De dood is een benige knak

Binjamin Wilkomirski, Brokstukken. Vertaald door Ingeborg Lesener, uitg. Bert Bakker, 160 blz., 329,90
ALS DE LERAAR geschiedenis een documentaire toont over de bevrijding van het concentratiekamp Mauthausen door de Amerikanen, is Binjamin, een joods-Pools jongetje dat de kinderbarakken in de Poolse nazi-kampen heeft overleefd, helemaal uit het lood geslagen.

In de film worden de gevangenen omhelsd, getroost en gezoend. De zieken worden verpleegd en de gewonden verzorgd. Overal stralende gezichten. Als hij dat aanziet, moet de kleine Binjamin de handen tegen de mond drukken om het in de klas niet uit te schreeuwen. Voor hem is dit allemaal bedrog. Bij het bekijken van de film bekruipt hem het gevoel dat hij zijn eigen bevrijding uit de kampen heeft gemist.
Want het verlaten van zijn kamp had voor Binjamin niets vrolijks. Hij herinnert zich dat de gevangenen weg gingen zonder permissie, dat de overgebleven Duitse wachten niet op hen schoten omdat er geen munitie meer was en dat de mensen buiten het kamp hen uitscholden omdat Hitler verzuimd had hen te vergassen.
Brokstukken van Binjamin Wilkomirski is een in alle opzichten verschrikkelijk boek over een jongetje dat nog zo klein en onervaren is als hij in het concentratiekamp verzeild raakt, dat hij zich haast niets meer herinnert van het ‘normale’ leven daarvoor. Het enige vredige ogenblik dat hij zich in zijn korte leven kan herinneren - een ritje met de slee op een dichtgevroren stadsgracht in Riga - wordt meteen overschaduwd door een reeks brutaliteiten. Het begint met de dood van een man die waarschijnlijk Binjamins vader was en die onder de ogen van zijn zoontje door een voertuig van de Letse Landstorm tegen een gevel wordt vermorzeld.
Dan begint de lijdensweg van het jongetje dat helemaal niet begrijpt wat hem overkomt. Binjamin raakt het spoor van zijn vier (of vijf?) broertjes bijster. Een Duitse vrouw in grijs uniform belooft hem dat hij ze in Majdanek zal weerzien. Het is zijn laatste illusie: 'We zouden spelen op een groot, zonnig weiland, buiten in de zon met schaduwrijke bomen eromheen.’
Als Binjamin echter de plaats van bestemming bereikt en in al zijn onschuld even het 'grappig geweer’ van een Duitse soldaat wil aanraken, blijkt dat wonderlijk voorwerp een zweep te zijn: 'Zo gloeiendheet sloeg er iets over mijn gezicht dat ik dacht dat het in tweeën werd gesneden.’ Zo leert hij begrijpen: 'Majdanek is geen speelplaats.’
BINJAMINS eerste bewuste levensjaren spelen zich af binnen de omheiningen van plaatsen die voor hem de echte wereld vormen met haar eigen regels en waarbuiten er ook geen andere wereld bestaat of ook maar denkbaar is. Op die manier krijgen alle gebeurtenissen hun eigen vervormde logica. Binjamin kent geen andere ordening dan die van het kamp. Op alle plekken waar hij na een transport terechtkomt, meent hij steeds weer zijn eigen barak te herkennen, alleen is hij wat in de war omdat het in een veranderd landschap staat.
Diezelfde gedeformeerde logica sterkt hem ook in de overtuiging dat alle moeders moeten sterven als ze kinderen hebben gebaard, want anders zouden er in de barakken toch niet telkens nieuwe kinderen bijkomen en elke nacht nieuwe vrouwen sterven?
Soms wordt hij geconfronteerd met hele bergen vrouwenlijken, en als hij op een keer de buik van zo'n dode vrouw ziet bewegen, vraagt hij zich af of daar nu ook een kind zal uitkomen. 'Nu schuif ik dichterbij, ik wil het weten. Nu zie ik de hele buik: in een grote wond opzij beweegt iets. Ik richt mij op om het beter te kunnen zien. Ik rek mijn hals nog meer naar voren, en op dat moment gaat de wond bliksemsnel open, de buikwand komt los en een reusachtige, met bloed besmeurde, glimmende rat glipt uit de lijkenberg.’
Het is een onuitwisbaar beeld, dat jaren later terugkeert wanneer de auteur in de kraamkliniek wordt uitgelachen door enkele zusters die menen dat hij te slap is om de geboorte van zijn oudste zoon mee te maken. Maar daar ging het niet om. Wilkomirski was er zich niet van bewust dat een boreling al zoveel donker haar op zijn schedel kan hebben. Het doet hem opnieuw aan de rat in de buik van de dode vrouw denken.
WIE EEN KEER in het concentratiekamp heeft gezeten, komt er nooit meer uit, wordt weleens gezegd. Dat geldt zeker voor Binjamin Wilkomirski, voor wie het latere leven buiten de kampen alleen maar schijnvrij is en die nu op weer een andere manier het slachtoffer wordt van de denkbeelden van diegenen die de kampen niet hebben meegemaakt en die vinden dat Binjamin zich met zijn onaangepast gedrag alleen maar aanstelt.
Ook na zijn 'bevrijding’ en zijn adoptie door een Zwitsers paar dat hem wil doen vergeten, blijft het jongetje getekend door zijn ervaringen. De stellingen waarop in de provisiekelder het fruit wordt bewaard, zijn in de ogen van Binjamin niets anders dan vermomde britsen, de kolenverwarming in de kelder is voor hem het verklede monster waarin kinderen kunnen worden gestookt. Vandaar Binjamins conclusie: 'Het kamp is er nog, ze hebben het alleen verborgen.’
Bovendien wordt Binjamin al die tijd verteerd door schuldgevoelens. Ooit was in het kamp een nieuw aangekomen jongen doodgeslagen omdat hij ’s nachts zijn behoefte in het stro van de barak had gedaan, op advies van Binjamin. Binjamin voelt zich verantwoordelijk voor zijn dood. In Zwitserland zegt hij 'moeder’ tegen zijn Zwitserse pleegmoeder, waardoor hij meent zijn echte moeder te verraden. Hij voelt zich schuldig omdat hij het zoeken naar zijn broers heeft opgegeven, ook al is dat vooral omdat hij bang is achter de waarheid te komen. En eigenlijk begrijpt hij niets van het leven buiten de kampen, omdat de regels die hem daar zijn bijgebracht door de anderen nu niet meer worden nageleefd, waardoor zijn verwarring alleen maar groter wordt.
Overal vermoedt Binjamin valstrikken. Wat voor gemeens schuilt er niet achter de geveinsde vriendelijkheid van de volwassenen? Heeft Binjamin niet zelf in het kamp meegemaakt hoe de Grote Grijze, een bewaker, een ogenblik vermurwd leek door het spel van de kinderen en op den duur Binjamin zelfs op zijn schouders nam als koning David op zijn witte schimmel? Tot op het ogenblik dat de Grote Grijze lachend begint te rennen en Binjamin met zijn hoofdje tegen de muur kwakt: 'Hij lachte nog steeds. Ik lag op de modderige grond, verlamd door ongeloof en verbijstering over dit verraad. (…) Vriendelijke volwassenen zijn de gevaarlijkste, dacht ik.’
Brokstukken is het overlevingsverhaal van een kind in voortdurende doodsangst. Het is het relaas van een jongetje dat ervaren heeft hoe weerloze kinderen door goed doorvoede en zorgvuldig geklede volwassenen de nek wordt gebroken of de schedel wordt ingeslagen, omdat, zoals de blockowa (blokopzichteres) altijd zegt, kinderen toch maar drek zijn voor wie de kogels te goed zijn. De overlevenden worden op hun beurt gevaarlijk, en de slachtoffers dreigen beulen te worden, wat misschien ook geldt voor de kinderen die in het weeshuis van Kraków wrede spelletjes spelen: 'Ze aapten de geüniformeerden na, ze oefenden zich klaarblijkelijk in het volwassen-zijn.’
Wilkomirski’s stijl is lapidair. Die afstandelijkheid (als een jongetje wordt vermoord, hoor je niets anders dan een benige knak), die gepaard gaat met een onwaarschijnlijke aandacht voor het detail, schokt de lezer. Brokstukken is een onthutsend document dat thuishoort bij de grote, klassieke kampliteratuur van schrijvers als Primo Levi, Imre Kertész of Jona Oberski. Het is zo rauw en schrijnend dat je het nooit vergeet. Je hoort als het ware hoe de kinderen die in wat lappen in de kampbarak worden gegooid, hun bevroren vingertjes tot op het been afkluiven. Wilkomirski: 'Wat ik zag waren kleine witte staafjes, alsof ze in stukjes waren gebroken, ze wezen allemaal een andere kant op.’