De monologen van Richard Avedon

De dood is nooit ver weg

In zijn portretten legde fotograaf Richard Avedon mensen genadeloos en onverzoenlijk vast, in onthullend hard contrast. Hij houdt van rimpels, kreuken en krassen. Wat hij in wezen fotografeerde waren zijn angsten: aftakeling, wanhoop en de dood.

IN DE LATE JAREN ZESTIG en vroege jaren zeventig van de vorige eeuw maakt fotograaf Richard Avedon (1923-2004) een serie portretten van zijn vader. De contrastrijke zwart-witfoto’s tonen een oude, bijna wanhopige man met vermagerd gezicht, gekerfd door ouderdom en ziekte. Vader Jacob ‘Jack’ Avedon is nooit gelukkig geweest met deze in zijn ogen genadeloze weergave van hemzelf. Per brief heeft Richard hem proberen uit te leggen wat hij met de portretten wil bereiken. Hij schrijft dat mensen zich op foto’s vaak verschuilen achter andermans glimlach en noemt zijn vader ‘angry and hungry and alive’. De brief eindigt met de woorden: ‘I’m not making myself clear. Do you understand?’
Het is ironisch dat een fotograaf zoiets opzichtigs als zijn foto’s dient te duiden. Maar Avedon is nooit een eenduidige fotograaf geweest. Ooit wilde hij schrijver worden. Als leerling op het prestigieuze De Witt Clinton High in New York is hij samen met de toekomstige auteur James Baldwin (1924-1987) redacteur van het literaire tijdschrift van de school. Maar nadat hij zonder diploma de school heeft verlaten, beseft hij dat de visuele verbeelding van de werkelijkheid dichter bij hem staat dan een literaire toekomst. Toch zal hij altijd aan anderen vragen wat ze lezen en zijn eigen tips aandragen. Een van zijn assistenten heeft eens gememoreerd hoe Avedon tijdens lange autoritten tussen foto-opdrachten In Cold Blood van Truman Capote voorlas.
Al vanaf jonge leeftijd fotografeert Avedon, eerst met een Box Brownie, daarna, tijdens zijn jaren bij de koopvaardij in de vroege jaren veertig, met een professionele Rolleiflex, gekregen van zijn vader. Bij de koopvaardij maakt hij ontelbare pasfoto’s van mariniers voor hun identiteitskaarten. Zodra hij afmonstert begint zijn professionele carrière als fotograaf. Hij is 22 als hij zijn eerste modereportages maakt voor Harper’s Bazaar, waarna opdrachten voor Vogue en Look volgen. Zijn grote voorbeeld is de Hongaarse fotograaf Martin Munkácsi (1896-1963), die de mode van de studio naar de straat verplaatste. Avedons werk draait in die jaren om het vastleggen van dynamiek. Zijn technische brille en talent om modellen te regisseren, leveren baanbrekende en joyeuze foto’s op. Het portretteren van beroemdheden is een logisch vervolg. Avedon wordt een merknaam, zijn New Yorkse studio een niet te missen station op weg naar sterrendom. Hij is zelfs zo bekend dat Fred Astaire hem speelt als ‘Dick Avery’ in de Hollywood-musical Funny Face (1957).
Maar Avedons foto’s overstijgen het makkelijke hedonisme dat hem omringt. In tegenstelling tot het formelere, meer verstilde en cosmetische oeuvre van zijn concurrent Irving Penn (1917) lijkt Avedons werk een zoektocht naar grondvoorwaarden van persoonlijkheid. Voor zijn portretten fotografeert hij mensen in onthullend hard contrast tegen een twitte achtergrond. Hij houdt van rimpels, kreuken en krassen zoals een meteoroloog bevangen raakt door slagregens en orkanen. Zo werd het onscherpe portret van pianist en komiek Oscar Levant (1906-1972) enkele maanden voor diens dood gemaakt. Levant mist tanden, zijn gezicht is verwrongen in een pijnlijke schreeuw van verval en verzet. De foto bezit precies de huiveringwekkende schoonheid die Avedon nastreeft en zal dan ook jaren op reusachtig formaat in zijn slaapkamer hangen.
‘IT’S NOT IMPORTANT what I consider myself to be, but I consider myself to be a portrait photographer.’ Toch maken Avedons portretten maar een bescheiden deel uit van zijn archief. Gedurende zijn hele loopbaan blijft hij advertentieopdrachten aannemen. Hij fotografeert alles, van handtassen tot auto’s, naar eigen zeggen omdat het hem eenvoudig afgaat en het zijn vrijere werk financiert. Maar voor een zoon van Russisch-joodse immigranten als Avedon, wiens vader het leven omschrijft als ‘The Battle’, is werk, zelfs bij comfortabele welstand, een bittere noodzaak. Bij Avedon zou het kunnen worden omschreven als een obsessie. Hij fotografeert praktisch elke dag, zijn assistenten en medewerkers kennen hem als een veeleisende perfectionist (‘nothing is ever even near good enough’). Hij is neurotisch over zijn taille, de legende gaat dat hij om slank te blijven soms overleefde op een eetlepel pindakaas per dag. Zijn jongere zus, als kind een buitengewoon mooi meisje, lijdt onder zwaardere obsessies, later depressies, en sterft op 42-jarige leeftijd in een inrichting. In de familie Avedon was de schoonheid van de jongste de gebeurtenis van het gezin. Na haar dood uit Richard in interviews het vermoeden dat de overdreven reacties op het uiterlijk van zijn zus haar voortijdig overlijden hebben bespoedigd.
In de beste portretten van Avedon is de dood nooit ver weg. Wie hem vraagt waarom hij vasthoudt aan zijn strenge stijl en zijn zitters zo onverzoenlijk vastlegt, krijgt het antwoord dat hij zijn angsten fotografeert: aftakeling, wanhoop en de dood. Deze angsten komen in geen enkele serie zo indringend naar voren als in zijn meesterwerk In the American West (1985). In opdracht van een Texaans museum maakt Avedon met zijn assistenten over een periode van vijf jaar verschillende reizen door het westen van de VS op zoek naar geschikte gezichten voor de haarscherpe lens van zijn Deardorff, een traditionele, logge grootformaat-camera. Hij fotografeert mijnwerkers, zwervers, serveersters, kermiswerkers, huisvrouwen, psychiatrische patiënten, vleesverwerkers, gevangenen, boeren en knechten. Zijn assistenten spannen het witte achtergrondzeil in de schaduw op muren, laadbakken of tussen huizen, Avedon zelf staat altijd naast de camera, zodat hij oogcontact houdt met de geportretteerde. Het is niet zijn bedoeling een staalkaart te creëren van het Amerikaanse westen, het belangrijkste aan de titel van het project is het voorzetsel.
Na publicatie van het werk blijkt het publiek geschokt door de voor die tijd nietsontziende registratie van ‘gewone’ mensen. Avedon wordt beschuldigd van cynisme, sensatiezucht. Het project krijgt ook bijval, de portretten worden geroemd om hun eerlijkheid en psychologische diepte. Nu is sensatie een fotograaf niet vreemd, zijn werk moet tenslotte opvallen. Avedon kan een goed model herkennen, weet aan wat voor visuele eigenschappen het oog zal blijven haken. Maar hij hoedt zich voor verregaande exegese van zijn beelden, die geen recht doet aan zijn intenties van emotionele bevestiging en bezwering. Van Avedon komt de uitspraak dat een foto accuraat is, maar niet waar. Hij is niet in de mythe gevallen van identiteit als inwendig proces, maar beseft dat de buitenkant van een mens de enige authentieke communicatie oplevert. Tenminste, als de fotograaf goed oplet. En dat doet Avedon. Net als een reportagefotograaf is hij doordrongen van het beslissende moment. Door zijn kale mise-en-scène heeft hij het podium schoongeveegd voor de geportretteerde om zonder afleiding zijn monoloog te houden. Beroemdheden hebben hun theater al vaak opgevoerd, maar de houdingen en blikken van In the American West zijn nog fris, want nog niet eerder zo intens opgevoerd. Een mens telt duizend gezichten en alle duizend heeft hij ze in de hand. Avedon wacht met afdrukken tot een moment van herkenning. Kijk naar Roberto Lopez, de neergelaten blik, de oliespatten op zijn gezicht; kijk naar Debbie McClendon, met haar heldere, vragende ogen en goedkope ring; kijk naar de vettige jas en kwaaie achterdocht van James Kimberlin. Ze hadden op dat exacte moment hetzelfde portret van de fotograaf kunnen maken.

Richard Avedon: Photographs 1946-2004, FOAM, Amsterdam, 13 februari t/m 13 mei