De dood aan het werk

Het pratende hoofd is het fundament van nagenoeg iedere documentaire. Dat kan snel saai zijn. Zelfs op een zeer karakteristieke kop raak je op den duur uitgekeken. Een beproefde oplossing voor dit probleem is het op sleeptouw nemen van het slachtoffer naar een betekenisvolle plaats. De plaats waar het vertelde verhaal plaats vond; le lieu du crime.

In de documentaire over Herman Brood (Rock ‘n’ Roll Junkie van Jan Eilander, Ton van der Lee, Eugene van de Bosch en Frenk van der Sterre) die momenteel in een aantal theaters te zien is, wordt letterlijk de plaats van een misdaad bezocht. Het sex-drugs-&-rock 'n’ roll-fenomeen van de lage landen staat in een pittoresk straatje voor een keurig gerestaureerd geveltje en verhaalt smakelijk over een kruimeldiefstal.
Hier werkt het niet. De gerenoveerde stenen spreken niet en het fenomeen verschrompelt in het heldere Van gewest tot gewest-daglicht. De plaats was hier kennelijk te gewoon.
Een stuk leuker is dan de onverwachte visite die Brood aflegt bij Nina Hagen. Vooral het moment vlak voor de ontmoeting. De oude lefgozer staat schijnbaar bedremmeld in de gang van een opnamestudio te wachten. Hij wil zogenaamd nog niet storen, maar alles wijst op timing en theater. Een diepgeworteld gevoel voor het moment.
Het is een mooi moment in een documentaire die onderhoudend is, maar nergens echt bijzonder. Aan het onderwerp kan dat niet liggen. Of misschien toch wel. Het beest Brood lijkt garant te staan voor smakelijk voer voor voyeurs en op gepaste momenten kan er een lekker stukje muziek worden geserveerd. De ingredienten zijn goed geordend opgediend, maar ook niet meer dan dat. De bijzonderheid van het onderwerp maakte kunstgrepen kennelijk overbodig.
Gebruikmakend van de herhalingsmogelijkheden in Utrecht zag ik ook een andere documentaire over een Nederlands muziekfenomeen: de film van Kees Hin over De Volharding. Hin ging ook op reis naar de plaats van de misdaad. Met twee Volharders ging hij naar Chili en in Chili reisden ze terug in de tijd naar het begin van de militaire dictatuur. Een zoektocht naar herinneringen aan De Volharding van weleer.
Hin maakt het zich niet gemakkelijk. Hij neemt geen genoegen met een voor de gevel verteld verhaal. Zit in de gevel een deur, dan gaat hij naar binnen. Staat achter de deur een kast, dan moet die open. Bevat de kast een doos met oude cassettebandjes, dan moeten die worden beluisterd. Als het gezochte bandje ontbreekt, dan wordt de speurtocht voortgezet. Juist voortgezet omdat, of misschien zelfs opdat, het gezochte onvindbaar zal blijven.
Het is dit soort hardnekkigheid die de film over Brood tot meer dan een aardige documentaire had kunnen maken. Die had kunnen maken dat er echt naar de muziek werd geluisterd en dat er iets meer onthuld zou worden van wat het fenomeen voor zijn omgeving en zijn aanhang betekent.
Film, Cocteau zei het en het blijft gelden, is de dood aan het werk. De in de documentaire over Brood verwerkte oude opnamen van de jonge Brood tijdens concerten zijn daardoor onthutsend materiaal. Die blakende jonge god en die versleten man die rammelt als zijn mishandelde piano zijn een en dezelfde. De filmmakers laten het bij het tonen van het frappante contrast, terwijl de vraag zich opdringt of de Brood van de legende nog wel bestaat.
Voor Hin bestaat er tussen De Volharding van toen en die van nu een wereld van verschil. Ook als de musici na jaren terug in Portugal - weer het bezoek aan de plaats van de misdaad - het gevoelige strijdlied van weleer spelen, ziet en hoort Hin een geheel ander orkest. Dat brengt de ontwikkelingsgeschiedenis van het orkest met zich mee en misschien kent Brood wat dat betreft minder ontwikkeling.
Het gaat ook niet om het vergelijken van appels en peren, maar om kijken, vragen en luisteren. Zo zou er over De Volharding een aardige, onderhoudende en informatieve documentaire te maken zijn zoals er over Herman Brood vast een tegendraadse en verrassende film te maken is.