Iemand die zoveel mensen in beweging kon brengen als Martin Luther King gold vanzelf als gevaar © Cherry Pickers Filmdistributie

‘It’s the darkest page in the bureau’s history’, zo klinkt het resoluut. Aan het woord is James Comey, tussen 2013 en 2017 zelf directeur van thebureau, tot hem tijdens een besloten etentje door Trump werd gevraagd om loyaal te zijn en hij kort daarna werd ontslagen om het Rusland-onderzoek te dwarsbomen. Maar dat is niet die zwartste bladzijde waar hij nu het nu over heeft. Comey doelt op een episode van ruim een halve eeuw geleden.

Op die bladzijde staat the bureau recht tegenover Martin Luther King, al klinkt die formulering te gelijkwaardig, als bij een sportwedstrijd. De fbi (Federal Bureau of Investigation) was de partij met de macht en de middelen, en die werden in de jaren voor Kings dood (1968) steeds bruusker ingezet. Kings telefoon werd non-stop afgeluisterd, de fbi plaatste een mol in zijn organisatie, King ontving (stiekem in hotels opgenomen) bewijs van zijn vreemdgaan, er dook een nog steeds schimmige beschuldiging van verkrachting op. En men probeerde hem via een verwrongen, manipulatieve brief – zogenaamd geschreven namens een bewonderaar die op hem was afgeknapt – van slag te krijgen en zelfs aan te zetten tot zelfmoord.

Aanvankelijk doorzag King niet hoezeer de fbi zich tegen hem keerde, hoe ver Hoover durfde te gaan. Ongetwijfeld voelde Hoover zich in die handelingen gesterkt door de steun van het publiek. Tegenwoordig bestaat er vooral het beeld van Martin Luther King als ongekend voorvechter van meer gelijkheid; iemand die met groots retorisch talent en hartstochtelijke inzet mensen in beweging kon krijgen en die er werkelijk in slaagde (sommige) zaken te veranderen. King is uitgegroeid tot een symbool waar niemand tegen kan zijn – logisch dus dat Comey zich distantieert van de hardhandige fbi-aanpak destijds, niemand zou het daar nu nog voor opnemen. Zelfs Trump prees King tijdens zijn presidentschap meerdere malen (en vond het ‘so appropiate’ dat de dag van zijn inauguratie samenviel met de jaarlijkse, nationale Martin Luther King Jr. Day).

Het lastige aan zo’n beeld, in zekere zin een postume heiligverklaring die met elke verwijzing naar de I have a dream-speech sterker wordt, is dat daarmee het zicht op veel nuances en mechanismen wegvalt. Want hoe groot de waardering anno 2021 ook is, ten tijde van de grote frictie met Hoover was de voorkeur van het Amerikaanse volk duidelijk: vijftig procent van de Amerikanen steunde Hoover, slechts twintig procent King. En ook al wisten veel mensen min of meer wat de fbi bij King deed, de meerderheid steunde deze aanpak, achtte hem zelfs nodig.

Oftewel: het is betrekkelijk makkelijk en veilig van Comey om te spreken over die donkerste pagina, alsof het een gekke afwijking betreft, één afgezonderde bladzijde die je het liefst direct zou losmaken van de rest. Maar het zou veel interessanter zijn als hij uitlegt hoe die pagina volgens hem kon ontstaan, en hoe die samenhangt met de rest van het Amerikaanse verhaal.

Dit is een van de boeiende inzichten uit Martin Luther King vs. the FBI (kortweg MLK/FBI), de documentaire van de Amerikaan Sam Pollard. Deze geëngageerde en bekroonde filmmaker betreedt met dit werk terrein dat al door menig journalist is verkend, en veel uit deze documentaire was reeds publiekelijk bekend. Toch doet Pollard iets belangrijks: hij smeedt allerlei openbare snippers en fragmenten om tot een chronologisch, helder verhaal dat uiteindelijk niet draait om enkel de verregaande rivaliteit tussen twee excentriekelingen, maar vooral om de achterliggende patronen. En de bijbehorende ongelijkheid. Voortdurend is voelbaar hoe afkeurend Pollard over die darkest page van de fbi denkt, maar hij benadert zijn onderwerp zonder opgeheven vingertje of moralistische ondertoon – termen als ‘institutioneel racisme’ vallen niet, al kun je MLK/FBI lastig bekijken zonder daaraan te denken.

Het grootste gedeelte van de documentaire bestaat uit archiefbeelden, die simpel maar effectief de jaren zestig tot leven roepen. We zien hoe Martin Luther King zich met luide stem inzet voor de civil rights-beweging en daarbij massa’s mensen in beweging krijgt; we zien hem voor steeds grotere zalen zijn redevoeringen houden; we zien zijn beroemde marsen en hoe hij probeert om haat telkens te beantwoorden met liefde, to lead by example; en we zien hem voor en na zijn roemruchte en niet eens zo vijandige ontmoeting met J. Edgar Hoover (1895-1972), die vanaf 1924 tot aan zijn dood directeur van de FBI was. Wat de documentaire ook duidelijk maakt: die ontmoeting was vooral opgetuigd voor de aanwezige pers – op de achtergrond waren de spionage en intimidatie vanuit de fbi al in volle gang. Via voice-overs vertellen (indirect) betrokkenen en historici daar uitgebreid over, zoals ze over alle thema’s in deze documentaire ruimschoots aan het woord komen. En net als Pollard nemen ze daarbij niet al te nadrukkelijk stelling in, ze spreken veelal in een vrij feitelijke en daarmee effectieve toon.

© Cherry Pickers Filmdistributie
De parallellen tussen de tijd van Martin Luther King en het heden zijn eenvoudig te trekken

Wat vooral overtuigend – en schrijnend – naar voren komt, is vanuit welk gedachtegoed de fbi opereerde. En hoe overtuigd Hoover was van het belang van zijn ietwat obsessieve King-beleid. De fbi was geen clandestiene buitenstaandersbeweging die het heft in eigen hand nam en daarbij per ongeluk een paar grenzen overging; de organisatie was van meet af onderdeel van de Amerikaanse politieke orde en werd breed gezien als hoeder van de nationale identiteit. In de ogen van Hoover, zo maakt de documentaire duidelijk, viel die identiteit samen met een conservatief, zeg gerust racistisch beeld: witte mannen moeten de dienst uitmaken, andere kleuren en culturen verdienen argusogen.

Dus hoe succesvoller King werd, hoe alerter de fbi hem bekeek: iemand die zo veel mensen in beweging kon krijgen gold vanzelf als gevaar. Hij werd bij the bureau de ‘black messiah’ gedoopt en een van de grote fbi-angsten was dat hij Amerikanen anders naar zichzelf zou laten kijken, naar hun (zeer gewelddadige) voorgeschiedenis, en daarmee naar het zelfverklaarde land of the free.

Toen King in 1964 de Nobelprijs voor de Vrede won, noemde Hoover hem tegenover een groep journalisten ‘the world’s most notorious liar’. Die uitspraak koppelde Hoover zelf aan het communisme, zijn bekende stokpaardje; King werkte namelijk nauw samen met activist Stanley Levinson, die volgens de fbi al langer werd gelinkt aan de communisten, en vanuit dat idee werd die alsmaar intensievere spionage gerechtvaardigd. Zelfs toen er geen enkel bewijs voor enige ‘communistische praktijk’ werd aangetroffen. Per ongeluk ontdekte de fbi wel dat King vreemdging, wat vervolgens werd ingezet om hem stil te krijgen. Ook zijn vrouw ontving post met audio-opnames. Op den duur werd niet alleen Kings telefoon afgeluisterd, er werden ook overal zenders geplaatst en surveillanceploegen aangesteld – met communisme had dat niets te maken, het ging erom dat Kings privéleven waar mogelijk aan het wankelen werd gebracht.

Dat geeft deze hele geschiedenis en documentaire iets extra wrangs: King werd uiteindelijk niet bestreden op zijn ideeën, maar op seksuele escapades. En het werkte ook nog. Want de fbi had niet alleen de macht in handen, de fbi beschikte ook over een gewiekste pr-machine waarmee de eigen wetteloosheid overstemd kon worden. Via met name Hollywoodfilms werd (en wordt) permanent het beeld ingeprent van fbi-agenten als reddende engelen, strak in pak gehesen en opkomend voor de goede zaak.

King was aan het einde van zijn leven juist vaak somber en gestrest. Hij zag zijn reputatie eerder afbrokkelen dan groeien. In MLK/FBI komt hij naar voren als een weliswaar groot spreker en activist, maar ook als iemand met tekortkomingen, iemand die meer dan eens zijn situatie verkeerd inschatte.

Zo riep zijn verzet tegen de Vietnamoorlog volop weerstand op en verspeelde hij daar in vele ogen zijn krediet mee. Mensen vonden dat hij zich moest bezighouden met de civil rights-beweging, president Johnson keerde zich voor het eerst tegen hem, nationale kranten schreven vrij vernietigende stukken. Toen hij niet veel later werd doodgeschoten, op een balkon van het Lorraine Motel in Memphis, was er geen politiebescherming aanwezig. De fbi moet in de buurt zijn geweest, maakt ook Pollard duidelijk, aangezien King permanent in de gaten werd gehouden. Maar er werd niet ingegrepen en het duurde nog maanden voordat hoofdverdachte James Earl Ray werd aangehouden. Door sommigen, onder wie leden van Kings familie, wordt dit nog steeds gezien als teken dat de fbi medeschuldig is.

De vraag bij een historische documentaire als deze is natuurlijk altijd: waarom nu dit verhaal? Waarom niet eerder? Ongetwijfeld heeft het ermee te maken dat enkele fbi-memo’s over King, zoals die over de vermeende verkrachting en de manipulatieve brief, recent pas voor het eerst zijn ingezien door historici. Anderzijds: de fbi droeg alle King-opnames in 1977 over aan het nationaal archief, waar ze vijftig jaar geheim gehouden moeten worden. 2027 was, kortom, een logischer jaar voor een King-documentaire geweest, simpelweg omdat er dan (veel) meer materiaal beschikbaar zal zijn en er weer iets meer vraagtekens weggenomen kunnen worden.

Toch voelt dat laatste amper als een gemis bij MLK/FBI. Deze documentaire draait geen moment om onthullingen of om een eindoordeel, maar om Kings aanhoudende strijd met, tja, de wereld waarin hij leefde. De parallellen tussen zijn tijd en het heden zijn daarbij eenvoudig te trekken, waarschijnlijk heeft Pollard deze documentaire daarom juist nu gemaakt. Hij hoeft de overeenkomsten niet eens expliciet te benoemen, de afgelopen jaren zijn die stuk voor stuk weer extra zichtbaar geworden.

Misschien is dat uiteindelijk nog wel het pijnlijkst aan dit hele verhaal. Niet hoe King zelf zo gruwelijk werd tegengewerkt en in zekere zin de dood in werd gejaagd, maar hoe weinig er sindsdien op veel vlakken in Amerika veranderd is. Ook nu wapperen er nog trotse confederate-vlaggen bij nationalistische demonstraties, net als in Kings actiefste jaren. Ook nu is er volop verzet zodra Afro-Amerikanen voor zichzelf opkomen, niet in de laatste plaats vanuit overheidsinstellingen. Ook nu heerst er immense angst voor gelijkheidsstreven en voor alles wat naar communisme riekt (waarmee bijvoorbeeld presidentskandidaat Bernie Sanders moeiteloos buitenspel werd gezet). De treurige slotsom die zich tijdens de aftiteling opdringt: de poppetjes van Kings en Hoovers tijd zijn ingeruild voor nieuwe gezichten, de technieken zijn aangepast, de ergste zonden zijn inmiddels veroordeeld. Maar in grote lijnen is het gevecht dat King voerde nog steeds gaande, en die darkest page van de fbi is helemaal niet zo uitzonderlijk als mensen graag willen geloven.

Martin Luther King vs. the FBI draait vanaf 7 oktober in de bioscoop