Opkomst en ondergang van een uitgeverij

De dood en de verkoop

Over de oorlog die handel in boeken heet. Arnon Grunberg werd op zijn negentiende uitgever. Uit eerzucht, om zijn eigen werk. De boeken van zijn uitgeverij – Kasimir, voor niet-Arische Duitse literatuur – bracht hij onder in de garage van zijn moeder, waar zij tot op heden liggen. Zo is het gegaan. De jaren tachtig van Arnon Grunberg.

‘Uitgevers verkopen geen boeken. Dat doen boekhandelaren. Ze drukken ze niet, dat doen drukkers. Ze schrijven ze niet, dat doen schrijvers. Net als diplomaten, hoeren en makelaars verkopen ze service.’
Zo begon het stuk over mijn leven als uitgever, dat op 26 april 1996 in NRC Handelsblad verscheen, en er is geen woord van gelogen.

Al zou ik dat van die service niet meer zo opschrijven.

Uitgevers die service verkopen, dat is tegenwoordig nauwelijks meer een provocatie te noemen, en waarschijnlijk was het dat ook al niet in 1996. De klacht is juist dat ze niet eens meer service verkopen, ze lezen niet meer, ze redigeren niet meer, ze gooien er een kaft omheen en dumpen het in de boekhandel, waar boekhandelaar en lezer het samen mogen uitzoeken. Maar ook deze klacht en het onvermijdelijke antwoord dat ze wel degelijk hard werken en zich door schier onleesbare manuscripten heen ploeteren, die ze in enkele gevallen met de moed der wanhoop leesbaar proberen te maken, zijn inmiddels oud nieuws, restanten van een ietwat sleetse discussie.

De titel van deze lezing, ‘De dood en de verkoop: Over de oorlog die handel in boeken heet’, is misleidend. Nostalgisch getinte melancholie is niet de mijne en spreken over een crisis waarvan de spreker veinst zelf geen deel uit te maken loopt in de regel uit op een zelfgenoegzame exercitie.
Over de dood wil ik vooralsnog niet meer kwijt dan wat Michel Houellebecq noteerde in zijn essay Leven, lijden, schrijven – methode: ‘Een dode dichter schrijft niet meer. Het is dus belangrijk dat u blijft leven.’

E
r was een tijd, ik heb het over eind jaren tachtig van de vorige eeuw, dat ik me ernstig afvroeg of ik een dichter was. Worden kon niet. Je was het of je was het niet en ik vreesde het te zijn. Misschien waande ik mij op verloren momenten van de dag een genie, helemaal zeker weten doe ik dat niet meer, dat ik onbegrepen was stond in ieder geval als een paal boven water. Verder was ik van mening dat het geen kwaad kon vroegtijdig te overlijden.
Op een avond vroeg een vriend mij wat postume roem precies opleverde en daarop had ik geen antwoord.

Wat roem – misschien is het beter te spreken van erkenning – vóór de dood zou kunnen opleveren was daarentegen makkelijk vast te stellen. Een positie in de maatschappij, gevolgd door financiële vergoeding, daarna zou aandacht van andere mensen komen, waarschijnlijk ook liefde, zeker seks. In de regel geven mensen aandacht in de hoop er iets voor terug te krijgen. Met de eenzaamheid zou het gedaan zijn.

Leven in de marge van de maatschappij, al dan niet als genie, was vergeleken met de aardse verlokkingen van de maatschappij een onaantrekkelijk alternatief. Temeer daar ik inmiddels tot de conclusie was gekomen dat de genieën die Amsterdam in die tijd bevolkten zich ogenschijnlijk wel op de rand van de maatschappij bevonden en deden alsof ze het leven van een uitgestotene leefden, maar in werkelijkheid volop genoten van het moois dat de maatschappij hun te bieden had.
Fatsoen en geluk waren een kwestie van ietwat benepen burgerlijkheid, de rest was een slordige pose.

Ik kon mij vinden in de uitspraak van Julien Sorel, ver voorbij al het fatsoen en geluk, aan het eind van Het rood en het zwart als hij in de gevangenis tegen de pater die hem komt bekeren, zegt: ‘Ik ben eerzuchtig geweest, dat hoef ik mij niet te verwijten; ik heb daarmee gehandeld naar de gebruiken van mijn tijd. Nu leef ik bij de dag.’

In het Amsterdam van 1989 was eerzucht niet iets waarmee je te koop diende te lopen. In een contactadvertentie kwam je het woord niet tegen. Of er op dat gebied overigens veel veranderd is betwijfel ik.
Humoristisch moest je zijn, eerzuchtig liever niet.

Het was zaak mijn eerzucht te verbloemen. Dat deed ik door de nadruk te leggen op mijn nederlagen. En aan nederlagen geen gebrek. Ik hoef ze hier niet op te sommen. Pogingen mijn nederlagen te catalogiseren heb ik al eens eerder gedaan.1 Voor hen die niet bekend zijn met die pogingen volsta ik met de mededeling dat waar ik ook keek mijn leven uitzicht bood op de nederlaag.

A
chteraf vind ik het opmerkelijk dat ik een paar jaar na het verschijnen van mijn eerste roman heb beweerd dat literatuur vooral vermaak diende te zijn.2 Of beter gezegd dat de pogingen van literatoren boven het vermaak uit te stijgen onheus waren en een fundamenteel oneerlijke positie verrieden.

Mijn eigen leven was nu juist bewijs dat literatuur meer kon zijn dan dat. Ik heb literatuur altijd als gebruiksaanwijzing voor het leven beschouwd en als zodanig ook gebruikt, als uniek voorbeeld dat de nederlagen en teleurstelling die het leven bood niet het laatste woord hoefden te hebben, dat met behulp van taal en enige vindingrijkheid die nederlagen konden worden omgebouwd tot overwinningen. De romans en gedichten die ik had gelezen vertelden mij niet alleen haarfijn waaraan ik moest ontsnappen, maar in wezen ook in welke richting mijn vluchtroute moest worden uitgezet.

Een autodidact leest zonder systeem, zonder begeleiding van buitenaf. Wellicht is het daaraan te wijten dat hij op vreemde ideeën komt. Hoewel mij ook gevallen bekend zijn van mensen die met professionele hulp aan het lezen zijn geslagen en desondanks op vreemde ideeën zijn gekomen.
Mijn leesgedrag uit de jaren voorafgaand aan mijn officiële debuut heb ik al eens grofweg geprobeerd te catalogiseren.3 Voor hen die met die pogingen niet bekend zijn kan ik volstaan met de mededeling dat ondanks het gebrek aan systeem bekende en voor de hand liggende namen opdoken, naast schrijvers die niet meer serieus worden genomen en misschien ook nooit serieus genomen zijn. Maar wel door mij. Het zijn niet altijd de beste boeken en de beste schrijvers die ingrijpen in het leven van de lezer.

De angst dat ik voor altijd bij mijn moeder zou blijven wonen, zonder werk en zonder aanzien, me warmend aan geen ander vuur dan haar liefde, geen andere verlokking in velden of wegen te bekennen dan haar kleine hoofd, was zoveel meer dan een nachtmerrie. Het was een concreet scenario. Ik hoefde alleen maar niets te doen om zo te eindigen. En zelfs als ik iets deed was het niet gezegd dat mijn leven niet zou uitmonden in een gevecht tussen moeder en zoon op de vierkante millimeter. In dat geval was ik misschien een personage geworden waarmee ik menige romanschrijver had kunnen verblijden. Het was precies dat idee waarmee ik geen vrede kon hebben. Ik had geen behoefte klei te zijn in andermans handen, hoe liefdevol en deskundig die handen mij ook zouden boetseren.

Er was maar een plek, meende ik, waar de ontsnappingskunst op volle toeren draaide, waar de ontsnappingskunstenaar in spe heen kon gaan.

In zijn autobiografisch getinte roman Portret van een jongeman schrijft Coetzee: ‘Als hij voorlopig nog als een nederige en bespottelijke figuur door het leven moet gaan, dan is dat omdat het ’t lot van de kunstenaar is gebukt te gaan onder nederigheid en spotternij tot op de dag dat hij in volle kracht wordt geopenbaard en de schimpers en spotters er het zwijgen toe doen.’

Waarschijnlijk had ik een iets minder verheven voorstelling bij de kracht van de kunstenaar die uiteindelijk geopenbaard wordt, maar dat het zaak was de spotters en schimpers het zwijgen op te leggen, daaraan hoeft niemand te twijfelen. En zo vaak meldden die schimpers zich in het dagelijks leven niet eens. Ik hoorde hen ook zingen als ze er niet waren.

Terwijl de romankunst tot de conclusie was gekomen dat taal een matig om niet te zeggen ondeugdelijk vehikel was voor het overbrengen van zelfs simpele mededelingen en menige romanschrijver zich had toegelegd op diverse variaties van het zwijgen, vertrouwde ik erop dat het de taal was die alles goed zou maken.

Ik hoefde alleen het juiste woord op de juiste plek te zetten.

Tot de tanden toe was ik gewapend met mijn eigen schrikbeelden. Wat mij op de hielen zat, was erger dan de dood: de angst nooit te zullen leven.
O
p 8 januari 1993 stond mijn eerste column in Boekblad, het tijdschrift voor het boekenvak. Het was tevens de eerste keer dat een tijdschrift mij betaalde om een tekst van mij te mogen afdrukken. Zeker een paar dagen heb ik dit tijdschrift in de zak van mijn zwarte leren regenjas met mij meegedragen om het indien gewenst aan belangstellenden te tonen.

Er stond ook een fotootje bij de column. En onderaan gecursiveerd: ‘De auteur is uitgever van Kasimir Uitgeverij.’

In de column zelf, getiteld ‘Het meisje van Eichborn’, legde ik uit waarom ik uitgever was geworden.

De tekst verbloemde mijn eerzucht grondig. De ikfiguur was op de boekenbeurs van Frankfurt verliefd geworden op een medewerkster van uitgeverij Eichborn. Omdat het gesprek dreigde te stokken voor het goed en wel begonnen was, deed de ikfiguur zich voor als uitgever.
Voor de lezer die het nog niet begrijpen wilde, had ik al in de eerste alinea aangekondigd: ‘Het is weinig verheffend allemaal.’

Jaren later, nadat ik de Librisprijs voor Tirza had gewonnen, vroeg de Volkskrant aan een aantal mensen naar hun mening over mij. Fred Spek, voormalig hoofdredacteur van het Boekblad, liet de Volkskrant weten hogelijk verbaasd te zijn dat de schrijver van dergelijke columns het tot gewaardeerde romanschrijver had geschopt.

Het is goed niet meteen alles te weten. Soms helpt het de voze waarheid met vertraging tot je te nemen.

Wie werkelijk eerzuchtig is, kan zich geen vertraging toestaan. Je moet je op de voze waarheid storten als een leeuw op een prooi. Hoe vozer hoe beter.

Z
oals uit het citaat waarmee ik deze lezing begon mag blijken, gok ik op de koude douche of beter gezegd: speel ik met liefde zelf voor koude douche. De voorliefde voor de koude douche hangt samen met het verlangen het voze te bezingen, met het besef dat het barbaars is om naar zuiverheid te streven in een gecorrumpeerde wereld. Weten is beter dan niet-weten en weten, echt weten, is veelal een koude douche.

Vanaf het moment dat de literatuur mij besmette begreep ik dat Mefistofeles niet alleen interessanter en tragischer was dan Faust,maar dat het ook prettiger was om Mefistofeles te zijn dan Faust.

Wat van waarde is, dient vroeg of laat gewantrouwd te worden. Omdat het niet echt waardevol is, omdat achter het schijnbaar waardevolle een ontsteking schuilgaat, inderdaad, precies dat: de voze waarheid die blootgelegd dient te worden, die uitgeplozen moet worden zoals een moeder het hoofd van haar zoontje uitpluist op zoek naar de luizen. Het waardevolle dient waarschijnlijk een belang dat zelf niet waardevol is, het is bedoeld om een fictieve en moreel dubieuze orde in stand te houden, het is bij uitstek verdacht.

Zo ongeveer stond ik in het leven toen ik op negentienjarige leeftijd uitgever werd. Daarnaast had ik mij toegelegd op verliefdheden die nooit beantwoord werden. Een volmondig ja, moet ik met terugwerkende kracht bekennen, zou mij van mijn stuk hebben gebracht. Wie de voze waarheid zoekt, zit niet op een volmondig ja te wachten, kan de ondubbelzinnigheid van een dergelijk ja niet geloven en ook niet verwerken.

In de afwijzing is ook zekerheid te vinden en meer dan dat: bittere troost.

Heiner Müllers samenvatting van Les liaisons dangereuses vatte ook mijn zelfbeeld en mensbeeld samen: mijn hart is van steen maar het klopt alleen voor u.

Ik heb al eens geprobeerd mijn tot mislukken gedoemde verliefdheden te catalogiseren.4 Voor hen die niet bekend zijn met die pogingen kan ik volstaan met de mededeling dat het een talige aangelegenheid was, die verliefdheden van mij. Het waren eigenlijk uitsluitend teksten, en hoe langer de stilte van de aanbedene duurde hoe taliger de verliefdheid werd. Achteraf kan ik de stilte van de door mij aanbeden personen goed begrijpen. Op hen moet de verliefdheid zijn overgekomen als een bot zonder vlees.

Onder een andere naam, helaas ben ik vergeten welke, had ik wel eens een stapeltje gedichten opgestuurd naar uitgeverij De Arbeiderspers. De gedichten handelden overigens niet over de liefde.
Voorzover ik me herinner was de invloed van Paul Celan groot.

Binnen enkele weken lagen de gedichten weer retour in mijn postbus, begeleid door een nietszeggend afwijzingsbriefje. Het nummer van de postbus was 15241, en het legen van de postbus was voor mij een ritueel. Zoals gelovigen een kaarsje in de kerk branden, zo fietste ik naar de Keizersgracht in Amsterdam waar zich het postkantoor waar ik een postbus huurde bevond.

Verlossing was niet minder maar ook niet meer dan een brief waarin ‘ja’ stond. Of die brief van een vrouw of van een uitgeverij zou komen deed er eigenlijk nauwelijks toe. Een schriftelijk ‘ja’ was het enige ja dat mij draaglijk voorkwam, waarop ik met waardigheid zou hebben kunnen reageren.

Alhoewel ik moet bekennen dat de enige keer dat ik een brief kreeg van een vrouw waarin iets van een ‘ja’ was te herkennen – het was een cryptisch ja, dat altijd cryptisch is gebleven – ik in grote verwarring naar café Scheltema ben gefietst.

Het belangrijkste verschil tussen vrouwen en uitgeverijen, in die tijd althans, was dat uitgeverijen een standaardafwijzingsbriefje stuurden en vrouwen het bij stilte lieten.

Uiteindelijk is stilte persoonlijker.

V
ia de dichter Rogi Wieg, die een tijdlang de synagoge frequenteerde waar ook mijn moeder naartoe ging – ikzelf was al gestopt met het bezoeken van de synagoge – waren enkele van mijn teksten bij uitgeverij Van Oorschot beland.

Op een ochtend vond ik een briefje van Gemma Nefkens van uitgeverij Van Oorschot in mijn postbus. Ze schreef me dat ze gegrepen was door mijn woede maar bezwaren had tegen vorm en stijl. Dat ik me dit citaat nog vrij letterlijk kan herinneren, komt omdat ik indertijd een bijstandsuitkering genoot. Ik stond bij de sociale dienst ingeschreven als toneelspeler en dichter en zo eens in de paar maanden moest ik op gesprek komen bij een ambtenaar om samen met hem na te gaan of er vooruitgang zat in mijn leven als dichter c.q. toneelspeler. Tijdens een van die gesprekken overhandigde ik het briefje van Gemma Nefkens aan de dienstdoende ambtenaar. Hij las, knikte goedkeurend, maakte er een kopie van en zei dat dit veelbelovend was. Misschien had hij gedacht: als het met de woede goed zit, valt er voor vorm en stijl wel een oplossing te verzinnen.

Gemma Nefkens is inderdaad kort daarna bij me op bezoek gekomen en we voerden, gezeten in de tuin van mijn huisbaas mr. Frenkel, een kort maar genoeglijk gesprek dat werd afgesloten met de mededeling: ‘Misschien kunnen we ooit iets van je plaatsen in Tirade, stuur maar wat op.’
Ik schreef toen gedurende enige tijd elke week iets voor Tirade en stuurde dat op aan Gemma Nefkens. Maar er kwam geen briefje meer dat ze gegrepen was door mijn woede, er kwam helemaal geen briefje meer.

De ambtenaar van de sociale dienst leek zich vergist te hebben.

De stilte van de vrouw en de stilte van de uitgeverij hadden zich gevoegd tot één groot samengebald zwijgen.

Rogi Wieg werd gek, ik mag dat vertellen, hij heeft daar zelf uitvoerig over geschreven. En Gemma Nefkens ben ik nog een keer tegengekomen, tijdens het diner voor de Librisprijs toen Voskuil won en ik genomineerd was met Figuranten. We hebben elkaar vriendelijk de hand geschud maar over mijn woede die haar zo had getroffen heeft ze ook die avond gezwegen.

Over de verschrikkingen van de vorige eeuw is wel eens opgemerkt – ik vermoed door een theoloog – dat het zwijgen van God ook een antwoord is.
De stilte die mij omringde vond ik eerder een vuistslag dan een antwoord.

Ook in de vuistslag is zekerheid te vinden en een troost die meer is dan alleen bitter. De adrenaline stroomt door je lichaam, je neemt je omgeving waar met grote helderheid en intense concentratie.
De kern van alle honger naar leven wordt, vrees ik, gevormd door de behoefte aan wraak, op zijn minst het verlangen naar revanche.

D
at ik uitgever werd omdat ik verliefd was geworden op een meisje is een mythe die ik al geprobeerd heb recht te zetten in het stuk in NRC Handelsblad uit 1996. Maar de ware motieven voor deze stap bleven ook in dat stuk onvermeld.
Het wachten op antwoord van een uitgeverij is voor iemand met eerzucht op lange termijn ondraaglijk.

Wie blijft wachten op antwoord, of het nu van een vrouw of van een uitgever moet komen, is veroordeeld tot passiviteit. Hij kan zich beter terugtrekken in het huis van zijn moeder, waar het dodelijke vuur van de liefde brandt. Vergeleken daarmee is al het andere wat liefde heet te zijn een gezelschapsspel.

De voornaamste redenen om uitgever te willen worden was de niet geheel onlogische gedachte dat als ik ooit zelf een gepubliceerde auteur wilde worden, ik niet afhankelijk mocht blijven van de dwalingen van uitgevers.
De eerzucht kent één grote vijand: afhankelijkheid. Hij streeft naar totale autarchie.

Ik zou, zo stelde ik mij dat voor, gewaardeerde en beroemde schrijvers uitgeven en dan na een tijdje, onder een andere naam uiteraard, een tekst van mij ertussen frommelen. Ergens halverwege de herfstaanbieding. Geen hond zou het merken, daarvan was ik overtuigd, vooral niet als ik zou doen alsof het om een vertaling uit laten we zeggen het Bulgaars ging. Een tot op heden onontdekt en experimenteel meesterwerk uit Bulgarije zou op de markt verschijnen, en het zou worden toegejuicht, zoals dat nu eenmaal gebeurt met tot voor kort onontdekte meesterwerken uit Bulgarije.
Er was een tijd dat ik meende dat ik de wereld zou veroveren met een experimentele roman.

Maar voor ik dit Bulgaarse meesterwerk van eigen hand kon doen verschijnen, moest ik naam hebben gemaakt als uitgever van reëel bestaande meesterwerken of op zijn minst meesterwerkjes.

Wel degelijk heb ik in Frankfurt een gesprek gevoerd met een aantrekkelijke dame van uitgeverij Eichborn en wellicht was ik kortstondig verliefd op haar. Ik was in die tijd zo vaak verliefd dat ik niet meer heb bijgehouden op wie allemaal.
Maar de aanleiding om uitgever te worden was dat zeker niet.

Het was een verhaal dat de voze waarheid moest bedekken.

Hoewel het mij uiteindelijk te doen was om het blootleggen van het voze, het onderzoeken ervan, moest ik het voze nog even laten voor wat het was.
De psychiater en schrijver Adam Phillips schrijft dat Houdini een man was die zich aan alles kon aanpassen om er vervolgens aan te ontsnappen.
Totale assimilatie gevolgd door totale ontsnapping. Voor mij was dat de weg, de waarheid en het leven.

Eerzucht in praktijk mondt veelal uit in Realpolitik.

M
ijn uitgeverij had al een naam, Kasimir, voor de uitgeverij goed en wel op gang was gekomen. Een overblijfsel van een stichting genaamd Wynant Casimir Producties. Die stichting was weer een overblijfsel van mijn ambitie om als toneelspeler door het leven te gaan. Omdat niemand mij wilde hebben als acteur – ook dit falen is al eens gecatalogiseerd5 – produceerde ik mijn eigen toneelstukken. Of beter gezegd, dat deed de Stichting Wynant Casimir Producties.

De naam Wynant Casimir heb ik te danken aan de acteur Dirk Zeelenberg, met wie ik in 1987 in een jongerenproductie bij Toneelgroep Amsterdam had gespeeld.

In het Amsterdamse café Weber had ik hem verteld van mijn voornemen Stichting Manhattan Producties, naar de gelijknamige film van Woody Allen, op te richten.
Maar dat vond hij ordinair.

Hij zei: ‘Wynant Casimir klinkt voornamer.’
Om redenen die ik niet meer kan achterhalen, was ik gevoelig voor dat argument.

Via Redbad Klynstra, met wie ik eveneens in voornoemde jongerenproductie had gespeeld, was ik in contact gekomen met een Poolse beeldend kunstenares, Ewa Mehl. Zij had een atelier op de Noorderkerkstraat en zo’n vijf keer per week fietste ik naar haar atelier, waar ik thee kreeg en over mijn ambities vertelde.

Niet gespeend van enige ironie uiteraard. De exacte omvang van het vuur van de eerzucht mocht niet aan het licht komen.

Zij was het die me zei dat Kasimir met een ‘k’ een goede naam was voor de uitgeverij, omdat de Joodse wijk in Krakow zo heette. De naam van de Joodse wijk in Krakow wordt, ontdekte ik later, anders geschreven, maar dat deed er niet toe. Kasimir zou het worden.
Wat de Joodse wijk in Krakow met mijn uitgeverij te maken had, zou later maar eens moeten blijken.

H
et nieuwe dient zich te onderscheiden van het reeds bestaande. Het heeft een excuus nodig om te mogen bestaan, terwijl wat langer bestaat alleen maar door hoeft te gaan met bestaan om iedereen de mond te snoeren.
Uitgeverijen in Nederland waren er al, veel zelfs, kleine en grote, winstgevende en zaken die met verlies draaiden. Ik moest mij specialiseren, zoveel was duidelijk. Om diverse redenen besloot ik me te gaan richten op niet-Arische Duitse literatuur. De keuze voor deze specialisatie getuigde, hoopte ik, van enige speelsheid, maar was onmiskenbaar meer dan dat. De goede verstaander zou hebben kunnen begrijpen dat de uitgeverij zich specialiseerde in de uitgever zelf.
Dat de roman die ik van uitgeverij Eichborn mee naar huis had genomen geschreven was door de Duits-Joodse auteur Rafael Seligmann moet worden toegeschreven aan het toeval dat soms een handje helpt. Achteraf moet ik bekennen dat de roman van bedenkelijke kwaliteit was.
Om de rechten van twee romans van Seligmann te verkrijgen begon ik aan een tamelijk uitvoerige correspondentie met uitgeverij Eichborn.

Aangezien mijn geschreven Duits verre van vlekkeloos is, had ik mijn moeder ingezet als secretaresse. Een taak die zij zonder morren vervulde.

De ironie dat wat bedoeld was als ontsnappingspoging ons nader tot elkaar had gebracht, kon mij niet ontgaan. Het vuur van de moederliefde was zo groot dat zij ook als secretaresse in mijn leven wilde blijven. Daarvan maakte ik dankbaar gebruik.
Ik dicteerde, zij typte. Af en toe stelde zij een vraag in de trant van: ‘Wie is die Seligmann en willen de mensen dat hier wel lezen?

Ik stelde haar gerust: dat willen de mensen lezen.
Zo typte zij verder.
In Elizabeth Costello van Coetzee zegt Costello in het hoofdstuk ‘Aan de poort’ dat zij als schrijfster een ‘secretaresse van het onzichtbare’ is. Zij parafraseert daarmee de dichter Miosz.
Hoewel mijn moeder geen schrijfster is, en ook geen werkelijke ambities in die richting heeft, geloof ik toch dat zij een secretaresse van het onzichtbare was toen zij brieven voor uitgeverij Kasimir typte.
De uitgeverij was een fantoom, zij bestond alleen op papier, er was geen kantoor, geen bedrijfsplan, geen geld, ik zou er eigenlijk aan toe willen voegen: geen hoop. Verder was de uitgeverij ook nog eens opgericht om andere redenen dan de uitgever indertijd had willen en kunnen toegeven. De hand die mijn moeders hand leidde was van haar zoon, maar de zoon zelf was al bezig zijn verdwijning voor te bereiden. Alleen de typemachine zou hij voor zijn moeder achterlaten.

Zoals alle eerzucht streeft naar erkenning, zo streeft alle ontsnappingskunst naar onzichtbaarheid. Wie meent dat er in afwezigheid verlossing te vinden is, doet er goed aan ervoor te zorgen dat zijn afwezigheid wordt opgemerkt.

H
oewel uitgeverij Kasimir vrijwel alles miste wat een uitgeverij nodig heeft om te kunnen bestaan, op een typemachine en een secretaresse na, was ik niet geheel onvoorbereid als uitgever.
In de zomer van 1990 had ik als Stichting Casimir, toen nog met een ‘c’, een tekst van eigen hand uitgegeven. De Machiavellist heette de tekst. De ondertitel heeft het over zeven liederen, maar het zou ook een monoloog kunnen worden genoemd of voor mijn part een lang gedicht.
De uitgave markeert het einde van mijn verlangen om erkenning als toneelspeler te krijgen. Hoewel ik de tekst met behulp van de choreografe Jolante Zalewska op 1 juli 1990 in het Amsterdamse café Scheltema, dat ik voor deze voordracht had afgehuurd, heb voorgedragen, was de tekst zelf belangrijker dan de voordracht.
Daarom moest er ook een boekje van komen. Wat is een tekst als er geen boek van te krijgen is?
Ewa Mehl ontwierp een omslag. Via haar kwam ik terecht bij drukkerij Jan de Jong in Amsterdam, die mijn tekst wel wilde zetten en drukken.
De zetster, de vrouw van Jan de Jong, belde me tijdens het zetten op met de vraag: ‘Zal ik de typefoutjes eruit halen?’
Aan zet- en drukwerk hing nog een rekening die voldaan moest worden door Stichting Wynant Casimir Producties. Een stichting die verder geen noemenswaardige inkomsten had.
Ik geloof dat De Machiavellist, verschenen in een oplage van vijfhonderd exemplaren, ongeveer vijfduizend gulden kostte.
Mijn vader was enkele maanden daarvoor ziek geworden en hij was niet meer in staat administratieve handelingen te verrichten. Dat moest mijn moeder doen die nog nooit van haar leven een overschrijvingsformulier had ingevuld.
Zij was voor haar administratieve werk op mij aangewezen.

Men zou kunnen zeggen dat we elkaars secretaresse werden.

Zij typte mijn Duitse brieven, ik betaalde haar rekeningen. Een idylle die eeuwig had kunnen voortduren.

Als secretaresse heb je ook enige macht. Terwijl ik haar de overschrijvingsformulieren, die ze alleen nog maar van een handtekening hoefde te voorzien, onder de neus schoof, vroeg ze wel eens: ‘Waar is dit voor?’ En dan zei ik: ‘Dit is voor de loodgieter en dit is voor de schilder, dit is voor het Zilveren Kruis.’ Zonder al te veel problemen verplaatste ik op die manier vijfduizend gulden van haar rekening naar die van Stichting Wynant Casimir Producties. In de fictie die ik had gesponnen heette de loodgieter plotseling Stichting Wynant Casimir Producties.
Waarna ik de factuur van drukkerij Jan de Jong kon voldoen.

Het was uiteraard bedoeld als een tijdelijke verplaatsing. Zodra Stichting Wynant Casimir Producties winst zou gaan maken, zou het geld verplaatst worden naar de rechtmatige eigenaar: mijn moeder.
Toen ik deze anekdote onlangs aan een vriendin in New York vertelde zag ik een lichte ontzetting op haar gezicht verschijnen.

Ik wil noch in zelfbeschuldiging vervallen, noch in een overbodige verdedigingsrede. Wat ik kan zeggen is dat ik een missie had, en dat het mij duidelijk was dat met bepaalde morele gevoeligheden geen rekening kon worden gehouden, wilde ik de missie tot een goed einde brengen. Een dubieuze redenering waarvan de staat ook gaarne gebruik maakt.

Daarnaast was ik dichter en het verkennen van grenzen leek mij voor een praktisch aangelegde dichter meer dan alleen een nuttige bijkomstigheid.
Waar kom ik mee weg? Hoe lang gaat het goed? Welke grens kan ik uiteindelijk niet doorbreken?

Vragen die mij nog steeds bezighouden. Was het niet aannemelijk dat de voze waarheid zich zelf op een grensgebied bevond? Daar waar anderen liever niet kwamen? Daar waarvan anderen beweerden nog niet dood aangetroffen te willen worden, wilde ik wonen.
M
ijn tweede vriendin, na een lange ietwat liefdeloze periode, heette Natalie. Feitelijk was zij mijn eerste werkneemster. Mijn moeder was dan wel de secretaresse van uitgeverij Kasimir en later toen uitgeverij Kasimir een pied-à-terre had, een soort van kantoorruimte al mocht het officieel niet zo heten, kwam zij daar ’s ochtends ongevraagd de ramen lappen. Maar een werkneemster zou ik haar niet willen noemen.

Natalie deed een jaar na mij mee aan de al eerder genoemde jongerenproductie van Toneelgroep Amsterdam. Voorjaarsontwaken van Wedekind werd er dat jaar gespeeld. Een monoloog van Natalie waarin zij opsomde met welke voorwerpen zij allemaal geslagen werd – kasten, bureaustoelen, stalampen – maakte diepe indruk op mij. Ik vroeg haar na afloop van de voorstelling of ze mee wilde spelen in een productie van Stichting Wynant Casimir Producties.

Ze zei ja.
Zonder te vragen wat die Stichting Wynant Casimir Producties precies voorstelde.

Dat nam mij voor haar in.
Feitelijk, bedenk ik nu, was ze werkneemster voor ze geliefde werd.

Ze speelde in het door mij geschreven toneelstuk getiteld Gefundenes Fressen, waaraan verder nog een werkloze Chinees uit de Jordaan, een punker verslaafd aan diverse drugs, eveneens uit de Jordaan, een jong meisje genaamd Babette, niet uit de Jordaan, overigens ook niet werkloos en aan niets verslaafd, en verder nog een dochter van de familie Klumperbeek, een familie die ik grondig had leren kennen tijdens mijn jaren op het Vossius Gymnasium, meededen.
Het geheel werd geregisseerd door de Poolse Jolanta Zalewska en het decor was ontworpen door Ewa Mehl.

Jolanta Zalewska werd nadat het toneelstuk in 1989 in het Amsterdamse Polanentheater was opgevoerd fulltime alcoholist en ergens midden jaren negentig is zij levenloos in een Amsterdamse gracht gevonden.
Ewa Mehl stierf een paar jaar na mijn vertrek naar New York aan leukemie. De laatste jaren van hun leven had ik met beide vrouwen geen contact meer.
Ik had gedaan wat ik had aangekondigd en wat ik ben blijven doen: ik was ontsnapt.

De invloed van deze twee vrouwen op mijn leven, eind jaren tachtig, begin jaren negentig, kan niet worden overschat. Wellicht had ik ook zonder hen hier gestaan, maar anders. Hun lessen breng ik nog dagelijks in praktijk: in naam van de kunst kan elke grens succesvol worden overschreden, maar soms volstaat de fantasie.
Dat beide vrouwen uit Polen kwamen was wellicht meer dan toeval. In Berlijn is een café dat heet Club der Polnische Versager.
In zijn soort een succesvol café.

N
adat Gefundenes Fressen in juni 1989 in het Polanentheater in Amsterdam in première was gegaan, kreeg ik een relatie met Natalie. De werkneemster werd geliefde.
De eerste keer gingen wij met elkaar naar bed op de koude vloer van de garage van mijn moeder, waar later de onverkoopbare boeken van uitgeverij Kasimir zouden komen te liggen.
Ik ben er geen voorstander van in het toeval betekenis te zoeken.
Toeval moet toeval blijven. Maar wie het werk van W.G. Sebald leest, ontkomt niet aan de conclusie dat het soms nodig is in het toeval een bericht te zien, desnoods een open wond.
Van het gemorste zaad naar de onverkoopbare boeken, het lijkt iets te willen betekenen.

Toen De Machiavellist eenmaal gedrukt en wel in de garage van mijn moeder lag, moest het nog naar de boekhandel verscheept worden. Mijn moeders garage mocht een illegaal liefdesnestje zijn, een boekhandel was het niet.
En de verkoop lokte.
Zoals alle kleine uitgevers die beweren het uitsluitend uit liefde te doen, droomde ik ook over verkoop. Met liefde had ik mij willen storten in de oorlog die boekverkoop heet, al was het maar bij gebrek aan betere oorlogen. Maar het loopwerk joeg me toch enige angst aan.
Ik had gehoord dat er zoiets bestond als ‘in consignatie’. De boekhandel legde een boek in zijn winkel, maar betaalde er alleen voor als het verkocht zou worden.
Op meer dan dat kon ik niet hopen.
De werkneemster die geliefde was geworden moest weer werkneemster worden.
Ik stelde Natalie voor naar de belangrijkste boekhandels van Amsterdam te fietsen met een stapeltje ‘Machiavellisten’ in haar tas.
Om dat zelf te doen kwam mij onprofessioneel voor. Je kunt niet je eigen kunst naar de boekhandel brengen en vragen of ze er misschien een plekje voor hebben. Op die manier zit in de afwijzing zelfs geen bittere troost meer.
Een vertegenwoordiger had ik nog niet en ik wist ook niet waar ik die zo snel vandaan moest halen.
Ik zou willen beweren dat ik haar voor de transformatie van vriendin naar handelsreiziger met liefde heb beloond, maar ik vrees dat het niet het geval is.
Stilte en afwijzing zijn acceptabel, maar de liefde die beantwoord wordt is uiteindelijk onverdraaglijk. Nooit heb ik beantwoorde liefde ongestraft gelaten. In enkele uitzonderlijke gevallen ben ik in staat geweest degene die mijn liefde beantwoordde te vergeven.
Natalie kreeg de sleutel van mijn postbus en de opdracht zo een keer in de drie weken langs de diverse boekhandels te rijden om te kijken hoe het met de verkoop zat.
Het zat slecht met de verkoop.
Ik werkte in die tijd nog op een kantoor en de secretaresse aldaar zei: ‘Jouw vriendin doet voor jou wat jij voor ons doet.’
Natalie woonde samen met een kat in de Staatsliedenbuurt. Als ik bij haar bleef slapen, dreigde ik als dank voor haar werkzaamheden als handelsreiziger voor het slapengaan liefdevol de kat te zullen doden.
Een paar maanden heeft zij het uitgehouden als mijn vertegenwoordigster.
Daarna doofde de relatie uit, zowel op zakelijk gebied als het terrein van de liefde.
Zij trad in dienst van mijn moeder als werkster. Het laatste wat ik over haar hoorde is dat ze lesbisch is geworden.
Ik betreur het dat niet al mijn ex-vriendinnen in dienst zijn getreden van mijn moeder als werkster. Het zou een voor alle betrokkenen heilzame en leerzame ervaring zijn geweest. Zo’n ervaring waarnaar iedereen jarenlang tevergeefs zoekt: een die je leven verandert.
Aan Natalie denk ik nog wel eens met tederheid terug. Mijn vader heeft haar op zijn ziekbed nader leren kennen.
Hij was dol op haar.

D
e verkoop van De Machiavellist viel zelfs voor een bibliofiele uitgave tegen. Van de circa dertig exemplaren die Natalie met moeite in Amsterdamse boekhandels had weten te krijgen werden er minder dan tien verkocht. Sommige van de zogenaamd verkochte exemplaren bleken bij nader inzien niet te zijn verkocht maar te zijn gestolen.
Geheel vruchteloos bleek de uitgave van De Machiavellist ook niet te zijn. Aangezien het wat mij betreft om een monoloog ging had ik drie exemplaren in consignatie laten leggen in de International Theatre & Film Bookshop op het Leidseplein, toen nog in handen van Jan Ritsema.
Enkele maanden nadat het boekje onverkoopbaar in zijn boekhandel had gelegen, liet Jan Ritsema mij twee maanden tegen betaling in een stuk voor kinderen spelen. Daarna bood Ritsema mij aan zijn persoonlijk secretaris te worden.
Ik heb altijd verband gelegd tussen De Machiavellist en deze aanstelling als persoonlijk secretaris, maar wellicht fantaseer ik.
Toen ik Ritsema vertelde van mijn plannen een literaire uitgeverij te beginnen, stelde hij voor om het een met het ander te combineren.
In ruil voor secretariswerkzaamheden zou ik gebruik mogen maken van zijn aansluiting bij het Centraal Boekhuis waardoor mijn boeken gedistribueerd konden worden.
Ook zou ik gebruik mogen maken van zijn vertegenwoordiger.
Pogingen van de geliefde een handelsreiziger te maken, waren geen onverdeeld succes geweest. Er moest een handelsreiziger worden gevonden die geen geliefde was.
De vertegenwoordiger van Ritsema wilde niet mijn vertegenwoordiger worden, maar hij zei: ‘Ik ken wel iemand die het misschien wil doen.’
Het bleek om Frans Eitjes te gaan.
Op een avond zat Frans Eitjes bij mij in de Van Eeghenstraat.
‘Zeg maar Frans’, zei hij.
Vroeger was hij tuinman geweest, nu was hij vertegenwoordiger.
Hij verkocht vooral kunstboeken aan de boekwinkel, maar mijn fonds kon er nog wel bij.
We dronken een fles wijn.
Mijn eerste aanbiedingsfolder had ik laten drukken bij Jan de Jong. Daarna ben ik overgestapt op een goedkopere drukker.
De tekst in de folder bestond voornamelijk uit recensies uit Duitse kranten die ik zelf had vertaald. De vertaling wemelde van de germanismen maar daar las Eitjes overheen.
Hij bladerde er wat in en bij elk boek noemde hij de naam van een boekhandel waarna hij zei: ‘O, die neemt hier wel een paar exemplaren van af.’
Achteraf gezien had ik een voorgevoel moeten hebben dat het met de verkoop niet mee zou vallen.
Hij ging op pad met mijn fonds en ik heb hem nooit meer gezien, alleen nog een paar keer door de telefoon gesproken.
In 2006 hoorde ik dat het met Frans Eitjes slecht is afgelopen. Lang nadat uitgeverij Kasimir was opgehouden te bestaan is Frans Eitjes overvallen door de waanzin. Wanneer ik terugkijk op dit verleden lijkt het alsof de wens om te ontsnappen besmettelijk is. Misschien dat zij die willen ontsnappen mensen aantrekken die er net zo over denken. Ook de ontsnapping is iets wat je kunt delen.
Het eerste boek van Kasimir verscheen: Rubinsteins veiling van de al eerdergenoemde Seligmann, vertaald door Tinke Davids, die lang op haar geld heeft moeten wachten.
De garage van mijn moeder lag nu vol met boeken. Als liefdesnestje zou die garage geen dienst meer kunnen doen.
Achter op mijn fiets bond ik een doos met boeken en ik fietste naar het Leidseplein waarna de boekwinkel en uitgeverij van Ritsema verder voor de distributie zorgden. Een enkele keer viel de doos met boeken van mijn fiets. Bagagedragers bieden geen volledige zekerheid.
Ik heb ook heel wat beschadigde exemplaren naar de boekhandel opgestuurd.
Aangezien ik mij geen publiciteitsmedewerker kon veroorloven en de geliefde zich ook als onbezoldigd medewerker van de Stichting Wynant Casimir Producties inmiddels genaamd Kasimir Uitgeverij had teruggetrokken, stuurde ik mijn eerste boek zelf op aan alle kranten en tijdschriften.
Daarbij permitteerde ik me enige slordigheden. Ik richtte een schrijven aan NRC Handelsblad, ter attentie van Michaël Zeeman, terwijl Zeeman bij de Volkskrant zat.
De krant deed niet moeilijk over deze naamsverwisseling.
De eerste reactie kwam van Lucas Ligtenberg van NRC Handelsblad. Hij wilde een kort interview met de uitgever van de in niet-Arische Duitse literatuur gespecialiseerde uitgeverij.6
Dat interview kon wel telefonisch.
Ik deed mijn best ernstig en doorleefd over te komen, ook een tikkeltje geleerd. Maar toen het was afgelopen, belde hij nog eens op met de vraag: ‘Hoe oud ben je eigenlijk?’
Een paar jaar later verhuisde Ligtenberg naar Amerika. Hij schreef nog een paar artikelen voor de krant, ik ben hem in New York in 1995 nog wel eens tegengekomen en daarna werd het stil. Ik geloof niet dat iemand nog iets van hem heeft gehoord.
Ook hij bleek een ontsnappingskunstenaar te zijn.
Oscar van Weerdenburg schreef een tamelijk sympathieke recensie in de Volkskrant. Hij nodigde mij uit voor een soiree in zijn woning aan de Minervalaan, waar een Duitse dichter zou voorlezen. Kort daarop hield hij voor altijd op met recenseren.
Jacq. Vogelaar, hij is een uitzondering in deze reeks, publiceerde een gezien het boek welwillende recensie in De Groene.
De verkoop was een ramp.
Frans Eitjes nam de telefoon niet op en nadat hij mij schriftelijk op de hoogte had gebracht van de reacties van de boekhandelaren durfde ik hem ook niet meer te bellen.
De bibliotheken brachten uitkomst. Zij bestelden, gebaseerd op een goede recensie, een kleine achthonderd exemplaren.
Op een dag in de winter laadde ik vrijwel de volledige eerste druk van Rubinsteins veiling in de Citroën van Jan Ritsema en ik reed met hem naar Leidschendam, waar ik bij de Nederlandse Bibliotheek Dienst achthonderd exemplaren afleverde.
De eerste druk was bijna uitverkocht.
Overmoedig geworden door dit succes besloot ik het nu professioneler aan te pakken.
Ik nam een ontwerper in dienst, gaf verschillende vertalingen tegelijkertijd uit, en stapte over naar een duurdere drukkerij, Thieme, waar ook Van Oorschot zijn boeken liet drukken.
Met enige regelmaat bracht ik achter op mijn fiets een doosje met boeken naar het Leidseplein. Als persoonlijk secretaris stelde ik teleur. Het antwoord dat ik mijn baas het vaakst gaf, luidde: ‘Ik heb mijn best gedaan, maar het is niet gelukt.’
Omdat ik na een tijd inzag dat mij als persoonlijk secretaris niets lukte, besloot ik ook niet meer mijn best te doen.
Ik werd boven de bioscoop City in een klein kantoor gezet waar ik van persoonlijk secretaris werd omgeschoold tot zetter. Dit onder het toeziend oog van Marianne, die later mijn derde vriendin zou worden en met wie ik naar New York ben geëmigreerd.
Een groot deel van mijn arbeidzame leven als zetter echter bracht ik door in lunchroom ’t Haantje, achter het Leidseplein. Enkele gedichten heb ik gewijd aan lunchroom ’t Haantje, die ik hier niet zal citeren. Niet alleen een moeder kan een muze zijn, lunchroom ’t Haantje was ook mijn muze, bij gebrek aan een gepassioneerde vrouw zoals Madame Bovary.

G
elukkig wist ik weinig van het boekenvak toen ik uitgever werd. Een zekere naïviteit is onmisbaar alvorens men aan grote of kleine ondernemingen begint.
Toen ik mijn dagen in lunchroom ’t Haantje sleet, wist ik al iets meer. Nog niet alles. Wat ik nog niet wist was hoe het gesteld was met de invloed van de kritiek.
In een prachtige gebonden uitgave kwam Socrates van Manès Sperber bij Kasimir uit. Een schrijver met zoals dat heet een internationale reputatie. The New York Times had zijn werk besproken, Elie Wiesel kende hem persoonlijk, hij had de belangrijkste Duitse prijzen gewonnen.
Chris van Esterik wijdde op pagina 1 van CS Literair een lovende beschouwing aan Socrates en het andere werk van Sperber.
De week nadat deze beschouwing verscheen, bestelde de boekhandel circa zeventig boeken bij.
Om de wat royale aandacht van NRC Handelsblad te compenseren, deden de andere kranten er het zwijgen toe.
Ook de oorlog die handel in boeken heet, had ik verloren.

De nadruk op de nederlaag, hoe waar ook, heeft iets onoprechts. Ik sta hier niet als verliezer. Uiteindelijk is het met mij goed gekomen, of althans lijkt het goed met mij te zijn gekomen.
In Frankfurt ontmoette ik Vic van de Reijt, die, zo vertel ik dat meestal tijdens lezingen in Duitsland en omstreken, niet geïnteresseerd was in mijn uitgeverij maar wel in een roman van mij.
De rekeningen van drukkerij Thieme bleven onbetaald, Thieme nam de boeken in beslag. Toen mijn eerste roman Blauwe maandagen goed verkocht, kon ik de openstaande facturen voldoen, de boeken werden weer afgeleverd en in de garage van mijn moeder gestopt waar ze tot op heden liggen.
Uitgeverij Kasimir had zijn doel gediend.

Z
o is het min of meer gegaan en toch kleeft er iets onbevredigends aan als ik het verhaal zo vertel, alsof dit het laatste woord zou zijn.
Ik heb er alles aan gedaan om erkenning te krijgen als schrijver.
Ik heb er alles aan gedaan om mij te assimileren aan het succes, assimileren, om dat woord dat Adam Phillips gebruikt om de kunst van Houdini te typeren nog maar eens te herhalen.
Het is tijd om eraan te ontsnappen.
‘Alles ist wahr und ein Warten auf Wahres’, schrijft Paul Celan in een gedicht.
‘Alles is waar en wachten op waars’, in de Nederlandse vertaling van Ton Naaijkens.
Een raadselachtige regel. Als alles waar is, waarop moet je dan wachten?
Alles is waar, dat klinkt als een man die de angsten van zijn vrouw probeert te bezweren of omgekeerd.
Wat zou dat waars zijn waarop gewacht moet worden? Niet de dood.
Alles kan waar zijn, maar het ware moet nog een stem krijgen.
De gebeurtenis heeft taal nodig om gebeurtenis te zijn.
In de verkoop van het boek, in het boek als middel om een maatschappelijke positie te veroveren en economisch te overleven heb ik de dood ontdekt.
De verleiding van de taal die wacht op ‘waars’ is reëel en huiveringwekkend, maar geen wondermiddel dat het verlies ombuigt in winst.
Alleen de dood die verkoop heet dwingt tot zo’n oneigenlijk einde.
Onze geschiedenis is een nederlaag. Hoe kan onze literatuur daaraan ontkomen?
Een sublieme nederlaag kan zij zijn, een die je niet wordt opgedrongen, maar waarvoor je kunt kiezen. Ik heb ervoor gekozen, ik zal er weer voor kiezen.
‘Ik graaf, jij graaft en ook hij graaft, de worm en het zingende ginds zegt: ze graven’, schreef Celan.
Meer mag de eerzucht niet verwachten, op meer hoeft alle liefde van de wereld niet te rekenen: om het zingende ginds te zijn.

NOTEN
1 Arnon Grunberg, Blauwe maandagen (Amsterdam, 1994) en Amuse-gueule (Amsterdam, 2001).
2 Arnon Grunberg, De troost van de slapstick. Essays (Amsterdam, 1998), p. 23.
3 Arnon Grunberg, De troost van de slapstick. Essays (Amsterdam, 1998).
4 Arnon Grunberg, Amuse-gueule (Amsterdam, 2001).
5 Arnon Grunberg, Figuranten (Amsterdam, 1997).
6 Ligtenberg heeft ook een recensie geschreven over Rubinsteins veiling van Rafael Seligmann, dat in 1991 door Kasimir werd uitgegeven.

Dit is de tekst van de zeventiende Bert van Selm-lezing, die Arnon Grunberg op 2 september 2008 uitsprak in Leiden. Het is de eerste openbare lezing van Arnon Grunberg in het kader van het door hem vervulde Gastschrijverschap 2008 aan de Universiteit Leiden

Deze maand verschijnt bij uitgeverij Lebowski Grunbergs nieuwe roman Onze oom