Literatuurexpress 2000

De dood in glazuur

Tijdens de Literatuurexpress 2000 deelden Europese schrijvers het geloof dat Kunst en Cultuur even essentieel zijn voor de Europese eenwording als Politiek en Economie.

Het idee was nobel en genereus, maar volgens sommigen ook een tikje dwaas en megalomaan; de Literatuurexpress Europa 2000: laat een honderdtal schrijvers uit 43 Europese landen per luxe trein het continent over reizen, lezingen geven en debatten bijwonen, en kijk wat het oplevert aan interculturele verbroedering. Het idee kwam uit de koker van de in de DDR geboren literatuurwetenschapper Thomas Wohlfahrt, die als jongen droomde van een Europa waarin alle volkeren elkaar onbelemmerd de hand konden reiken. De afgelopen vijf jaar offerde hij volledig op aan zijn droom. Hij stelde een organiserend team samen, regelde subsidies en zette de Literatuurexpress op de rails volgens het traject van de luxe Noord-Zuid Express (van Sint-Petersburg tot Lissabon) die de Brusselse bankier Georges Nagelmackers in de vorige eeuw decennialang vergeefs tot stand probeerde te brengen.

De schrijvers op de trein beleefden «de idee Europa» gedurende zes weken als een even boeiende als kakofonische symfonie, getiteld Eurobabylon. Ik herinner me nog hoe de Duitse organisatrice Jessica Falzoi bij aanvang meldde dat van alle verhalen en gedichten van de deelnemers vertalingen in elf talen waren gemaakt. «Elfhonderd vertalingen in totaal!» riep ze triomfantelijk. Over de kwaliteit van de vertalingen kon ze weinig zeggen. De Belgische schrijver Kamiel van Hole sprak wat sceptisch dat een literaire tekst vertalen wat hem betreft hetzelfde was als «een vrouw strelen met handschoenen aan». Falzoi reageerde daarop gepikeerd: «Het niet vertalen van een tekst is als een vrouw in de kou laten staan.»

Dat het Verenigde Europa van de Volkeren en Culturen niet voor morgen is, blijkt meteen al bij aanvang van de reis, als ik me in Lissabon naar een Slavisch instituut begeef waar een gesprek plaatsvindt over Europa en Oorlog. Aan het debat nemen Stevan Tontic deel (een Bosnische Serviër die sinds de belegering van Sarajevo in exil leeft in Berlijn), de Wit-Russische dichteres Wolga Ipatava, een Angolese schrijfster en Nenad Velickovic (eveneens uit Sarajevo). Ipatava draagt uit het hoofd een gedicht voor over het weeshuis waar ze haar jeugd heeft doorgebracht, nadat haar ouders in de Tweede Wereldoorlog waren omgekomen. Een op de drie Wit-Russen stierf gedurende de oorlog, vertelt Ipatava. Tontic leest een gedicht voor over de stad die hij in 1993 ontvluchtte. «De grens midden door het hart» heet het. Zijn geboortestad heet in zijn gedicht «het oord van de onvermijdelijke ondergang».

Een schrijver uit Barcelona staat op uit het publiek en houdt een spontane toespraak waarin hij stelt dat deze trip belangrijk is om elkaar beter te leren kennen, zodat gruwelijke rampen en oorlogen in de toekomst kunnen worden voorkomen. Wegens het uitblijven van enige Engelse, Franse of Duitse vertaling lukt het me niet om verder nog iets van het debat mee te pikken. Ik vertrek lichtjes verontwaardigd en teleurgesteld. De ervaring leert me dat er gedurende deze reis toch echt behoefte is aan een lingua franca, omdat anders de communicatie stokt en de culturele verbroedering waarover zulke plechtige toespraken gehouden worden, niet meer dan een holle frase blijft. De middeleeuwers die zich van het Latijn bedienden waren allicht zo gek nog niet. In de dagelijkse omgang en bij het schrijven kon je je altijd nog verlaten op je moedertaal — ook Erasmus sprak zijn laatste woorden in het Nederlands.

«Dat is makkelijk gezegd voor een Hollander», zegt de Franse dichter Jacques Jouet tijdens een debat in Madrid dat over deze zaken handelt. «Het zijn de kleine talen die er alles bij te winnen hebben dat het Engels of het Duits zal zegevieren. Ik ben tegen het monisme, en voor het Europa van de diversiteit.»

Eenheid in diversiteit. Het is een van de slogans die de EU in haar vaandel heeft geschreven. Tot zover komen politiek en cultuur voor menig auteur op de trein dus nog overeen.

Aan het einde van de eerste week stapt de karavaan in een druilerig Madrid op de nachttrein naar San Sebastian, vanwaar we overstappen op de TGV naar Bordeaux. De nachttrein bevat slaapcompartimenten voor twee personen, en de organisatie van de Literatuurexpress nodigt de schrijvers onomwonden uit «een partner voor de nacht te zoeken». Voor veel schrijvers blijkt deze nachtelijke rit niet zozeer een erotisch buitenkansje, als wel een reis door de hel. Geschommel, herrie, gebonk, gesnurk, stank en veel te krappe bedden. De plas moet worden gedaan in een po. Uitgeput en vervuild arriveren de auteurs in de stad van de drie M’s: Montesquieu, Montaigne en Mauriac.

«Het Europa waarin wij leven, kan en mag niet slechts een Europa van de zaken zijn», oreert de loco-burgemeester van Bordeaux, met typisch Frans gevoel voor grootspraak. «Het is aan u schrijvers om aan de economische Europese Unie ook een Culturele Unie toe te voegen. U, schrijvers, bent de ideale tussenpersonen hiervoor, intermediairs tussen droom en werkelijkheid. Laat ik de woorden van Montaigne citeren, die schreef: je peins le passage. U, beste gasten, bent de voorbijgangers, zonder welke de Europese trein nimmer op zijn bestemming aan kan komen. Net als Goethe draagt u het Europa in uzelf.»

Initiatiefnemer Wohlfahrt voegt daar wat onbeholpen aan toe, in zijn sappige Germano-Engels: «No nation can make Europe in itself. Europe needs all nations.» Terwijl ik naar die ferme Duitse gestalte kijk zoemen de beelden van talrijke oorlogsfims door mijn hoofd. Een ondeugende gedachte (in de zin van niet-deugend) want Wohlfahrt staat hier niet boven de Fransen uit te torenen als SS-officier. Hij staat hier als een Europese Duitser anno 2000, die zijn gastvrouw ondanks zijn zware accent consequent in het Engels het hof maakt

Historische animositeit wordt opgerakeld tijdens het gastronomische buffet, waar de Italiaanse auteur Niccola Lecca zich tegoed doet aan de blauwgrijze Atlantische garnalen. «Yakkie», zegt de blonde Duitse rechterhand van Wohlfahrt, «eten jullie Italianen die garnalen zo, met kop en ogen?» Waarop Lecca haar toebijt: «Ik weet dat jullie Duitsers liever eerst de kop eraf hakken. Of prefereer je de garnalen liever teder vergast?»

De Estse dichter Karl Martin Sinijärv, een kalende dikkerd met een rosse baard, haakt in met een politiek-incorrecte grap: «Als Hitler nog geleefd had, zou hij geen boeken hebben verbrand. Hij zou ze hebben gerecycled. Dat is wat hij op het eind van de oorlog al deed met de joden.»

Voor de meeste auteurs is de treinreis tot nu toe soepeltjes verlopen, maar Kaliningrad levert een echte cultuurschok op. De Bulgaarse schrijfster Virginiya Zaharieva kan er maar niet over uit — die ultiem lelijke, armoedige sovjetstad die gebouwd is op de ruïnes van het ooit zo prachtig schone Oost-Pruisische Koningsbergen, de stad waar Emmanuel Kant is begraven, alsmede honderdduizend andere zielen wier lichamen in de napalmexperimenten van de geallieerden en het crossfire van het Rode Leger zijn verzengd.

De schrijvers worden uitgenodigd om, direct na aankomst, bloemen te leggen bij de monumenten ter ere van Poesjkin, Schiller, Kant en «de duizend en een patriotten van de Grote Patriottische Oorlog». Overal worden de auteurs begeleid door orkestjes die grafmuziek blazen. Ik heb geen stad gezien waar je zoveel aan de dood en het verleden wordt herinnerd. Een kapotgeschoten brug uit de Tweede Wereldoorlog ligt nog altijd in het water.

De gulzigheid waarmee de bewoners van Kaliningrad zich aan de literaire reizigers vastklampen, is even angstaanjagend als hartverwarmend. Een ervaring die ik slechts een keer eerder heb meegemaakt: in Gorazde, waar ik in 1995 een Unprofor-konvooi vergezelde dat voedsel afleverde in de enclave die de voorbije maanden van de buitenwereld was afgesloten.

Guennadij Polischshuk, een Russische acteur, brengt in Svetlogorsk (het vroegere Rauschen, aan de Baltische Zee) lachend een toast uit: «For you and me the best, and all the others go to hell.» En de hel, daar weet men van, daar in Kaliningrad. Polischshuk houdt een toespraakje over de Russische ziel, die volgens hem «gul, grootmoedig, ondoorgrondelijk» is, en vooral «heel zwaar om te dragen». «We hebben geen cent», zegt hij, «maar we zijn het rijkste volk ter aarde.»

In Minsk, Wit-Rusland, worden de schrijvers van de trein onthaald op eenzelfde folkloristisch heldenwelkom als in de Russische enclave aan de Baltische Zee. Net als in de goeie ouwe tijd van het Fellow Travelling, toen westerse toeristen in de Sovjet-Unie nog als koningen van vreemde stammen werden ontvangen. Onder militair escorte wordt het gezelschap, via regenachtige en verlaten straten, naar het gemeentehuis gereden, waar de autoriteiten woorden te kort komen om hun gasten te prijzen. «Dank u voor het scheppen van harmonie in deze verdeelde wereld», spreekt de minister van Cultuur. De burgemeester van Minsk begint zijn praatje nogal cynisch met de opmerking dat elke grote stad haar markeringspunten heeft. Parijs heeft de Eiffeltoren, Rome het Colosseum, Londen de Tower Bridge. «Minsk heeft niets meer», besluit de minister. «Al onze markeringspunten zijn verwoest tijdens de Grote Patriottische Oorlog. Toch heet ik u van harte welkom, in deze dappere, historische hoofdstad van het Blauwogige Wit-Rusland.»

Na afloop van de ontvangst maakt de bus met schrijvers een tour door de stad. Alle monumenten worden getoond, meestal voor partizanen, communisten of dichters. Pokdalige standbeelden zijn het, van vier keer de menselijke proportie. De rondleidster somt het aantal keren op dat Minsk in zijn 930-jarige bestaan met de grond gelijk werd gemaakt. «In 1505 door de Krimtartaren. In 1654 tijdens de Pools-Russische oorlog. In 1708 tijdens de Zweeds-Russische oorlog. In 1812 door Napoleon en in 1941 door de Duitsers.»

Er volgt een korte stilte als we langs het okergele KGB-hoofdkwartier rijden. De dame van de rondleiding kijkt de andere kant op. Walter Aliferavis, een Wit-Russische schrijver die naar eigen zeggen «korte sciencefictionverhalen met antitotalitaire propaganda» schrijft, omschrijft het bolwerk als het «gebouw met de duizend kamers». Het gebouw kent geen straatnummer, geen bordjes, geen opschriften. «Het is gebouwd om angst aan te jagen. De architecten van Stalin waren vaklieden. Hun meesterschap leverde ze vaak niet veel meer op dan de dood, want de architecten waren doorgaans de eersten die achter de metersdikke muren werden geslachtofferd.»

Aliferavis vraagt of het waar is dat de schrijvers op de trein een petitie hebben opgesteld over de oorlog in Tsjetsjenië, in de vorm van een open brief aan de Russische president Vladimir Poetin. Als dat zo is, wil hij die graag naar Vilnius in Litouwen smokkelen en publiceren in de onafhankelijke krant Slobodnie Novosti.

De open brief aan Poetin leidde tot fikse ruzie tussen de Russische en de Oekraïense schrijvers op de trein. De Russen, die niet over de brief werden geconsulteerd, voelden zich gepasseerd en begonnen op eigen houtje een tegenoffensief door boeken rond te delen waarin gruwelijke snuff-foto’s te zien waren van Russische mannen die door Tsjetsjenen werden onthoofd met slagersmessen.

Over de verdwijningen van Wit-Russische collega’s in het KGB-gebouw van Minsk maken de meeste schrijvers van de Literatuurexpress, ook de Oekraïeners, zich niet echt sappel.

De beklemmende atmosfeer in Minsk blijkt weinig bevorderlijk voor de dichterlijke creativiteit. De ene helft van het schrijverskorps blijkt na een dag aan ernstige buikkrampen te lijden, de andere aan verschijnselen van paranoia of acute writer’s block. De meesten krijgen geen pen meer op papier en schreeuwen in de lobby tegen de organisatie dat ze «weg weg weg!» willen. Bashkim Shehu uit Albanië vertelt dat Minsk hem doet denken aan het Tirana van de stalinist Hoxha in de jaren zeventig. Karl Martin Sinijärv vertelt in nachtclub Nightflight van zijn kafkaeske droom waarin hij de badruimte op zijn hotelkamer bezocht en de openingen op het toilet een voor een zag verdwijnen. Eerst versmolt de toiletbril met de toiletpot, toen verdween de toiletpot in de vloer, en vervolgens was er geen enkele deur meer in de ruimte. Alleen de donkere, gladde tegels resteerden die de binnenkant van elk publiek gebouw in Minsk tot een naargeestige ruimte maken. De volgende dag heeft Sinijärv met dikke viltstift «Minsk gives you the creeps» op een wit T-shirt geschreven.

Een van de mausoleumachtige ruimten, waarin Sinijärv zijn toilet zag veranderen, is het Schrijvershuis in Minsk, ulica Frunze nr. 5. De scribenten van de Literatuurexpress zijn er de avond voor hun vertrek uitgenodigd om een tirade bij te wonen van de minister van Cultuur tegen de oprukkende massacultuur, door hem de «aids van de hedendaagse cultuur» genoemd. «Het probleem is dat je haar niet bij de grens tegen kunt houden», aldus de minister van een staat die zijn eigen grenzen naar maximale kunnen dicht heeft getimmerd en de eigen bevolking gevangen houdt.

In de hal vindt een boekenbeursje plaats van een schamel aantal boeken dat de afgelopen decennia uit het buitenland is vertaald, en op de binnenplaats is er een kleine schermutseling als theatergroep NihilNihilNihil intervenieert met At the End of Dark Times; Theatre of Psychical Inbalance. Twee jongens houden de glazen deur dicht die naar de binnenplaats voert, om te voorkomen dat de plaats ontruimd wordt door de bewakers. Twee hebben zich laten vastsnoeren op een stoel en dragen KKK-achtige puntmutsen. Hun lichaam is omwikkeld met elektriciteitsdraad en in hun mond zit een grote witte prop. De muziek bij het tafereel is van muzikanten die zich Het Huis Waar Niemand Leeft noemen.

De autoriteiten, de militie en de Wit-Russische uitgevers doen of ze de theatermakers op de binnenplaats niet zien. Een portier gaat voor het raam staan, zodat er niet gefilmd kan worden. Vanaf het restaurant op de eerste verdieping probeer ik het merkwaardige tafereel alsnog te volgen. Het meisje dat heupwiegend bedient, vraagt waar ik vandaan kom. En of ik wat wil drinken en eten. Na een uur vraagt ze, in gebrekkig Duits, of ik met haar wil trouwen. «Meinherr, ja ich will hier weg, verstehen Sie? Belarus nicht gut.»
Voor ik mijn koffer pak, lees ik nogmaals die eerste zin uit de folder Welcome to Minsk; Advertising Gide & Sity Map: «We are certain that those who came here will remember the capital of the Republic of Belarus for a long time.» Per militair escorte worden we teruggevoerd naar het station. Bij de grens met Polen barst er gejoel los in de trein. Het voelt alsof we zojuist aan de Cocytus zijn ontstegen.

Na zevenduizend lange kilometers en achttien steden komt de Literatuurexpress tot stilstand in Berlijn, de stad die tot voor kort het symbool was van de tweespalt in Europa. Op de slotdag, als het circus van de lezingen, debatten, recepties en slemppartijen definitief wordt opgedoekt, worden er hete tranen geplengd door de fysiek en geestelijk uitgeputte schrijvers. In de lobby van Hotel Unter den Linden vliegt men elkaar een laatste maal om de hals of, zoals de Oekraïeners en de Russen, in de haren. Sommige schrijvers zitten verdwaasd en ontregeld maar een beetje naar de regen te staren. De reispsychologe die met de Literatuurexpress meereisde, had er al voor gewaarschuwd. Na enige weken kan er bij sommige schrijvers een vorm van regressie optreden: wat te doen na deze Grand Tour?

De 106 auteurs van de trein keren emotioneel leeg maar voldaan huiswaarts, naar hun vrouw, kinderen en vrienden die een tijdlang ten bate van de literatuur in de kou zijn gezet. De vertalingen van hun werk mogen ze meenemen. Misschien komen ze nog van pas voor het vervolgproject dat uit de Literatuurexpress zal voortvloeien: de oprichting van een Internationaal Literair Netwerk. Het voorstel hiertoe werd op de Bebelplatz aangeboden aan enkele Europarlementariërs, samen met een petitie waarin de schrijvers van de trein expliciet stelden dat de auteurs «het geloof delen dat Kunst en Cultuur even essentieel zijn voor de Europese eenwording als Politiek en Economie», dat het Europese Parlement en de Europese Commissie de dialoog tussen schrijvers uit Oost- en West-Europa zouden moeten stimuleren, dat de bescherming van de kleinere talen gezien moet worden als een plicht en gemeenschappelijke verantwoordelijkheid, dat de wetgeving over auteursrechten zou moeten worden geharmoniseerd en (ten slotte) dat «in deze instabiele overgangsperiode waarin de toekomst van de literatuur op het spel staat, er een nieuwe geo-poëtica zou moeten worden gecreëerd, een die parallel loopt aan de nieuwe geo-politiek, zodat we een Europa kunnen scheppen dat aan ons allen toebehoort».

Over alle punten was tijdens discussies op en om de trein gesoebat. Zelfs na afloop van de slotceremonie is er sprake van tumult omdat sommige schrijvers niet zijn gekend in de uiteindelijke tekst die «namens alle schrijvers» wordt voorgelezen.

«Dat de culturele eenheid van Europa niet voor morgen is, is misschien maar goed ook», concludeert de Duitse schrijfster Felicitas Hoppe, die zich van de slotverklaring distantieert. «Eenheid is stilstand en verstarring – de dood in glazuur. Het uitzicht vanaf de toren van Babel is uiteindelijk toch veel mooier dan het uitzicht vanaf de begane grond.»