Nadia Fusini

De dood in het lichaam

Nadia Fusini, Het mooist vond ik haar mond.

Vertaald uit het Italiaans door Carolien Steenbergen

Uitg. Serena Libri, 190 blz., ƒ39,50

Het mooist vond ik haar mond is de eerste roman van de Italiaanse letterkundige Nadia Fusini en een zeer indringende autobiografie over de liefde die een klein meisje voelt voor een vader die zij adoreert en idealiseert. Tegen over de freudiaanse driehoek stelt Fusini de vierhoek: vader en dochter, moeder en zoon, en tussen de vier personages wordt een geheimzinnig en wreed spel gespeeld van aantrekking, jaloezie, liefde en haat. Nadia hoort bij haar vader, en hun liefde is zo sterk dat de echtelijke band daaraan ondergeschikt wordt. Haar moeder heeft Georgio, die Nadia pest en slaat, en die zij niet bij zijn naam noemt maar «haar zoon».

Nadia groeit op in Toscane, kort na de Tweede Wereldoorlog. Haar ouders waren communisten en zaten in het verzet. De verhalen over hun heroïsche strijd vormen de ach tergrond van haar jeugd, samen met de schil der achtige leden van de grote familie, de huizen waarin deze wonen en het sensuele Toscaanse landschap. Fusini vertelt hierover op een tegelijk poëtische en zeer lichamelijke wijze. Op onnavolgbare manier weet zij geluiden, geuren en indrukken van onvermoede betekenissen te voorzien, en samen met haar dringen we door tot in de meest intieme en verborgen plekken van de kinderlijke verbeelding, waarin werkelijkheid, fantasie en droom tot een onlosmakelijk geheel worden gesmeed. De drie vertellende stemmen, die van het kind, de adolescente en de volwassen vrouw, vormen een perfecte eenheid.

De wereld waarin Nadia leeft, bestaat uit tegenstellingen. Liefde en haat, leven en dood, geluk en angst. De winter verandert de lieflijke groenglooiende heuvels in kille ijzige vlaktes. De hete vruchtbare aarde staat in schril contrast tot de schrale grond in de mijnstreek, waaronder helse vuren branden. De zon, symbool van het mannelijke, adoreert ze, omdat hij elke ochtend weer de angst aanjagende duisternis verdrijft.

De wereld van haar vader is die van de politiek maar ook van plezier maken, dansen en zingen, die van haar moeder wordt beheerst door respect voor de kerk, deugd en plichts gevoel. Haar ouders belichamen die tegenstellingen: een liefdevolle vader die haar graag knuffelt en verhalen vertelt, en een koele, afstandelijke moeder die haar liefde voor haar zoon bewaart. Vader en dochter houden van dezelfde dingen en van elkaar, de verhouding met haar moeder loopt stroef, de alliantie tussen moeder en zoon kan door het meisje niet doorbroken worden. Nadia’s moeder is knap en elegant maar mager, haar eigen lichaam is kinderlijk en hoekig. Dik en mager is ook zo'n tegenstelling die Nadia intrigeert. Zij vergelijkt het onwillige lichaam van haar moeder met de voluptueuze lijven van een tante en van een actrice die zij Gravin Esmeralda noemt en een zinnelijke mond heeft. Nadia kijkt graag naar monden, en de mooiste mond vindt zij die van haar moeder, zo prachtig dat ze hem zou willen aanraken, maar de lippen zijn altijd toegeknepen, want ze praat ook niet veel.

Monden en ogen zijn thema’s die in verschillende gedaantes in de roman terugkeren. Nadia ondergaat de wereld en de mensen in afschuw van en fascinatie voor zinnelijkheid en lichamelijkheid. De liefde voor haar vader maskeert slechts gedeeltelijk de pijn veroorzaakt door de liefdeloosheid van de moeder. In een terugkerende nachtmerrie ziet ze een man achter een raam naar haar staren, en dat moment is voor haar het begin van haar ziekte. Zij krijgt last van dwanggedachten, die zich in haar hoofd vastzetten en haar hersenen blokkeren zodat zij hoofdpijn krijgt. Haar fanta sieën vermengen zich met de werkelijkheid, zij wordt bang voor grotten en nauwe ingangen omdat haar wordt verteld dat zij bij haar geboorte bijna gewurgd is door de navelstreng die als een slang om haar nek zat.

Nadia’s vader wordt ziek, hij weigert te eten en in haar nachtmerrie ziet zij zichzelf als een onbeweeglijk skelet. Wanneer hij sterft, wil ze met hem meegaan, niets meer wegen en als een veer naar de hemel vliegen om bij hem te zijn. Nadia lijdt aan anorexia nervosa, ze eet niet en teert langzaam weg. Ze wil haar gedachten gebruiken om haar gehate lichaam dood te maken. Deze gewelddadige verwerping van haar lichaam symboliseert de woede om haar vaders dood, maar ook de haat jegens haar moeder. Zij verandert in een spookverschijning en voelt de ogen van mensen in haar rug, de ogen uit haar droom. Het is al bijna te laat als een vaderlijke arts eindelijk ingrijpt en haar laat opnemen in een ziekenhuis waar zij tegen haar wil in leven wordt gehouden. Terwijl haar geraamte zich weer met vlees bedekt, is haar ziel stervende. Nadia is gered, maar de dood die zij zichzelf niet heeft kunnen geven, zal voor altijd in haar blijven wonen.