Bezoek aan de Amerikaanse dodencellen

De dood dringt binnen

In 38 Amerikaanse staten wordt de doodstraf nog toegepast. De executie, vroeger door het vuurpeloton, ophanging of elektrocutie, geschiedt tegenwoordig met een dodelijke injectie. Schrijver William Richardson bezoekt Death Row.

Huntsville, ten noorden van Houston, was altijd beroemd als de geboorteplaats van Sam Houston, de legendarische stichter van de republiek Texas. Langs de snelweg staat een standbeeld van hem, vijftig meter hoog, uit glanzend witte steen gehouwen. Ooit zou Huntsville de hoofdstad van de staat worden. Tegenwoordig is het beroemd vanwege iets anders: Huntsville is de dodelijke-injectiehoofdstad van de wereld. Een perfect, pittoresk Deep South-stadje, met een Death House, een groep dodencellen, eraan vast. Twee straten van het gerechtsgebouw vandaan staat de gevangenis. Die noemen ze «De Muren». Binnen De Muren is de Doodskamer. Drie executies zijn gepland voor deze week: dinsdag, woensdag en donderdag. Je kunt er de klok op gelijk zetten. Een dodelijke injectie geeft een schone, steriele dood. Vergelijkbaar met hoe dierenartsen honden afmaken.

Er zitten in Amerika 3500 mensen op Death Row; 455 in Texas. Volgens de statistieken is 75 procent van de Amerikanen vóór de doodstraf, maar in Texas kan het wel eens hoger zijn. Wanneer ze een gevangene op Death Row executeren, staat er op de overlijdensakte: «moord».

Ik kom van ver om op bezoek te gaan bij Death Row-gevangene Thomas Miller-El. Een zwarte man uit Houston veroordeeld voor de moord op een blanke man in Dallas. Honderd telefoontjes. Ongelogen. Het kost een schrijver veel moeite om op bezoek te gaan op Death Row. En het kost één grote fout om daar terecht te komen.

Larry Fitzgerald verwelkomt me. Ik zag hem in een CNN-documentaire in mei. Het is nu de laatste week van juni en ik zit in zijn kantoor. Hij is de perswoordvoerder voor Death Row. Alle wegen leiden naar Larry Fitzgerald. Als je een gevangene wilt interviewen is Larry’s hulp absoluut noodzakelijk. Hij beslist. Een week geleden vertelde Larry me aan de telefoon: «Als ik het vraag, wil Thomas wel met iemand praten.» Ik hoopte het.

Er staat een citaat op Larry’s bulletin board: «Oh Lord, save me from the do-gooders and I will take care of the badasses myself.» Nog geen honderd meter verder ligt de Doodskamer. Een lange man met grijs haar en een snor. Hij praat langzaam. Dat is van de vermoeidheid. Hij heeft een diepe, schorre stem. Dat is van de sigaretten. Hij rookt Camels zonder filter. Hij draagt cowboylaarzen. Dat is Texas style. Hij heeft de manieren van een begrafenisondernemer. Dat is van het zien doodgaan van mannen.

Hij is 64.

«De executie morgen om zes uur wordt voor mij de 180ste», zegt hij zacht. Executies zijn in de loop der jaren veranderd, legt hij uit. Ze waren vroeger om middernacht. Een ritueel dat werd bijgewoond door dronken studenten die buiten de gevangenismuren herrie schopten. «Als de cafés dichtgingen, kwamen ze hierheen om te wachten», zegt Larry. In 1996 wijzigde Texas het doodsuur van middernacht in zes uur ’s middags. Dat is in het voordeel van de gevangene: zijn advocaten krijgen daardoor de kans om op het laatste moment in beroep te gaan. «Hoe meer media en hoe meer getuigen, hoe beter», zegt Larry.

Later staan we buiten voor de gevangenis sigaretten te roken. «Dat daar is de ingang. Je zult vanavond om zes uur de getuigen naar binnen zien gaan», zegt Larry.

Went het ooit om mannen te zien sterven?

«Soms grijpt het me naar de strot», zegt hij. «Als ik die man goed kende. Maar ik lig er niet wakker van. Ik blijf het in proporties zien. Je moet vertrouwen hebben in het recht.» Hij trapt zijn Camel uit met de hak van zijn laars. Een innemende man. Een professional. Doet gewoon zijn werk.

Robert Coulson, berouwloos, sterft vandaag. Hij werd veroordeeld voor de moord op vijf leden van zijn adoptiegezin en het in brand steken van het huis. Motief: erfenis. Geen lekkere jongen.

Achter de ramen zie ik gevangenen. Een kleine groep demonstranten wacht. Sommigen gaan al jaren naar executies. Een gebeurtenis die in Europa duizenden toeschouwers zou trekken, trekt er hier een stuk of tien. Er staan twee televisie wagens uit Houston. Twee perfect geklede knappe jonge verslaggeefsters paraderen heen en weer en proberen er belangrijk uit te zien. Alles is rustig.

Dan zie ik de getuigen naar binnen gaan. Vijf mensen van de media, vijf familieleden van het slachtoffer, vijf getuigen voor Coulson. Binnen zijn acht kleine «bewaarcellen». In één ervan is een douche. Een opgevouwen handdoek. Twee stukken blauwe zeep. Een deur leidt naar een klein zaaltje, zoiets als een ziekenhuiskamer. In het midden staat een tafel. Door een klein raampje kunnen de getuigen toekijken. Geen rode telefoon zoals in de film.

Dadelijk zullen ze zien: Coulson die op de «brancard» of moordtafel wordt gebonden. Coulson die naalden in zijn armen krijgt ingebracht. Coulsons laatste verklaring. De toezichthouder die zijn bril afzet ten teken dat de executie gaat beginnen. Coulson die in slaap valt. Natriumthiosulfaat. Coulsons ademhaling die stilvalt. Pancuroniumbromide. Coulsons hart dat stopt. Kaliumchloride. Coulson dood met open, starende ogen. Coulsons getuigen die tranen wegvegen. De familie leden van Coulsons slachtoffer die hun wraak proeven. Coulsons mediagetuigen die aantekeningen maken en naar het lichaam staren.

Er is een man met een strohoed. Hij heet Dennis Longmire. De gevangenen, die deze hoek kunnen zien door het raam, noemen hem «de man met de kaars». Hij is vanuit die hoek getuige geweest van 250 executies, altijd met een kaars in zijn hand. Hij is hoogleraar criminologie aan Sam Houston State, de plaatselijke universiteit. De grootste afdeling criminologie van de VS. Er zijn 13.000 studenten. En niet een van hen is hier.

«Raak je er ooit aan gewend?» vraag ik aan Dennis.

«Nee», zegt hij. «Nooit.»

We wachten.

Om zes uur rijdt er een man in een truck langs en schreeuwt: «Kill the bastard!» Dan geeft hij gas en laat zijn banden gieren als een puber die op zaterdagavond de bink uithangt. Na korte tijd neemt Larry de getuigen en de media mee naar binnen.

We kijken naar de grote klok boven de ingang van de gevangenis… Er klinkt een fluitsignaal.

Om 18.20 uur komen ze allemaal naar buiten. Larry Fitzgerald leest een verklaring voor: «Om 18.01 werd hij uit de cel gehaald. Om 18.03 werd hij op de ‹brancard› gebonden. Om 18.04 begon het inbrengen van de zoutoplossing. Om 18.07 gaf hij zijn laatste verklaring. Om 18.11 begon het inbrengen van de dodelijke oplossing. Om 18.16 werd hij dood verklaard.»

Uitgeput rijd ik terug naar mijn kamer. Ik open een fles Johnnie Walker. Op tv is The Unforgiven van Clint Eastwood, met aan het eind die scène als hij over de stervende Gene Hackman gebogen staat. Hackman: «Ik verdien het niet om te sterven. Ik was een huis aan het bouwen.» Eastwood: «Het heeft niets met verdienen te maken.» Tv uit; ik staar naar de muren.

Het is negen uur ’s ochtends en ik sta op het gevangeniskerkhof met dominee Carroll Pickett. Deze zeventig jaar oude geestelijke heeft alles gezien. In de tijd dat hij werkte als kapelaan voor de Texaanse gevangenis verleende hij geestelijke bijstand aan 95 mannen die ter dood werden gebracht middels een dodelijke injectie. Hij stond ze terzijde toen ze op een tafel werden vastgebonden. Hij keek toe wanneer de naalden die dodelijke chemicaliën in hun aderen moesten pompen, werden ingebracht. Hij hoorde hun laatste woorden en keek toe als ze hun laatste adem uitbliezen. «Ik was het laatste vriendelijke gezicht dat ze zagen», zegt hij zacht, naast het graf van Cowboy, die begin jaren negentig van de vorige eeuw werd geëxecuteerd.

«Ik bracht de laatste uren van hun leven samen met ze door, en ik hoorde verhalen over een moeilijke jeugd en misdaden, en ik zag de woede en de arrogantie, het verdriet en het berouw en ten slotte de vastberadenheid en de angst op hun gezicht… Vaak leidde ik de dag erna hun begrafenisdienst op het kerkhof, meestal alleen vergezeld door de toezichthouder en de gedetineerden die het graf moesten graven.»

Net als veel andere Texanen groeide hij op in een atmosfeer waarin de enige echte rechtvaardigheid oog om oog, tand om tand was. «Ik had het mis», zegt hij. «Koele wraak is verkeerd. De doodstraf creëert alleen maar méér slachtoffers, de familie van de geëxecuteerde gevangene. Het stopt moord niet.»

Er is iets verschrikkelijk mis. Je beleeft de ultieme nachtmerrie. Je bent een buitenlander in Amerika en zit 37 maanden op Death Row in Florida voor een dubbele moord die je niet hebt gepleegd. Er is geen fysiek bewijs dat jou koppelt aan de moord.

Moeilijk te geloven? Dat gebeurde met de 32-jarige Joaquín Martínez, een cause célèbre in zijn geboorteland Spanje en in heel Europa, die werd vrijgesproken in een tweede proces in 2000, toen een rechter oordeelde dat een «bezwarende» geluidsband onverstaanbaar was en dat op het oorspronkelijke proces een politierechercheur ongepaste verklaringen had gegeven; hij zei: «We weten dat hij het heeft gedaan. Dat is hoe we het weten.»

Alle EU-landen verbieden de doodstraf. President George Bush en zijn broer Jeb, gouverneur van Florida, zijn allebei voor de doodstraf. Het is politieke zelfmoord om tegen te zijn.

In mei 2001 zaten er in Amerika 121 buitenlanders uit 33 landen in de dodencel, en werden er sinds 1976 17 geëxecuteerd (Amnesty International). Volgens Amnesty-specialist Mark Warren werden weinig van die mannen ooit gewezen op hun recht om contact op te namen met hun ambassades.

De meeste Amerikanen zouden totaal onthutst zijn als een Amerikaans staatsburger in een vreemd land werd beschuldigd van, veroordeeld en geëxecuteerd voor een dodelijk misdrijf zonder te worden gewezen op zijn recht de Amerikaanse ambassade te vragen om hulp. De Weense Conventie, mede onder tekend door de VS, garandeert die rechten. Dat herinnert aan een van de beroemdste doodstraf-zaken van Amerika. De Pool Gregory Madej zit in de dodencel in Illinois, al 21 jaar. Hij werd in 1959 geboren in Kielce en emigreerde naar Chicago toen hij een klein kind was. Hij werd nooit Amerikaans staatsburger.

Madej werd veroordeeld voor de moord op en verkrachting van de 38-jarige Barbara Doyle in 1981. De details van de misdaad zijn schimmig. Zijn nieuwe advocaat, Amarjeet Bhachu, zegt: «Gregory had een waardeloze advocaat. Hij kreeg een waardeloos proces. Deze zaak is een schoolvoorbeeld van waarom de doodstraf niet goed werkt.» Amnesty zegt dat Gregory niet het recht kreeg contact op te nemen met zijn consulaat na zijn arrestatie — een schending van de Weense Conventie. Het Poolse consulaat raakte betrokken bij de zaak — pas in 1999 — nadat ze over Gregory’s staatsburgerschap hadden vernomen. Ondertussen heeft DNA-analyse die in 1981 nog niet beschikbaar was, uitgewezen dat een van de ernstige beschuldigingen, verkrachting, vals was. Die aanklacht kan heel goed de laatste druppel zijn geweest, waardoor Gregory de doodstraf kreeg.

Op aanraden van zijn advocaat zag Gregory af van zijn recht op een juryproces, ondanks de één-jurylid-regel die bepaalt dat de afwijkende mening van één jurylid een doodstraf verhindert. De procesrechter veroordeelde Gregory tot de dood na een paar minuten. Bandopnamen van de politieradio, waarop een andere man werd genoemd, die werd gezien met Gregory net voordat hij werd gepakt, verdwenen op mysterieuze wijze. Gregory houdt vol dat hij Barbara Doyle vermoordde uit zelfverdediging. Haar echtgenoot, die wellicht de mystery man in Gregory’s gezelschap was, heeft een getuigenis ondertekend die stelt dat hij niet vindt dat Gregory moet worden geëxecuteerd. Ondertussen wacht Gregory op Death Row. Het is zijn thuis geworden. Hij heeft er zijn hele volwassen leven doorgebracht.

Zo’n zestig procent van de mensen die landelijk werden on dervraagd, is vóór de doodstraf. In Texas waarschijnlijk meer… Mijn eigen onderzoek onder ruim vijftig mensen in Huntsville en op de trappen van het Amerikaanse Hooggerechtshof in Washington D.C. kwam uit op ongeveer 75 procent vóór.

Het is 13.00 uur. Ik rijd het terrein van de Polunsky-eenheid op, waar Death Row is gevestigd. Er komt een gevangenisbusje langs. Daarin zit Jeffrey Lynn Williams. Erkend kinderverkrachter. Hij vermoordde haar moeder. Een slecht man, zonder twijfel. Hij zal over vijf uur worden geëxecuteerd. Larry wacht op mij. Hij rookt een Camel en praat met een Texas Ranger. De gevangenis is enorm en wit. Glanzend in de zon. Omgeven door een hoog hek afgezet met prikkeldraad. We gaan naar binnen.

Thomas Miller-El verschijnt, in de boeien. Twee cipiers doen die af. Hij is erg lang. Hij ziet eruit als een profbasket baller. Hij gaat zitten. Hij glimlacht. Tussen ons in is een raam van gewapend glas. Ik pak de telefoon. Hij ook. Net als in de film. Maar dit is het enige dat net als in de film is.

Thomas heeft veel executiedatums gehad, de recentste was afgelopen winter. Op het laatste moment hield het Amerikaanse Hooggerechtshof zijn executie tegen. De reden: rassendiscriminatie bij de juryselectie. Zijn vrouw, Dorothy, veroordeeld voor dezelfde misdaad, werd in 1991 ontslagen uit de gevangenis. Een verschrikkelijk verhaal.

Thomas is vijftig jaar en zit achttien jaar op Death Row. Veroordeeld voor de moord op een man en het verwonden van een andere bij een overval op een Holiday Inn in Dallas. De politie schoot hem bijna dood bij zijn arrestatie. Hij was ongewapend. Hij beweert dat hij onschuldig is, dat hij in Hous ton was ten tijde van de moord. Hij heeft getuigen. Maar dat is een andere kwestie. Thomas’ advocaat vecht voor een nieuw proces. Dat is de reden dat Thomas nog leeft. Het is een beroemde zaak.

«Je moet weten dat ik van ver ben gekomen om je te spreken. Ik moet je de groeten overbrengen van je vrouw», zeg ik.

«Dank je voor het komen. Dank», zegt hij.

Hoe raakt de executie van die dag hem?

«Elke keer als ze iemand executeren, sterf je van binnen», zegt hij. «Toen ik voor het eerst op Death Row kwam, waren er twintig mensen geëxecuteerd. Nu zijn het er meer dan tweehonderd… We hebben allemaal een gemeenschappelijke band. We zitten allemaal in een hopeloze situatie.» Zijn advocaat vroeg of ik niet wilde praten over de feiten van de zaak. Dat doe ik dus niet.

Heeft hij een eerlijk proces gehad?

«Als zwarte man in dit land heb je geen schijn van kans», zegt Thomas. Hij ziet er niet uit als een moordenaar. Het zijn zijn ogen. Hij ziet eruit als zo’n gebrandschilderde heilige op een kerkraam. Het zijn bovenal de ogen. In vermoeidheid en eenzaamheid weerspiegelen we het goddelijke.

Hoe is het om te wachten tot je gaat sterven?

«Zogauw ze je een executiedatum geven, wordt wachten een nachtmerrie», zegt Thomas. Hij klaagt niet. Hij zeurt niet. Hij praat alleen maar. «Ik heb tien datums gehad. Meer dan één of twee kan iemand niet verdragen… Ik kwam er een uur en veertig minuten vandaan», zegt hij. Midden jaren negentig ging hij een paar keer naar Death House om zich voor te bereiden om te sterven. Steeds kreeg hij uitstel van executie. Hij is in gedachten al twaalf keer gestorven: één keer voor iedere apostel…

Er zitten grijze plukken in zijn haar. Hij is bleek. Death Row-bleek. We praten over het gevangenisleven. Hij vertelt me zijn levensfilosofie: «We moeten van elkaar houden, man. We moeten leren om te vergeven.» Hij is niet verbitterd. Daar is hij voorbij. Hij is een stem van over het graf. «Wachten tot je gaat sterven is verschrikkelijk. Ik zit nu in de hel… Maar daar kan ik niet naartoe. Ik moet naar de hemel», zegt hij.

Waar denkt hij allemaal over na?

«Ik bestudeer de wet. Ik lees boeken. Ik schrijf. Ik denk. Maar ik droom niet. Ik heb niet gedroomd… Ik kan me geen droom herinneren. Ik weet niet of ik nog… kan… dromen. Zij hebben mijn dromen in hun handen.»

Hij krijgt een uur lichaamsbeweging per dag, de rest van de tijd zit hij in zijn cel van vijf vierkante meter.

Thomas wijdt zich aan het samenbrengen van mensen aan de buitenkant en aan de binnenkant. «Het is een prachtige wereld… Het is een reis», zegt hij. «Ik ben op reis.»

Ik was de enige mediabezoeker op mediadag in een week dat drie mannen op het schema stonden om te sterven. Ik leg mijn hand tegen het glas tussen ons in. Thomas glimlacht en legt zijn hand op het raam tegen de mijne. Ik kijk hem aan en probeer de gebeurtenissen van die avond achttien jaar geleden te plaatsen, de gebeurtenissen die hem hier deden belanden.

Is hij schuldig?

Het is moeilijk om recht in de ogen te kijken van een man op Death Row. Het is moeilijk. De angst dringt in je binnen. Hij zit in de lucht. Je ademt hem in. Je bent niet meer dezelfde.

«De tijd is om», zegt Larry.

«Je bent een echt mens», zegt Thomas. «Dat kan ik in je ogen zien. Pas goed op.»

Ik vraag of ik nog boodschappen moet overbrengen.

«Kun je mijn vrouw bellen en haar vragen of ze mijn advocaat belt? En zeg tegen haar dat ik een tijdje niet kan schrijven. Ze hebben mijn vrijheden ingeperkt.»

«Oké», beloof ik.

De volgende executie is nog drie uur weg.

«Sommige mensen verdienen niet om te leven», zeggen ze. Maar hoe kan de doodstraf goed zijn als er één onschuldig mens wordt gedood? Carroll Pickett vertelt dat een man van wie men wist dat hij onschuldig was, ter dood werd gebracht omdat hij een «eerlijk proces» had gehad. Volgens Amnesty International zijn sinds 1971 101 onschuldige mannen vrijgelaten uit Death Row. Honderd. Als Joaquín Martínez.

De doodstraf ligt nu in handen van het Hooggerechtshof, dat in juni 2002 — toen ik in Huntsville was — oordeelde dat verstandelijk gehandicapten niet geëxecuteerd mogen worden en dat alleen jury’s, niet rechters, de doodstraf kunnen opleggen.

De doodstraf en de war against terrorism zijn op dit moment de twee belangrijkste kwesties in Amerika. De doodstraf blijft een massaspektakel, ook al is het publiek kleiner en meer select. Met name in Texas en Florida hoort het bij het leven. Maar de vraag blijft: mag de staat de moordenaar vermoorden?

Misschien ligt het echte antwoord in de ogen van de familie van het slachtoffer. In de ogen van de veroordeelden. In Larry Fitzgeralds ogen. Van Carroll Pickett. In de ogen van Thomas Miller-El. Het antwoord kan worden gevonden in de ogen van degenen die de laatste momenten van de gevangene zien. De Getuigen. Zij zullen die ogen nooit vergeten. Zo veel ogen.

«Ben je te weten gekomen wat je nodig had?» vroeg Larry Fitzgerald me later.

«Ja», zei ik. «Niemand begrijpt moord.»

Vertaling: Rob van Erkelens