Nog niet eerder arriveerde ik in Wenen over de heuvels en via de wijngaarden. Achter me ligt het oude Burgenland. Aan mijn voeten de pulserende metropool met zijn twee miljoen inwoners. Terwijl ik afdaal door de zuidelijke buitenwijken, appt een vriendin een linkje naar Leonard Cohens Take this Waltz.

‘Dank je wel. Ik ken het lied’, tik ik terug. Maar ik ken het niet. Ja, natuurlijk ken ik de deun en het refrein. ‘Ay, ay, ay, ay. Take this waltz, take this waltz.’ Maar nooit stond ik stil bij de gecompliceerde tekst. Wanneer ik hem die avond nog probeer te lezen, begrijp ik er geen biet van. ‘Now in Vienna there are ten pretty women. There’s a shoulder where Death comes to cry. There’s a lobby with nine hundred windows. There’s a tree where the doves go to die.

Tien mooie vrouwen? Een schouder waar de dood op uithuilt? Het zijn in elk geval stevige contrasten. Hier een zonovergoten hotellobby, daar een boom met stervende vogels. Staan de vrouwen en de lobby voor het Wenen van het volle leven, met de walsen van Johann Strauss en de uitpuilende restaurants? En wijzen de uithuilende dood en de stervende duiven naar dat andere Wenen? Naar de ondergrondse begraafplaatsen en de doodshoofden op de kisten van de Habsburgers? Naar het Wenen dat trots is op de slogan ‘Der Tod, das muss ein Wiener sein’?

In dat laatste Wenen werkte Egon Schiele aan zijn uitgemergelde naakten en dacht Sigmund Freud na over de doodsdrift. Hier schreef Gustav Mahler zijn Kindertotenlieder en componeerde Franz Schubert honderden liederen over het graf, de zelfmoord en Der Tod und das Mädchen. Wenen kent een Kriminalmuseum met daarin zowel de ingeslagen schedels van slachtoffers, de bijl er keurig naast, als de afgehakte en vervolgens keurig gebalsemde hoofden van de daders. Wenen is de eerste stad met een begrafenismuseum, het Bestattungsmuseum. Een museum afgeladen met kisten, lijkkoetsen en treurlivreien. Het heeft lugubere foto’s van pas gestorvenen die als levenden poseren. En dolken – Herzstichmesser – bedoeld om het hart van de overledene te doorboren en schijndood te voorkomen. In de Michaelergruft, pal tegenover de Hofburg, kun je op zondag de crypte in om je te vergapen aan lijken die door het bijzondere klimaat in de crypte veranderden in mummies.

Op de Fleischmarkt, niet ver van de Donau, hangt het monument van Der liebe Augustin. Elke Wener weet wat deze Augustin overkwam. Want Oh Du lieber Augustin is een van de bekendste Weense volksliedjes. Je zingt het op de melodie van Daar wordt aan de deur geklopt: ‘Oh Du lieber Augustin/ Leg nur in’s Grab dich hin/ O’ Du mein herrliches Wien/ Alles ist hin.’ De tekst gaat over de pestepidemie van 1679. In dat jaar begraaft Wenen bijna 130.000 slachtoffers in 77 massagraven. In de kroegen en koffiehuizen wordt gehuild en de minstreel Augustin trekt met zijn doedelzak rond om de rouwenden een hart onder de riem te steken. Geen borrel slaat hij af, waarna hij stomdronken in een goot belandt. Nachtwakers zien Der Liebe Augustin voor dood aan en laden hem op de kar met pestlijken. Ze dumpen hun lading in een massagraf buiten de stadsmuur en bestrooien de lichamen met kalk tegen de stank. Wanneer onze Augustin tegen de ochtend wakker wordt, speelt hij zo lang op zijn doedelzak tot voorbijgangers hem opmerken en uit het diepe graf trekken.

Lang geleden schreef ik met anderen De dood moet een Wener zijn. Een wandelgids over de vele kerkhoven, crypten en dodenakkers van Wenen. Over begraafplaatsen die allang weer zijn aangevuld met verse doden, variërend van politicus Otto von Habsburg, jazzmusicus Joe Zawinul en zanger Udo Jürgens. Onveranderd lijkt echter de wijze waarop de Weners denken over dood en begraven. De dodenherdenking op Allerheiligen is nog steeds een nationale feestdag en een geslaagde uitvaart, ‘eine schöne Leich’.

Wie wil weten hoe een Wener leeft, moet weten hoe hij zich laat begraven. In Oostenrijk gaat meer dan twee derde van alle doden nog onder de grond. En Weners maken werk van hun lijkbezorging. Eine schöne Leich kan inderdaad prachtig zijn. Twee dagen na mijn aankomst in de hoofdstad zwerf ik weer eens over het immense Zentralfriedhof. Wandelend langs een van de lijkenhallen in Jugendstil hoor ik een blaaskwintet. Het speelt het Locus Iste van Anton Bruckner. Sonoor golven de trompetten, hoorn, trombone en tuba door de openstaande deuren. Zometeen zullen de blazers voorgaan in de stoet naar het open graf. Wie vervolgens is begraven, ziet uit zijn laatste rustplaats een onophoudelijke stoet nabestaanden voorbijtrekken. Zij wieden het graf, harken, beplanten en bemesten het. Doorlopend wordt de stenen of gietijzeren nagedachtenis opgewreven, afgestoft, bijgewerkt, beweend, toegesproken, becommentarieerd en bekritiseerd.

Jaarlijks hoogtepunt van de Weense dodencultus is Allerheiligen op 1 november. Dan loopt de hele stad uit om haar ontslapenen te bezoeken. Al weken van tevoren zijn de kransen uitgezocht, de graven geboend en de familie op Kaffee und Kuchen genodigd. Speciale stadsbussen rijden door de novembermist van en naar de vele Weense kerkhoven. Voor de ingang van Zentralfriedhof, met zijn drie miljoen bewoners, is het ronduit gemütlich. Worsten sudderen op bakplaten en de geur van gepofte kastanjes hangt tussen de metershoog opgetaste herfstbloemen. Naar schatting worden op deze dag rond de vijf miljoen chrysanten verkocht.

Op een bankje, niet ver van de graven van Beethoven, Mozart en Schubert, buig ik me opnieuw over de tekst van Leonard Cohen. Al googelend ontdek ik dat Take this Waltz niet van hemzelf is, maar een vrije vertaling van Federico Garcia Lorca’s Pequeño vals vienes, de Kleine Weense Wals uit 1940.

Daarmee zijn de raadselen niet opgelost. ‘There’s a concert hall in Vienna where your mouth had a thousand reviews. There’s a bar where the boys have stopped talking. They’ve been sentenced to death by the blues.’ Waar gáát dit in hemelsnaam over? Ik blijf met de gedachten spelen dat het de twee gezichten van Wenen beschrijft. Het levende, genietende Wenen met zijn operahuizen en concertzalen. En het mysterieuze Wenen met zijn adem van cognac en dood, ‘its very own breath of brandy and Death’.

Vervolgens blijf ik hangen bij de wellicht meest duistere zin in het gedicht. ‘And you’ll carry me down on your dancing/ To the pools that you lift on your wrist/ Oh my love, Oh my love.’ Plots zie ik ze voor me. Die polsen met hun ‘pools’. Ze kleuren rood. Ik zie ‘pools of sorrow’ en ‘pools of blood’. Opnieuw lees ik de tekst. En nu hoor ik een lied dat gaat over de zelfdoding van een geliefde waarmee de schrijver, ‘ay, ay, ay, ay’, zo hemels wist te vrijen. Het zou de felle contrasten uit de openingsregels kunnen verklaren. Tussen het aanvankelijke licht en de daaropvolgende duisternis, tussen rumoer en stilte, leven en dood. Tussen de vleselijke ‘cave at the tip of the lily’ waar de dichter met zijn mond ‘the dew of your thighs’ opzoog en de ‘gallery of frost’ waar de geliefde uiteindelijk wordt binnengedragen.

Het is een interpretatie die bij Cohen zou passen. Het is zeker een interpretatie die bij Wenen past. Want Wenen is niet alleen de stad van de dood. Het is ook de stad van Der Freitot. Dat is een term gemunt door Friedrich Nietzsche in Also Sprach Zarathustra. Een vrij gekozen dood, aldus Nietzsche, ‘is een sterven waarin je geest en deugd nog gloeit als het avondrood rond de aarde.’ Nergens anders ter wereld, zo vermoed ik, wordt zo over de vrije dood gedacht als in Wenen. De stad van Jean Amèry, Stephan Zweig en kroonprins Rudolf die allen de hand aan zich zelf sloegen.

Wordt vervolgd.

Deze publicatie kwam tot stand met steun van het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten