Interview: Bart Chabot «De dood accepteer ik niet»

«De dood accepteer ik niet»

Bart Chabot is naar eigen zeggen lang «de minst dan wel de slechtst besproken schrijver van Nederland» geweest. Het tij lijkt te keren nu Gerrit Komrij zijn talent heeft erkend. Een gesprek met een geboren dichter, die gefascineerd is door de dood.

Scheveningen, donderdagochtend. De grijze golven van de Noordzee slaan stuk tegen de Pier. Harde wind. Het regent een beetje. Schrijver/dichter Bart Chabot poseert voor de fotograaf. Hij trekt gekke bekken, springt als een jonge hond over het strand. De glazen van zijn grote hoornen bril zijn beslagen, maar dat hindert hem niet. Onvermoeibaar slaat hij poses aan in zijn wapperende Hema-jack. Er gebeurt iets met Bart Chabot wanneer er een camera op hem wordt gericht. Van een aarzelende, naar zijn woorden zoekende, introverte dichter verandert hij in een ADHD’er van bijna twee meter.
Het is alsof er een knop omgaat. Zo voelt hij dat ook. Het gebeurt in een flits, in een moment van ultieme hunkering naar aandacht. Daarom is hij er ook zo gek op om op televisie te verschijnen. Net voor het interview plaatsvindt heeft Chabot van de redactie van Barend en Van Dorp te horen gekregen dat hij voor vier optredens in de talkshow staat ingeboekt. Bart Chabot vertelt het met samen gebalde vuisten, als een winnende coach na het laatste fluitsignaal. Als hij zou kunnen, zou hij elke dag op televisie willen zijn. Beestjes raden bij Waku Waku, peentjes zweten bij Het Nationale Dictee, een prettig gesprek bij Ontbijt-tv, ze mogen hem ervoor uit zijn bed bellen. «Ik heb het nodig. Ik gebruik geen drugs, drink niet, rook niet, ik heb geen internet, geen 06, maar die aandacht heb ik nodig.»

Ik hou niet van theater
Ik hou van echt
probleem is:
alleen in het theater ben ik echt

Dat is meteen de reden van veel misverstanden over Bart Chabot. De critici zijn geneigd hem te verwarren met het personage dat hij vertolkt in de media, Mister Hyper. De naar lucht happende, wijdogige speedfreak die als een machinegeweer woorden uitspuwt. Zo kennen ze hem van zijn eerste doorbraak als poëtische performer met het reeds klassieke De Dag dat de Derde Wereldoorlog ook aan Ons Land Niet Onopgemerkt Voorbijging, en zo denken ze dat hij nu nog is. Maar er is in de loop der jaren heel wat gebeurd met Bart Chabot. Hij is sadder and wiser. Trouwens, hij wordt maar zelden gerecenseerd. «Ik ben de minst dan wel de slechtst besproken schrijver van Nederland», constateert hij zelf. «Ze vinden me de schreeuw dichter, banaal, beslist niet literair verantwoord. Als ik op een boekenmarkt of iets dergelijks een criticus tegenkom, krijg ik niet eens een hand. Carel Peeters bijvoorbeeld. Die zag ik een keer bij de uitgeversbeurs Vers voor de Pers. Het was alsof God! binnenkwam. Iedereen begon te buigen en kopjes koffie aan te bieden. Het was meneer Peeters voor en meneer Peeters na. Hij gedroeg zich als een literair opperwezen, dat hoog boven de gewone letterknechten was gezeteld. Goed, ik geef meneer Peeters dus een boekje van mijn hand. Waar het over ging, wilde hij weten. ‹Popmuziek›, zeg ik. Meteen gooide hij het boekje weg, alsof hij bang was er een besmettelijke ziekte door op te lopen. Popmuziek, jakkes! Tot zo ver het wanhopige relaas van mijn relatie met de vaderlandse literaire kritiek, waar ik zoals je kunt zien zwaar onder gebukt ga. Als ik lof krijg toegezwaaid, is het van collega-schrijvers. Zoals Martin Bril en Joost Zwagerman. Die zien dat die Chabot toch echt wel wat kan. En sinds kort dan ook Gerrit Komrij.»

Inderdaad, Komrij. De ex-Dichter des Vaderlands schreef een klinkende lofzang op Bart Chabot als nawoord bij de recente uitgave van diens verzamelde poëzie, Greatest Hits Volume 1 genaamd. Daarin noemt hij Chabot «een mysticus» die «op eigen manier Orfeus en het schaduwrijk speelt». Komrij spreekt van «mystieke gedichten, en toch die indruk van rauwe, uit het leven gegrepen verhalen». «Je bent gevoelig voor het geheime leven achter het schijnbaar alledaagse leven van Bart Chabot of je bent het niet», schrijft Komrij. «Voor de echte mysticus bestaat er geen hiërarchie. Zijn paradijs is een grensgebied, een niemandsland. Bart Chabot probeert voortdurend een overgangstoestand vast te prikken en greep te krijgen op de ‹interzone›. De zone tussen het alledaagse leven en de ijstijd, de leegte, hoe je het noemen wilt. Leegte is niet alleen essentieel voor de woordkarige deconstructivist, ook voor de absurdist en de mysticus.»
Bart Chabot: «Komrij schrijft niet zo veel van die gelegenheidsstukjes in bundels van collega-dichters. Ik was zeer verbaasd toen hij inging op het verzoek van mijn uitgever. Ik dacht: dat doet hij nooit. Toen hij dus wel bereid bleek, kneep ik ’m flink. Ik dacht: daar moet een addertje onder het gras liggen. Je zult zien, straks breekt hij me tot de grond toe af. Maar dat viel dus mee. Toen ik zijn stukje las, viel ik bijna van verbazing achterover. Ik vond het ongelooflijk hoe griezelig goed hij mijn poëzie heeft aangevoeld. Wat mij betreft staat dat stukje van Komrij gelijk aan het winnen van de Nobelprijs voor de literatuur. Daar doe je het allemaal voor, als dichter.»

_wij liepen aan zee
mijn vader mijn moeder en ik
zomer 1958
ik was vier

– de wind
wast
mijn haren
schoon – schijn ik
te hebben gezegd

– godallemachtig – riep mijn vader uit
hij keek mijn moeder aan
– het zal toch geen dichter
wezen, he? –_
Aldus het openingsgedicht Op Scheveningen waarmee Greatest Hits Volume 1: Verzameld werk (1954-2004) wordt ingezet. Wie verder leest in de ruim vierhonderd pagina’s beslaande bundel kan alleen maar het gelijk van vader Chabot bevestigen. Bart Chabot is een geboren dichter. Een verguisde dichter, maar dat zijn vaak de beste. Zijn poëzie is bedrieglijk eenvoudig. Het zijn alledaagse sensaties die hij oproept, in kale zinnen zonder opsmuk, maar daarachter voelt de lezer een gloeiende lavabrij smeulen. Niets is wat het lijkt. Het alledaagse wordt surreëel, en het surreële alledaags. Vaak lijken de gedichten autobiogra fisch, maar ook bij Chabot is «ik een ander». De dichter zet maskers op om zijn wanhoop te verbergen. Voortdurend is de dood aanwezig, met God (of Elvis) meestal niet ver uit de buurt. De dood lonkt, de dood verleidt, de behoefte om te rusten met de doden is groot. Voortdurend zijn zijn protagonisten met lijken in de weer. Dierbare overledenen ! worden het liefst in de achtertuin bewaard. Grafschennis is een ander hardnekkig terugkerend thema. Achter het alledaagse universum van Chabot smeult een gothic schemerwereld, de morbiditeit van graaf Dracula in een Hollands polderlandschap.
Daarnaast is Chabot een rapporterende dichter. In droge oneliners schrijft hij treffende portretten van ontmoetingen en herinneringen. Zo beschrijft hij een bezoek aan het graf van zijn metgezel en idool Herman Brood. Pijnlijk in zijn droge, rapporterende stijl is het gedicht a. moonen, over een ontmoeting met de volstrekt verloederde collega-literator A. Moonen in zijn Rotterdamse bovenwoning.
Bovenal zijn de gedichten van Bart Chabot extreem Hollands. Het Hollandse landschap, met zijn lage grijze luchten en in zichzelf gekeerde bomen, duikt voortdurend op. Het is een landschap dat geen troost biedt, de eenzaamheid van de dichter wordt er alleen maar door versterkt, maar tegelijkertijd is het een magisch terrein, waar onzegbare geheimen verborgen liggen. Chabot: «Ik heb geen exotische decors nodig. Het Nederlandse landschap is even mystiek als de Amerikaanse prairies. Lage Zwaluwe is in principe even rock-’n-roll als Memphis, maar je moet het wel wíllen zien.»

_op een dag
ging het mis
het regende herfst
een uitgelezen dag om jezelf
te verhangen
op zich misschien
niet zo bijzonder
je hebt allemaal weleens
zulk soort dagen?
maar dit was anders

voor mijn hoofdpersoon
mijn ik
want dit was de zoveelste dag
van het zoveelste jaar
de zóveelste keer
ik voel me januari
de zon heeft de kracht van een waakvlammetje
goed genoeg voor deze planeet
maar niet voor mij_
(uit: Zand erover)

Chabot: «Dat gedicht schreef ik toen het echt kantje boord was geweest, niet lang nadat Herman (Brood – rz) er vantussen was gegaan. Ik voelde de zinloosheid van het leven als nooit tevoren. Gene zijde riep. Ik accepteer de dood niet, maar ik ben er ook niet buitengewoon bang voor. Voor mij is de dood niet het einde. Death is not the end, zoals Dylan zong. De doden zijn onze metgezellen, even echt of onecht als de levenden. Daar moet je niet dogmatisch in zijn. Zoals Colonel Tom Parker zei bij de dood van Elvis: ‹Elvis didn’t die. The body did. It don’t mean a damned thing. This changes nothing.›»
Het is niet de eerste en niet de laatste keer dat Chabot Elvis aanroept. Hij is geboren in 1954, het jaar dat de rock-’n-roll werd uitgevonden, dat Elvis Presley kwam met That’s Allright Mama. Elvis is het heilige opperwezen in Bart Chabots universum. Elvis reïncarneerde, zoals heilige opperwezens plegen te doen. Herman Brood was zijn laatste vleselijke manifestatie. Chabot wijdde een vierdelige biogra fie aan dat fenomeen, die behoort tot de absolute top van de Nederlandse popjournalistiek.
Kort geleden kwam hij met de verhalen bundel Elvistranen. In het titelverhaal gaat hij op bedevaart naar een huilend Elvis-beeld in Deurne. Het is een typisch Chabot-verhaal, ogenschijnlijk bijna journalistiek van opzet – New Journalism dan wel – maar culminerend in een psychedelisch-religieuze catharsis. De lezer voelt in iedere pagina de pijn van de schrijver, vertolkt door de bezitter van het huilende Elvis-beeld, Toon Nieuwenhuisen, die geen romanfiguur is, maar daadwerkelijk bestaat. Hij ging tot voor kort als Elvis-imitator door het leven en prijkt dan ook in vol Elvis-ornaat op het omslag van Elvistranen.
Nieuwenhuisen, zo blijkt uit het verhaal van Chabot, is meer dan een imitator. Hij staat in contact met Elvis. Elvis gebruikt het lichaam van Nieuwenhuisen als medium. Vandaar dat die als enige ter wereld beschikt over een huilend Elvis-beeld. Chabot schrijft het nergens, maar de lezer kan zich niet aan de indruk onttrekken dat hij en Nieuwenhuisen in hetzelfde schuitje zitten. Zoals de Brabander de profeet van Elvis is, zo is Chabot die van Brood, de Nederlandse Elvis. Beiden leven postume levens.
Chabot: «Als je de eerste beelden ziet van Elvis op het podium, tijdens zijn legendarische optreden op de Louisiana Hayride, zie je al meteen: dat kán niet goed aflopen, zoals mensen dat vroeger ook met Jeanne D’Arc moeten hebben gehad. Het was te veel. Er was iets met Elvis dat het drama al aankondigde. Hij belichaamde de American Dream en ging met haar ten onder. Dat maakt hem ook zo groot en onaantastbaar tegelijk. Albert Goldman heeft als biograaf geprobeerd de mythe van Elvis te ontkrachten, door hem af te kraken, maar het effect was dat Elvis nóg groter werd. Elvis is het ultieme religieuze symbool van de twintigste eeuw, daar is geen anti-biograaf tegen bestand, dus ook Goldman niet.»
In Elvistranen besteedt Chabot ook aandacht aan een mysterie in het leven van Elvis’ legendarische manager, «Colonel» Tom Parker, die eigenlijk Andries van Kuijk heette en werd geboren in Breda. Van Kuijk nam op jonge leeftijd de boot naar Amerika en veranderde zijn naam. Chabot stuitte op aanwijzingen dat Van Kuijk, die in de VS door het leven ging als hamburgerverkoper alvorens zich als impresario te ontwikkelen, het moederland moest ontvluchten wegens moord op een vrouw. De informatie betrok Chabot indirect van een neef van de «kolonel», die op het punt stond de hele zaak uit de doeken te doen toen hij in een hotelkamer in Torremolinos stierf aan een hartaanval.

Toen Herman Brood en zijn Wild Romance hun eerste triomfen vierden in de jongerensozen van Nederland was Bart Chabot luitenant bij de koninklijke luchtmacht. Medio jaren zeventig. Nederland was een vredig paradijsje. Chabot: «Ik hield wel van het leger. Het archaïsche taalgebruik, de rangen en standen, de groepscodes, ik vond het wel fascinerend. Bovendien leerde je nog eens wat als verbindingsofficier. Zo werd uitgelegd hoe een telefoon werkt. Dan gaat er toch een wereld voor je open. In die tijd begon ik mijn eerste gedichten te schrijven. Het was meer een manier om mijn gedachten te ordenen. Ik merkte al snel dat dat helemaal my cup of tea was. Er gebeurde iets als ik schreef. Ik vond het wonderbaarlijk hoe je met een paar woorden een hele wereld kon oproepen. Een gedicht is in wezen helemaal niet zo anders dan een rock-’n-roll-song. De intro, de coupletten, de break: de dichter gebruikt dezelfde technieken als de song writer. Op het p! odium is er helemaal geen verschil. Net als een band moet de dichter op het podium proberen zijn publiek bij de ballen te grijpen. Je moet ze meevoeren naar je wereld. Je moet de mensen veroveren. Ik zie ook wel andere dichters voorlezen, en daar word ik vaak heel droevig van. Die lui staan daar maar een beetje voor zich uit te murmelen, en dan nog eens op zo’n domineestoontje en met een strakke kop, zo van ‹Hier Wordt Grote Kunst Bedreven›. Dat is dus niks voor mij. Dan toch liever maar een schreeuw dichter.»