De donso n’goni professioneel belicht Wereldmuziek

De donso n’goni professioneel belicht

Wereldmuziek omvat opzwepende jagersmuziek in Bamako (Mali) en Utrecht, en ook clubbing in de stijl van de Bucovina (Oekraïne). Op de Womex, de internationale beurs voor Wereldmuziek in Gateshead (Newcastle), was te zien hoe de wereldmuziek zich ontwikkelt.

Sinds haar ontstaan als een Duitse beurs voor wereldmuziekprogrammeurs en bands om elkaar te ontmoeten, is de Womex in Gateshead, Newcastle, uitgegroeid tot een niet te missen evenement voor iedereen die zich met wereldmuziek bezighoudt. Hier krijg je een goed beeld van wat in het komende concertseizoen hot and not zal zijn. De Womex bestaat uit drie delen: centraal staat de handelsbeurs, daarnaast zijn er showcases waar bands zich aan publiek en programmeurs tonen, en ten slotte is er de bar waar al het netwerkonderhoud wordt gedaan. Kees Klop, uitgever-distributeur van veelal lusafone (Portugeestalige Afrikaanse) wereldmuziek, typeert de Womex desgevraagd als volgt: «Het verschil met de Midem in Cannes, met tienduizend deelnemers de grootste beurs voor muziek, is dat in Cannes coke-doorsnoven types ongelooflijk opgefokt rondrennen omdat ze van hun bazen – op straffe van ontslag – hun targets moeten halen. Vergeleken daarmee is de Womex met twee duizend deelnemers een eiland van beschaving in een zee van bederf. Natuurlijk lopen hier gehaaide zakenlieden rond, maar de liefde voor de muziek overheerst.»

Hoe ziet de wereldmuziekindustrie er tegenwoordig uit? Generaliserend: Amerika is op wat overjarige hippies na vrijwel geheel afwezig. Stijlvol geklede Franse programmeurs en journalisten zijn juist goed zichtbaar, net als alternatieve Spaanse boekers en muzikanten. Eigenzinnige Belgische wereldmuziekfestivals als Sfinks en Couleur Café ontlenen hun aantrekkelijkheid overigens juist aan hun niet-Womex-gebonden programmering: Belgische en Franse programmeurs doen, meer dan hun Nederlandse collega’s, aan talentenjacht op locatie in Afrika en Zuid-Amerika. De Britse wereldmuziekpers (fROOTS; Songlines; Straight, No Chaser) geeft, samen met Franse bladen als Mondomix en Vibrations, internationaal de toon aan. Nederland speelt op dat gebied (ik constateer het met spijt) geen enkele rol, hoewel er wel op initiatief van De Slagwerkkrant een besloten discussie werd georganiseerd om maar weer eens een Nederlands wereldmuziekblad te proberen, de vijfde poging in de Nederlandse persgeschiedenis.

Voor muzikanten moet het een verzoeking zijn om op de Womex hun showcases te doen. Op het podium staan veelal zwarte bands zich het zweet uit het lijf te werken, terwijl in de zaal veelal blanke programmeurs onderuitgezakt in hun stoelen met tergende argwaan het getoonde wegen en proberen in te schatten op «haalbaarheid». De Ghanese zanger en luitspeler Atongo Zimba, die een week eerder in het Amsterdamse Zaal 100 nog een triomfantelijk concert gaf, verkrampte volkomen bij de aanblik van zoveel professionele scepsis. Alleen het New Yorkse salsaorkest Spanish Harlem Orchestra wist met sublieme Amerikaanse arrogantie vanaf de eerste noot de zaal te overtuigen. Veruit de meest inspirerende showcase werd gedaan door een innemende deejay, die in Duitsland razend populaire clubnights organiseert onder de naam Bucovina Club. DJ Shantel (Stefan Hantel, wonend in Frankfurt, Duitse vader, Roemeense moeder), een charismatische entertainer, greep direct naar de microfoon om al het opgewonden gekrakeel van de Womex van ironisch commentaar te voorzien. Zijn publiek bestond voor de verandering uit jonge wereldmuziekprofessionals; de oudere generatie lag na drie doldwaze beursdagen waarschijnlijk haar roes uit te slapen.

De Womex is dus een ideale gelegenheid om eens per jaar dat merkwaardige wereldje van de professionele wereldmuziek eens van een afstand te observeren. Tussen de ervaring van «pure» muziek, op locatie, en het geprofessionaliseerde entertainment van de westerse podia en platenmaatschappijen zit immers een enorme kloof.

In januari 2004 had ik, op reis in Mali, het geluk een privé-concert te mogen bijwonen van Sibiri Samaké. Voor het eerst kon ik roots muziek op locatie ervaren, in Samaké’s compound te Sébénikoro, in de buurt van de Malinese hoofdstad Bamako. Samaké behoort tot de donsoton (genootschappen van jagers), maar is in Mali ook beroemd vanwege zijn (inmiddels beëindigde) bokscarrière. In prekoloniale tijden hadden leden van deze genootschappen een centrale rol in de samenleving, omdat zij het voedsel leverden. Donso genieten nog steeds dat aanzien; tegenwoordig zijn ze vooral geliefd vanwege hun cultmuziek, die door cassetteverkoop en radioprogramma’s heel populair is. Het is een levendige subcultuur: in 2001 kwamen tienduizend donso bijeen in een stadion in Bamako. Tijdens deze bijeenkomst liep Samaké naar verluidt rond met het gezag van een scheidsrechter.

In Samaké’s compound, waar het naar goed niet-westers gebruik steeds een komen en gaan was van leden van zijn extended family, werden de westerlingen getrakteerd op een intens concert, met een gebakken Nigervisje en een hap rijst toe. Malinese jagersmuziek is krachtig, funky en aards en volgens experts als Lucy Durán (docente aan de School of Oriental and African Studies in Londen) zijn er ook genetische verbanden met Noord-Amerikaanse blues en Noord-Afrikaanse gnawa. Hoe het ook zij: dit is de rootsmuziek waardoor hedendaagse Mali nese artiesten als Oumou Sangaré, Habib Koité en Issa Bagayogo zich laten inspireren.

Op 12 november staat wereldmuziek centrum Rasa in Utrecht in het teken van de donso-cultuur. Het muziek- en dansensemble van Sekouba Traoré geeft een klinkende demonstratie. De groep van Traoré bestaat uit twee bespelers van de donso n’goni (zessnarige harpluit) en drie percussionisten (twee raspen, een rammelaar). Zodra Sekouba en zijn tweede solist hun instrumenten oppakken, beginnen die aan alle kanten te resoneren en geluid te veroorzaken: een machtig, fascinerend tafereel. De donso n’goni lijkt op de kora, maar ziet er in alle in aardtinten gekleurde weerbarstigheid uit als de punkversie van dit bekende instrument. Meest opvallende kenmerk: het gebogen ijzeren blad aan het einde van de hals, waarin los gemonteerde ringetjes nog eens extra herrie veroorzaken. Zichzelf begeleidend op de donso n’goni, en ondersteund door drie percus sionisten, grossiert Sekouba Traoré in trance veroorzakende, diepe grooves, en zingt over hoe je beesten vangt. Har mo nische progressie hoeft men niet te verwachten bij deze trancemuziek, hoewel de wijze waarop de twee bespelers van de donso n’goni hun rudimentaire melodielijnen door elkaar weven virtuoos is. Toch is de context van dit concert in Utrecht die van «hoge» kunstmuziek, met als achtergrond stemmig zwarte gordijnen en een enorme afstand tussen het (roerloze, zwijgende) publiek en de band. Je vraagt je niet alleen af wat het publiek hiervan denkt; nog veel interessanter is de vraag hoe het voor de musici moet zijn om geconfronteerd te worden met een publiek dat lui in de stoelen hangt, met de bedachtzame luister pose die bij klassieke muziek schijnt te horen. Hoe zouden Sekouba Traoré en zijn muzikanten het Nederlandse publiek zien?

Nu ik dezelfde rootsmuziek in twee compleet tegengestelde omstandigheden heb mo gen ervaren denk ik dat die westerse uitvoeringspraktijk helemaal zo gek nog niet is. Mensen die fulmineren tegen de steriele uitvoeringspraktijk van Afrikaanse muziek buiten Afrika veronderstellen vaak de mogelijkheid van de authentieke, pure ervaring – een mooie gedachte, misschien, hoewel die zoektocht naar zuiverheid zeker ook dubieuze connotaties heeft. Maar is niet ieder interessant cultureel fenomeen altijd een mengvorm, die direct haar spankracht verliest zodra men zich gaat bezighouden met de slaapverwekkende vraag of het wel puur genoeg is? Die-hard liefhebbers van tango, fado en salsa hebben wat dit betreft waarschijnlijk meer overeenkomsten dan verschillen.

Helaas wemelt het in de wereldmuziek, waar het veronderstelde puurheid betreft, nog steeds van de verstikkende clichés, vooral in de journalistiek. Deels is het een kwestie van de kritiek: in de Nederlandse pers wordt wereldmuziek vaak even stilzwijgend als rigoureus langs de meetlat van jazz of klassiek gehouden. Zelden wordt ze fris van de lever, op eigen merites of met liefde voor de zaak beoordeeld. Interessante ontwikkelingen in de actuele wereldmuziek vallen tussen wal en schip: voor popjournalisten is het vaak veel te exotisch om er aandacht aan te schenken en voor de schaarse wereldmuziekcritici is actuele wereldmuziek vaak verdacht, want populair, en dus gericht op effectbejag, of (nog erger!) dansen. Zo blijven kritiek en publiek maar lonken naar die geïdealiseerde, vergeten Afrikaanse steppen, respectievelijk Argentijnse tangosalons, Portugese fadohuizen, New Yorkse salsanachtclubs. Waarmee men veronderstelt dat het ook echt mogelijk moet zijn om die pure, ware, intense muziekbeleving deelachtig te worden. Daarbij wordt vergeten dat ook niet-westerse musici gebruiksmuziek kennen, voorzien van gelijke delen waarachtigheid en effectbejag.

De praktijk is banaler. Zo zal ik nooit vergeten hoe tijdens Le Festival au Désert in Essakane (in de buurt van Timboektoe) een chaotische bende soldaten het publiek steeds verbood op te staan om te dansen, omdat anders de aanwezige hoogwaardigheidsbekleders het zicht op het podium werd onttrokken. Reis je naar Timboektoe om Afrikaanse muziek in Afrikaanse context te ervaren, wordt er niet gedanst! Zo bekeken was het in Utrecht genieten. Zoals de muziek en dans van Sekouba Traoré in Rasa te beleven waren, met superieure geluidskwaliteit en professionele belichting, stelt het de luisteraar misschien nog wel beter dan in Afrika in staat om met een analytische blik naar oeroude trancemuziek te kijken. Juist door die donsoton zo abstract te presenteren, tegen zwart doek, met zo min mogelijk externe ruis, valt ze, mits voorzien van een goede concerttoelichting, beter te begrijpen voor een publiek dat uit de aard der zaak westers is en dus waarschijnlijk onbekend met Malinese jagerscultuur.

Op het Crossing Border Festival in Den Haag staan op 19 november twee klinkende Mali nese namen op het programma: Boubacar Traoré, onlangs nog liefdevol geportretteerd op de dvd Je chanterai pour toi, en Salif Keita, wiens nieuwste album M’Bemba meesterlijk verder gaat op de op Moffou (2002) ingeslagen akoestische landweg. Van Sibiri Samaké is de cd Mali: Musiques des chasseurs (Buda Records) verkrijgbaar. Van Shantel verscheen onlangs Bucovina Club volume 2 (Essay Recordings)