelijks Hindoestaans – vertegenwoordigd. De Surinamers die vervolgens na 1975 massaal naar Nederland vertrokken zijn slecht behandeld. De Jong zegt: ‘Het was linkse liefde, die niks kost.’ (MF)

Mislukte interventies

De canoncommissie van Van Oostrom maakte – met veel twijfel – een venster vrij voor de val van Srebrenica, omdat ‘een canon ook zwarte bladzijden moet durven honoreren’. In de _Groene-_enquête is het ook een van de meest genoemde vensters, maar er is een scheiding te zien tussen historici die Nederlandse schuld zien aan het drama in Srebrenica en anderen die ‘Srebrenica’ zien als een donkere gebeurtenis waar Nederland een onfortuinlijke toeschouwerrol vervulde.

‘Ongemeen veel Nederlanders kunnen niet aanvaarden dat Srebrenica niet een “massamoord” was, maar een genocide’, schrijft Antoon de Baets (Rijksuniversiteit Groningen). ‘Het Joegoslavië-tribunaal heeft Srebrenica in diverse vonnissen een genocide genoemd en het Internationaal Gerechtshof heeft dit bevestigd. Toch wordt dat maar uiterst moeizaam toegegeven hier te lande.’ Volgens Paul van de Laar, historicus aan de Erasmus Universiteit, wordt als argument tegen ‘zwarte bladzijden’ vaak het bezwaar opgeworpen dat andere tijden andere normen en waarden kennen. ‘Dat maakt Srebrenica zo erg’, schrijft hij: ‘Het is recente geschiedenis en er is geen enkel argument te bedenken om dit laffe gedrag te accepteren.’

Dat ziet niet iedereen zo. In 2002 reconstrueerde het niod het drama, maar zonder veroordeling van Nederlanders. Ook een parlementaire enquête liet een jaar later veel reputaties intact. ‘Ik heb me door het rapport-Blom en door gesprekken met tal van veteranen laten overtuigen dat het een wereldschokkende ramp was, maar niet zozeer door toedoen van Karremans en de zijnen’, schrijft hoogleraar eigentijdse geschiedenis Doeko Bosscher. ‘Srebrenica hoort behalve in de onze zeker thuis in de zwarte canon van de VN.’ En volgens weer anderen vooral in de zwarte canon van Bosnië en Servië.

Ook in het nieuwe millennium speelde Nederland al eens een kwalijke internationale rol. Er is al vastgesteld dat er geen juridische basis was voor de inval in Irak, terwijl Nederland die wel (politiek) steunde. ‘Nederland heeft zich, ondanks de belabberde onderbouwing, slaafs Atlantisch getoond’, stelt Dick Douwes, decaan van de faculteit der historische en kunstwetenschappen in Rotterdam ‘Dit heeft in Irak geleid tot maatschappelijke ontwrichting, een ongekend aantal burgerdoden, geweld dat nog altijd doorgaat en de vlucht van religieuze minderheden die er vele eeuwen lang hebben gewoond.’ (RvdH)

Nieuwe intolerantie

De laatste bladzijde in deze zwarte canon is er een die nog niet omgeslagen kan worden. Diverse historici zijn het erover eens dat de intolerantie van de 21ste eeuw genoemd moet worden in de lijst. Het gaat om enerzijds het hedendaagse populisme en de opkomst van de lpf en de pvv. Anderzijds heeft deze onverdraagzaamheid zich volgens sommigen ook geuit in de moorden op Pim Fortuyn en Theo van Gogh.

Populisme is een test voor de democratie, maar ‘heeft nog nooit een constructieve oplossing aangedragen voor maatschappelijke problemen’. Dit is sinds de jaren dertig een historisch feit en dus kan de Maastrichtse hoogleraar Arnold Labrie niet bevatten dat het populisme kan opbloeien middels de lpf en de pvv: ‘De pvv vervult eenzelfde functie en vult dezelfde niche in het politieke spectrum als de nsb destijds: ressentimentspolitiek.’ Labrie verklaart waarom de herleving van het populisme in de zwarte canon hoort: ‘Het cruciale punt is uitsluiting. Als je mensen – nota bene in de sacrale ruimte van de democratie: het parlement – ervan beschuldigt “kopvodden” te dragen (en nog mag doorspreken ook), dan zet je ze weg als “vuil”; en de logica daarvan is dat vuil moet worden opgeruimd.’

Pieter Caljé (Universiteit Maastricht) onderschrijft dat de opkomst van Fortuyn een zwarte bladzijde is, maar dat geldt ook voor de moord op de staatsman in 2002. ‘Beide zaken hebben de liberale democratie schade toegebracht. De moord op Fortuyn was een politieke moord en is alleen daarom al erg. Net als de moord op Theo van Gogh. Het feit dat Geert Wilders zich continu moet beschermen is treurig. Dat betekent dat er dus politiek geweld zit in de Nederlandse samenleving dat er eeuwen niet heeft gezeten.’

Bij het opstellen van de zwarte bladzijde sluit de Groningse professor eigentijdse geschiedenis Doeko Bosscher zich aan bij deze zaken van intolerantie. ‘Sinds Van Oldenbarnevelt en de gebroeders De Witt is er niet meer dit politiek fanatisme geweest met een bloedbad als gevolg. De moorden op Fortuyn en Van Gogh zijn op zichzelf gruwelijk, maar ook vanwege de tien jaar daarna.’ Kortom: de aanslagen zijn voorbeelden van intolerantie, maar de naweeën die nu nog te voelen zijn, zijn dat ook. (GH)


De Zwarte Canon in SPUI25

Woensdagavond 25 april organiseert De Groene Amsterdammer samen met Academisch-cultureel centrum SPUI25 een avond over de pijnlijke passages uit onze vaderlandse geschiedenis. Ook de zwarte bladzijden uit onze geschiedenis moeten geschreven worden, vond schrijver Rudy Kousbroek. Want: ‘Liever zelf grondig uitzoeken wat bij ons niet deugt, dan moeten verdragen dat een ander ermee aankomt.’ Vanuit die gedachte pleitte historicus Chris van der Heijden voor een zwarte canon en deed De Groene Amsterdammer onderzoek naar de gebeurtenissen die samen de schaduwzijde van ons verleden vormen.

Maar horen schaamte en trots wel bij geschiedschrijving? Kun je moreel oordelen over een tijd waarin andere normen en wetten golden?

Hierover gaan onder anderen Chris van der Heijden (auteur van Grijs verleden en Dat nooit meer), Maria Grever (hoogleraar theorie en methodologie van de geschiedenis, Erasmus Universiteit) en Gert Oostindie (directeur van het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde) met elkaar in debat. De avond staat onder leiding van Groene_-_redacteur Casper Thomas.

Aanvang: 20.00 uur, Toegang gratis, maar reserveren, verplicht: www.spui25.nl