STRIPHELDEN EN POLITIEK

De dood van Captain America

In Amerikaanse comics figureren geen extremistische superschurken meer. Binnenlandse corruptie is de norm, buitenlandse dreiging is onzichtbaar. In dat kader sneuvelde Captain America, de meest Amerikaanse van alle superhelden.

Zijn dood was weinig heroïsch. Decennialang had Captain America op duizenden pagina’s van uitgeverij Marvel gevochten tegen nazi’s, communisten en Koreanen, atoomspionnen hadden hem met de dood bedreigd, dictators van bananenrepublieken hadden een prijs op zijn hoofd gezet. Nu was hij, terwijl hij geboeid de trappen naar het gerechtshof op werd geleid, onder vuur genomen door een sluipschutter. Bij aankomst in het ziekenhuis werd hij dood verklaard.

Captain America was de nestor onder de superhelden, een product van de Roosevelt-tijd. Begin 1941, nog voor de aanval op Pearl Harbor, was hij bedacht door Joe Simon en Jack Kirby. Steve Rogers was zijn echte naam, een miezerig jochie dat niet door de militaire keuring heen kwam en zich daarom aanmeldde bij een geheim militair programma. Hij kreeg een dubbele dosis superserum ingespoten, kreeg een schild en een kostuum gemaakt van de Star-Spangled Banner en zo was de superheld geboren.

Inmiddels was hij bijna archaïsch: niet eens zozeer in zijn onmiskenbare patriottisme, maar omdat hij nog de Roosevelt-waarden vertegenwoordigde, de president van ‘the only thing we have to fear, is fear itself’. Vergelijk dat eens met de regering-Bush, die met kleurcodes in metro’s, bussen en vliegvelden aangeeft in welke mate u vandaag een terroristische aanslag mag verwachten.

De laatste jaren was Captain America in conflict gekomen met de overheid. Zijn arrestatie vond plaats binnen de context van een ‘Superhelden Registratie-Wet’, een fictieve variant op de controversiële Patriot Act, die bedoeld is om terrorisme te bestrijden, maar tegelijk ten koste gaat van burgerrechten. Captain America had zich ertegen verzet en zodoende werd hij gedwongen dat fatale bezoek aan de rechtbank af te leggen, al zijn goede diensten voor het Amerikaanse volk ten spijt. Dit is symboliek voor beginners: Captain America, het symbool van Amerikaanse vrijheid en patriottisme, sneuvelt op de trappen van het gerechtshof.

Het nieuws, vorig jaar mei, sloeg in de echte wereld in als een bom. cnn, abc en msnbc berichtten erover, The Washington Post plaatste een in memoriam. Het werd Marvel niet in dank afgenomen door bedenker Joe Simon, inmiddels 93; hoe konden ze ‘Cap’ laten sterven, ‘juist nu we hem zo hard nodig hebben?’

In de academische discussie over cultureel imperialisme zijn film- en striphelden stukjes van wat politicoloog Joseph Nye ‘Soft Power’ noemt, hapklare brokken consumptiecultuur, waarvan de impliciete boodschap stilletjes de fragiele kinderziel overwint, en zo onze cultuur verovert. Het sluit aan op de bekende theorie van de sociale wetenschapper Geert Hofstede: we moeten cultuur zien als een ui, een kern met schillen eromheen. In de kern zitten onze onveranderbare waarden, maar de drie schillen – symbolen, rituelen en helden – kunnen wel degelijk beïnvloed worden. En dat gebeurt, zeker als het om helden gaat. Serveert Hollywood ons niet elke keer dat we naar de bioscoop gaan voorverpakte, doelgroepgeteste hoofdpersonen, die keurig de normen en waarden van de samenleving representeren? Strijden de striphelden niet altijd voor dezelfde Amerikaanse idealen?

Comics zijn te interpreteren als graadmeter van de manier waarop Amerikanen naar zichzelf kijken, en de superhelden zijn daarvan de ideële exponent. Vlak voor de Tweede Wereldoorlog was er de eerste comics-boom, toen in rap tempo de ene na de andere held werd geboren. Superman, Batman, Captain America, Captain Flag, Captain Courageous, Major Victory, Human Torch, the Flame, the Flash, the Green Lantern, the Atom, Hawkman. En meteen al was de politieke component daar: de VS namen nog geen deel aan de oorlog, maar de schrijvers en tekenaars kwamen veelal uit de joodse gemeenschap en konden het niet laten hun antinazisme te laten gelden. Bekend is het stripje How Superman Would End the War van het later legendarisch geworden duo Siegel & Shuster, waarin de man van graniet naar Europa vliegt om Hitler en Stalin te ontvoeren en ze verbouwereerd achterlaat bij de Volkenbond in Genève. In zijn magistrale, Pulitzerprijs winnende roman The Amazing Adventures of Kavalier & Clay (2000) beschrijft Michael Chabon hoe twee joodse jongens hun eigen superheld verzinnen – de ‘Escapist’, een boeienkoning die Europa uit de houdgreep van het fascisme zal bevrijden.

Deze ‘Golden Age’ duurde niet lang. Na de oorlog ebde het patriottisme weg en bleek de concurrentie met televisie moordend. Afgezien van een kleine opleving eind jaren vijftig (de ‘Silver Age’) duurde het tot 1971 voordat de comics echt weer voet aan de grond kregen. Reden was de nieuwe Comics Code Authority, die de tekenaars meer ruimte gaf in de keuze van hun onderwerpen. Meteen doken de typische jaren-zeventig counterculture antihelden op: dubieuze figuren die niet vochten voor gerechtigheid, maar zich lieten drijven door hun eigen demonen – wraak, jaloezie en machtswellust. Terwijl de Punisher (een op Travis Bickle uit Scorcese’s Taxi Driver geënte Vietnamveteraan) de straten van New York meedogenloos schoonveegde, werd einzelgänger Wolverine de populairste X-Man, en maakte tekenaar Frank Miller van de ooit knuffelbare Batman een gothic horrorverhaal. En de oplages schoten omhoog.

Toen Reagan Morning in America afkondigde, veranderden de helden net zo makkelijk mee. Nu waren zij doe-het-zelvers, working class vigilantes die geen overheid nodig hadden om hun vuile klusjes op te knappen. Het was reaganisme pur sang: hij was de president die pleitte voor individuele verantwoordelijkheid, ‘the era of big government is over’. Tegelijk had deze Bronze Age ruimte voor sociale vraagstukken. De manier waarop de X-Men gediscrimineerd werden door de maatschappij die ze probeerden te redden, was een spiegel voor de behandeling van immigranten, homo’s en minderheden. Nog bonter werd het toen er in het Marvel-universum onder de helden een virus uitbrak, dat opmerkelijk veel aan aids deed denken.

Dat strips een politieke lading hebben is onmiskenbaar – en hoeft niet verrassend te zijn. Popcultuur heeft die extra lading altijd. Daarom is de constatering interessant dat comics de laatste tijd met die dubbele bodem zijn doorgeschoten. De geëngageerde popcultuur van vandaag vertoont een soort jaren-zeventigrevisionisme, waarin de getraumatiseerde, paranoïde tijdgeest van die tijd (door Vietnam en Watergate) wordt geprojecteerd op de huidige. Met het vertrouwen in de overheid op een minimum zijn de bad guys nu steevast Cheney-achtige politici en Halliburton-achtige bedrijven, die hun geopolitieke belangen zonder scrupules beschermen. Daar zit een zekere valse politieke correctheid in. Natuurlijk, dat die bad guys er in de echte wereld ook zijn, is in de aanloop naar de Irakoorlog gebleken, maar het is te kort door de bocht: uiteindelijk zijn de slechteriken ook heel duidelijk de moslimextremisten die verantwoordelijk waren voor de aanslagen in New York, Londen en Madrid. Maar die terroristen zie je, op een paar slecht besproken films na, zelden meer. Binnenlandse corruptie is de norm, buitenlandse dreiging is onzichtbaar. Als de ouderwetse over the top slechterik nog bestaat, komt hij uit eigen boezem. Frappant, want de exotische schurken zijn nu juist deel van het genot van comics. Hoe slechter, hoe beter. Wat is Batman zonder de Joker? Wat zijn de X-Men zonder Magneto, meester van het magnetisme? In comics wordt op dit moment heel duidelijk gekozen voor het tegenovergestelde: geen extremistische superschurken.

In dat kader sneuvelde Captain America, de meest Amerikaanse van alle superhelden. Het overkoepelende verhaal van alle Marvel-strips was vorig jaar de Civil War, met de omineuze ondertitel ‘Whose side are you on?’ De superheldengemeenschap werd hierin geconfronteerd met die variant op de Patriot Act. Het verdeelde de helden in twee kampen: voor- en tegenstanders gingen uiteindelijk met elkaar op de vuist.

De dood van Captain America was onomkeerbaar. Waar superhelden nogal eens uit de dood herrijzen (‘Ik was niet dood, het was mijn tweelingbroer/kloon/buitenaardse doppelganger!’), haastte Marvel zich te melden dat hij echt dood is. Echt. De afgelopen vijf jaar zijn er vierduizend soldaten gesneuveld in Irak, stelde Marvel-hoofdredacteur Joe Quesada, het is tijd om niet meer lichtzinnig te doen over leven en dood.

Als popcultuur een belangrijk onderdeel van Soft Power is, dan zijn de Amerikaanse comics eigenmachtig een tegenbeweging gestart. Waar ooit de jeugdige lezers spannende verhalen voorgeschoteld kregen over hoe alle mensen gelijk waren geschapen – en dat ze door hun Schepper zekere onvervreemdbare rechten hebben gekregen, en dat onder die rechten Leven, Vrijheid en het Nastreven van Geluk vallen – krijgen ze nu verhalen over corruptie van de overheid en de sterfelijkheid van symbolen van vaderlandsliefde. In plaats van mee te deinen op de culturele politieke golven gooien de striphelden hun anker uit en kiezen plek. Kwaad komt van binnen, zeggen ze. Amerika is zijn eigen bad guy.

Superhelden en sjlemielen, joodse herinnering in stripkunst, Joods Historisch Museum Amserdam, tot 8 juni

The Death of Captain America, volume 1, door Ed Brubaker (bij Marvel), verschijnt deze maand in Nederland in hardback