De dood om elke hoek

OMDAT HANIA niet wilde eten wordt ze met haar ballon door de wind meegesleurd. Oma vergelijkt wegwaaiende zeepbellen met kinderen. Van een kleermaker die gereduceerd wordt tot zijn silhouet wordt gezegd dat de wind hem optilt tot hij hoog boven een kerk verdwijnt. Maar al dat Chagall-achtige vliegen en zweven is misschien minder onschuldig dan het lijkt wanneer je in Wilhelm Dichters roman Paard van God een van de Poolse spoorwegmannen hoort zeggen: ‘De joden kunnen alleen weg door de schoorstenen.’ Het zijn echte ‘Luftmenschen’ geworden.

Paard van God is het relaas van een joods jongetje dat in 1935 geboren wordt en dat vier jaar is wanneer de nazi’s het Poolse grondgebied overrompelen. De wereld van het jongetje is niet groter dan het plaatsje Boryslaw dat door de Panskastraat (later de Hitler- en nog later de Stalinstraat) doormidden gesneden wordt. Het jongetje, dat net als de auteur van het boek Wilhelm heet (hij heeft een Duitse naam want zijn grootouders zijn naar Polen afgezakte Oostenrijkse joden) registreert wat er gebeurt. Tegen betaling en zolang er geen gevaar dreigt, kunnen hij en zijn moeder op verschillende plaatsen onderduiken, nu eens onder een bed op de vloer, dan weer op een zolder of een vliering, ten slotte in een uitgespaarde holte in de muur van een waterput. Over het probleem van de ontlasting (‘Naast een stromatras stond een lege ijzeren emmer met een ronde houten deksel’) wordt soms uitvoerig, soms terloops gerapporteerd, maar er wordt wel altijd gewag van gemaakt als een eeuwig begeleidend ongemak waarmee de onderduikers onophoudelijk worden geconfronteerd. HET GROOTSTE DEEL van de familie van het jongetje verdwijnt in het getto, wordt gedeporteerd en vermoord. Van alle joodse kinderen in Boryslaw is de kleine Wilhelm de enige die het allemaal overleeft, soms zeer tegen zijn zin, want herhaaldelijk spreekt hij de wens uit dood te zijn. Paard van God is inderdaad ook het relaas van de decimering van de Poolse joden, een gebeurtenis die de hele roman als een sterke ruis begeleidt, een ruis die soms door het salvo wordt overstemd: 'De commandant van Mauthausen had zijn zoon voor zijn verjaardag vijftig joden cadeau gedaan, zodat hij kon leren schieten.’ Maar het is ook een bittere reportage waarin de schrijver Wilhelm Dichter probeert te reconstrueren hoe een kind een beetje normaliteit tracht te handhaven in gruwelijke omstandigheden, dat wil zeggen in een omgeving waarin het jongetje vaststelt dat de gewelddadige dood om elke hoek loert en waarin een mensenleven van geen tel meer is. De dood, dat is voor het kind de reusachtige Duitser die de zieke joodse kinderen uit het getto in de armen van de verpleegster duwt en ze vervolgens neerschiet. De dood is mijnheer Kruk die de Duitse en Oekraïense fascisten de plekken toont waar de joden zich verbergen. De dood wordt belichaamd door de politiemannen en soldaten die de joden in de treinwagons persen en door de kampbewakers die de Russische krijgsgevangenen in het achterhoofd schieten. En verder is er de dood in de vorm van extreme honger, van kou en kilte, van luizen en wantsen en van dodelijke ziekten. Bronek, de vader van Wilhelm, heeft tbc opgelopen en hangt zich met zijn laatste krachten aan zijn gele stropdas op, een daad die bij zijn zoontje zo heftige schuldgevoelens uitlokt dat hij bang is dat zijn vader zich op hem zal wreken. Overal doemt de dood in zijn wisselende gedaanten op: 'In de Russische tijd woonde hij in het politiebureau aan de overkant van de Panskastraat. Met de Duitsers kwam hij op onze plaats. Stinkend naar carbol deed hij de deur van ons huis open. In de kelder boog hij zich over een emmer vol excrementen. Van toen af zag ik hem overal. Te paard zittend schoot hij uit een pistool; hij trok moeders schoen van haar voet. Keek onder het dak en op de zolder. Zat me op de Panskastraat op de hielen, toen we achter een muur van mensenruggen renden. Hoestend en bloed spuwend klom hij op de vliering.’ PAARD VAN GOD is niet zomaar het zoveelste boek over de verschrikkingen van de oorlog en de jodenvervolging, al is het dat natuurlijk ook. Je ontkomt niet aan de indruk dat de auteur een enorme inspanning heeft gedaan om ons het kleine mensje te laten worden dat werkelijk vaak het gevoel moet hebben gehad helemaal alleen op de wereld te zijn. Natuurlijk zorgt Andzia, zijn moeder, in deze vreselijke dagen zo goed mogelijk voor haar zoon, maar door de manier waarop ze in zijn aanwezigheid met anderen over hem spreekt als 'hij’, ('Hij hoort me niet eens’) vergroot ze het isolement waarin de jongen verkeert. Doordat Dichter echter de jongen het verhaal laat vertellen, krijgen we hier en daar ook zijn ongezouten mening te horen. Zonder goed te beseffen waarom dat zo is, ziet Wilhelm dat het gevaarlijk is een jood te zijn, en dat hij bij de niet-joodse kinderen op geen bondgenoten hoeft te rekenen: 'Ik wist zeker dat ze me op straat meteen zouden herkennen en aan de Duitsers verraden. Volwassenen konden medelijden hebben, kinderen niet.’ Maar hij verfoeit dat kind-zijn ook omdat het een conditie is die hem overlevert: 'Ik bedacht dat je niet veilig was zolang je bescherming nodig had, en als je niet veilig was, was je nog niet geheel gered. Alleen volwassenen konden zichzelf redden.’ DE KRACHT VAN dit boek ligt voor een groot deel in het vermogen van de schrijver om in eenvoudige woorden en zinnen, waarin de details het geheel op een koele manier dramatiseren, een wereld op te roepen van een kind dat net oud genoeg is om zich nog een glimp van een andere en betere wereld te herinneren, een universum waarin oma en opa nog niet waren gedeporteerd, maar waarin ze figureren als jonge mensen die ooit gelukkig waren met elkaar: 'Oma was in Wenen opgegroeid. Ik wist niet wat ze gedaan had voor ze opa leerde kennen, want in de oudste verhalen zongen ze al samen walsen van Strauss.’