De dood in de coulissen

TONEEL
Mary over Theater en de Dood

Misschien is het een bezweringsformule gebleken, al het gesop over dat er van toneelspelers na hun dood niet veel meer overblijft dan een bak foto’s en een archiefdoos vol vergeelde programmaboekjes & knipsels. En tegenwoordig een website. Niet alleen de geest van de toneelspeler waart door de toneelhuizen (of hun spook), ze komen godbetert na hun dood zelf weer op en gaan weer af. Geïmiteerd door anderen natuurlijk, en alleen de publiekslievelingen van weleer, maar toch, het wordt een hype, let op mijn woorden. In de kleinkunst was het al enige tijd een trend: Louis Davids, Jean-Louis Pisuisse, Fien de la Mar, Wim Kan, Johnny Jordaan, Wim Sonneveld – alleen aan Toon Hermans heeft bij mijn weten nog niemand zich gewaagd. Maar nu dus ook de ‘actreutels’ – aanvankelijk een scheldwoord, nu een geuzennaam. Ko van Dijk stapt volgend seizoen weer rond op de bühne. Dit seizoen bijt Mary Dresselhuys het spits af.
Ger Beukenkamp schreef het stuk Mary over Theater en de Dood, Theatergroep Toetssteen speelt het nog tot in het komend weekend en volgend seizoen weer, en de onvolprezen toneelspeelster Ineke Veenhoven is zodanig ‘om-het-eggie’ in de huid van ‘La’ Dresselhuys (1917-2004) gekropen, dat er altijd wel een oudere heer op de eerste rij klaarstaat om de natuurgetrouwe kopie van de Grande Dame der vederlichte comédié een bos bloemen aan te bieden. En dat zijn dan natuurlijk geen aronskelken. Zijn ze nodig, die revivals? Je vraagt over nostalgie ook niet of dat een noodzakelijk sentiment is, het is een blijmoedig-weemoedig sentiment. Of zoals de Mary Dresselhuys van Ger Beukenkamp het zegt: ‘Nooit heb ik een puur negatief karakter gespeeld. Kniertje wordt bij mij altijd meteen Mien Dobbelsteen.’
De plot van Mary over Theater en de Dood is flinterdun: Dresselhuys wordt geacht in haar vakantiehuis met een toneelspeler te repeteren aan een stuk dat ze eigenlijk niet wil spelen. Uiteindelijk komt de producent met een uitweg uit de impasse: de toneelspeler gaat de diva op het podium interviewen over haar leven – dat is in de nadagen van Dresselhuys’ loopbaan ook gebeurd (met Paul Haenen). Ergens op de helft van het stuk lijkt het dunne verhaallijntje te worden opgepompt tot een relaas over het toneel als knekelhuis (‘Ik heb hem al een paar maal gezien, de dood, wachtend in de coulissen’), de angst voor de laatste rol, de afgang van het elektronisch souffleren via ‘de oortjes’, het gevoel de verbinding met jonge generaties toneelspelers te verliezen. En wellicht het dodelijk vermoeden dat het niet meer voelen van de publieksadem in een volle theaterzaal de toneelspeler voorgoed de eigen adem zal doen stokken.
Over de tragedie van de ouder wordende toneeldiva zijn betere stukken geschreven en dat Beukenkamp vraagstukken als de ‘doorspelers’ in de oorlog er wat halfbakken bij sleept maakt zijn script er bepaald niet sterker op – het is alles bij elkaar hinken op wel erg veel flodderige gedachten tegelijk. Ineke Veenhoven is zeer vermakelijk en speelt geen imitatie maar een fraaie, persoonlijke impressie van hoe het toneelpersonage Mary Dresselhuys eruit zou kunnen zien. Maar ja, het speelmateriaal is zo onevenwichtig over de toneelspelers verdeeld dat de titelfiguur de rest van de cast en hun craquelé-nichtenhumor met gemak van het podium blaast. Voor de liefhebbers een must see, zullen we maar zeggen. En voor de sukkelaars die niet van nostalgie houden een levend fotoalbum met de stemmen van de hoorspelkern.

T/m 2 mei in De Engelenbak, Amsterdam, daar terug tweede helft december, september tournee