Ingmar Bergman 1918-2007(Michelangelo Antonioni 1912-2007)

De dood van de art-housefilm

STOCKHOLM – Wie pas in de jaren tachtig kennismaakte met het werk van Ingmar Bergman kreeg een prettige verrassing voorgeschoteld: Fanny en Alexander (1982). Een heerlijke film, kleurrijk, aanstekelijk, optimistisch, groots, een omstandige liefdesverklaring aan de fantasie en het theater, een resolute veroordeling van godsdienstige kleingeestigheid. De kleine Alexander sluit een pact met de duivel (‘Als god bestaat, dan is ’t een klootzak, en dan kan-ie een schop voor zijn kont krijgen’) om zich te ontdoen van zijn stiefvader, de tirannieke lutherse bisschop Edvard Vergérus. Zo kan Alexander met zijn zusje en zijn moeder terugkeren in de boezem van zijn warme, uitbundige theaterfamilie. Deze Ingmar Bergman, zoon van een al even tirannieke lutherse geestelijke, had duidelijk de aanval op de god van zijn vader ingezet. In zijn Alexander was mutatis mutandis dezelfde montere opstandigheid te herkennen als die van Lindgrens Pippi Langkous of Michiel van de Hazelhoeve. Vrije kinderen, belaagd door de kinderbescherming, de stijve geheelonthouderskerk en de vaders met losse handjes.

Bergman is zichzelf in zijn lange carrière altijd zeer nabij gebleven. Hij werkte, op een uitzondering na, altijd in Zweden, ’s winters in het theater, bijna elke zomer aan een film, bijna altijd met dezelfde mensen – de acteurs Erland Josephsson (veertien films), Bibi Andersson (dertien films), Liv Ullmann (tien films), Ingrid Thulin (dertien films) en de cinematografen Enkvist en Fischer. De rol van de grootmoeder in Fanny en Alexander was geschreven voor Ingrid Bergman (eerder in Herfstsonate, 1977), die van Alexanders moeder voor Liv Ullmann, en de rol van Vergérus voor Max van Sydow, de ridder uit Het zevende zegel (1956), die in nog twaalf Bergman-films speelde. En dus zijn alle films van Bergman in essentie autobiografisch, niet alleen in historische zin, maar vooral in de getrouwe weergave van zijn eigen reactie op (of worsteling met) grote dingen: de vrouw, het huwelijk, bedrog, de kerk, ziekte, angst voor de atoomoorlog, de dood, enzovoort. In dat zelfonderzoek was hij rücksichtslos eerlijk. Bergman had een bijna obsessieve, ongemakkelijke belangstelling voor fysieke confrontatie, te zien in de claustrofobische close-ups van Scènes uit een huwelijk (1973), bijvoorbeeld, en zeker in die vroege films werd de krasse realiteit van geweld, verkrachting, mutilatie en ziekte schokkend gevonden. Maar om realisme ging het Bergman uiteindelijk niet. Onmiskenbaar zijn zijn grote films in de jaren vijftig en zestig vervuld van het spirituele, en het streven daarnaar, met een ondertoon van groot leed en ernstig verdriet, van schaduwen en schuld, van een sterk besef van de verglijdende tijd. Het zijn films uit een tijd dat de ziel en het menselijk handelen nog het primaat hadden. In hun zware metafysica en intellectuele ernst waren Het zevende zegel en Wilde aardbeien even onverbiddelijk als De toverberg of Het slot, maar nu evenzeer, helaas, van een andere tijd.

In zijn levensvreugde was Fanny en Alexander een uitzondering in het oeuvre, maar deze Ingmar Bergman uit 1982 was dus wel degelijk dezelfde als die ernstige kardinaal van de art-housefilm die in de jaren vijftig met Antonioni, Wajda, Truffaut en anderen een intellectueel, artistiek en spiritueel bolwerk vormde tegen de Amerikaanse banaliteit.

Niet dat Bergman zich in dat bolwerk gemakkelijk voelde. Over collega-filmmakers was hij op z’n best zuinig met lof. Over Godard: ‘Godard is a fucking bore. Zijn films zijn overgeconstrueerd, faux intellectueel, doods. Cinematografisch oninteressant en eindeloos vervelend.’ Over Orson Welles: ‘Een fraudeur. Leeg. Oninteressant. Citizen Kane, dat altijd boven aan alle lijstjes staat, vind ik compleet vervelend. In mijn ogen is hij een eindeloos overschatte filmmaker.’

En over Michelangelo Antonioni: ‘Hij heeft twee meesterwerken gemaakt, de rest kun je laten zitten. De ene is Blow-Up, die ik vaak gezien heb, de andere is La notte, prachtige film, al komt dat vooral door de jonge Jeanne Moreau. Ik heb ook Il Grido in mijn collectie, potverdomme wat is dat een saaie film, en zo verduiveld droevig. Weet u, Antonioni heeft eigenlijk nooit het vak geleerd. Hij concentreerde zich op enkele beelden en realiseerde zich nooit dat film een ritmische stroom van beelden is, een beweging. Zeker, er zijn briljante momenten in zijn films, maar l’Avventura, bijvoorbeeld, deed me niks. Liet me koud. Ik heb nooit begrepen waarom hij zo werd bewonderd.’
………………………………………………………………………………………………………………………………..

advertentie:

Medium bergman

Bekijk hier een fragment van Persona (1966) van You Tube:


regie en scenario: Ingmar Bergman
camera: Sven Nykvist
editor: Ulla Ryghe
muziek: Lars Johan Werle
producer: Allan Ekelund
Zweden, 1966

met o.a. Liv Ullmann, Bibi Andersson, Margaretha Krook, Gunnar Björnstrand, Jörgen Lindström