De dood van de koffieroomdrinker

De vooroorlogse generatie sterft uit, en daarmee de generatie die proper de kist in wil. Tegenwoordig moet van de uitvaart worden genoten. Frank Starik is een van de kunstenaars die aan de nieuwe funeraire traditie vorm geeft. ‘Het is echt business hoor, begraven, dat is niet zomaar niks.’
De tentoonstelling Midden in het Leven staan wij in de Dood, waar onder andere werk van Frank Starik te zien is, is tot en met 14 april te zien in Arti et Amicitiae, Amsterdam. Donderdag 21 maart geeft Starik een lezing over Kunst & de dood in ‘t Paard, Den Haag. Van 12 mei tot en met 2 juli is werk van Starik te zien in Galerie Marzee, Nijmegen. Het Starik Museum is vanaf juni weer dagelijks geopend: Pakhuis Wilhelmina, Oostelijke Handelskade 29, Amsterdam. F. Starik, Nieuwe vleugel, uitg. Voetnoot, f29,50. F. Starik, Mijn leven als museum, uitg. In de Knipscheer, f34,50.
BEHALVE KUNSTENAAR is Frank Starik (37) ook zanger en ex-museumdirecteur. Zo'n tweehonderd meter verwijderd van zijn atelier, verderop aan de Rozengracht, stond het afbraakpand waar hij een jaar lang zijn Starik Museum (1992-1993) had gevestigd. Zijn werk bestaat voornamelijk uit het verheffen van zijn autobiografie tot kunst. Starik: 'Ja, het construeren van je leven als een verhaal is bepaald een kerngegeven van mijn werk.’

Zanger was hij van de Willem Kloos Groep, een band die harde (kaboem)muziek maakte op tekst van dode dichters, waaronder Bloem, Nijhoff, Marsman, Slauerhoff en, natuurlijk, Kloos. De taal van de Tachtigers sluit in ieder geval goed aan bij die van Starik, die neigt naar de archaische formulering. Met de Willem Kloos Groep heeft hij bovendien geprobeerd uit vaartmuziek te gaan verzorgen, maar het volume van de band keerde zich hoogstwaarschijnlijk tegen het gewenste, alternatieve afscheid van de dode. Vorig jaar november trad de Groep voor het laatst op na afloop van de presentatie van Stariks meest recente boek Nieuwe vleugel en de opening van de gelijknamige tentoonstelling.
Inmiddels heeft Starik nog een nieuwe liefhebberij ontdekt. Hij heeft nu ‘hobby aan vissen houden’, zoals hij zelf zegt. Trots laat hij zijn nieuwe aanwinst zien. In de donkerste hoek van het aquarium hapt een verder bewegingloze karper van twintig centimeter lang in het water. Een reus tussen de guppen. De lichtschuwe vis heeft hij samen met een tienjarig jongetje gered uit de bijna dichtgevroren vijver van het Erasmuspark. Starik heeft inmiddels de film Mijn hobby = aquariumhouden gemaakt en met brieven houdt hij het jongetje op de hoogte van het wedervaren van de karper.
Starik: 'Het beleven van zo'n eenvoudig avontuur is voor mij een handvat om werk te maken, omdat je je onmiddellijk kunt afvragen welke overwegingen aan die redding ten grondslag liggen. Je kunt daar een hoop bij verzinnen en dan krijgt die vis toch bepaald betekenis.’
In Nieuwe vleugel komt de dood aan de orde, zowel in gedichten als op foto’s. Het boek is een voortzetting van de met Mijn leven als museum (1993) ingeslagen koers, die leven en werk op vaak ironische en weemoedige wijze verbindt. In Mijn leven als museum - nog het best te omschrijven als een autobiografische brievenroman - beschrijft Starik onder meer zijn ervaringen met het eigen Museum. 'Het verschijnsel museum’, zegt hij, 'betekent dat je een ver houding aangaat met je eigen dood. Ik wil graag een vorm geven aan het bewustzijn van de vergankelijkheid. Het wonder dat je bestaat, dat je slechts een keer zult bestaan, wat dat ene kleine rotleven dat je hebt toch wel tot iets bijzonders maakt. Ik vind het een goed ding de wereld rond te gaan, roepende: Laat het niet als zand door je vingers glijden, grijp in en wees bewust! Weest uitgenodigd om bij mij te komen kijken hoe geweldig en heerlijk dat is. Dat het bijzonder is om te doen, Leven.’
Zeven brieven aan verschillende instellingen in Nieuwe vleugel getuigen van de vurige wens om zijn museum een permanente status te verlenen. Mede hierdoor is het boek drie dingen tegelijk, namelijk een dichtbundel, een soort museumjaarverslag en een tentoonstelling in boekvorm. Daarnaast is er ook een herziene versie van zijn museale beginselverklaring opgenomen. Het intussen weer gedagdroomde museum is immers een levend ideaal, dat vorm geeft aan 'de ondraag'lijke Gedachte dat je voor je ’t weet verdwenen bent, voorgoed verdwenen, kwijt’.
In een van de brieven aan de oude mevrouw in je boek 'Mijn leven als museum’ beschrijf je de functie van het museum als: 'Het zeker stellen van mijzelf. Nadat ik eerst ben doodgegaan.’
'Het is als beeld natuurlijk pompeuze onzin, dat je jezelf kunt laten voortbestaan. Maar dat maakt op zich het verlangen niet minder legitiem om je leven niet in een massagraf te laten verdwijnen. Het hangt ten nauwste samen met wat ikzelf verwacht van andere kunst, en wel dat die mij doordesemt van een droevig weten. Het Museum is natuurlijk niet educatief, omdat het geen kennis aanreikt. Iedereen weet alles, denk ik altijd. Het Museum hoopt alleen een soort bewustzijn over je leven los te maken. Ik denk dat dat goed is om te doen.’
DAAROM NIET ALLEEN het wonder van het leven, maar ook het wonder van de dood?
'De dood als culturele ervaring, daar ligt een heel terrein braak. Het gaat om de culturele opvatting dat de dood iets rampzaligs en iets verschrikkelijks is. Terwijl iedereen doodgaat, een volkomen vanzelfsprekendheid en een blessing in disguise. Als wij niet zouden sterven, zouden we niet bestaan. Onze notie van tijd bestaat bij de gratie van het feit dat we sterven. Het wordt alleen als een dramatisch gegeven opgevat, als iets weerzinwekkends. Wij worden geacht verdrietig te zijn wanneer oma van 98 ten langen leste de geest geeft. Dan staan wij allen plichtmatig te snikken aan haar graf. Oma is dood, dat is erg. Oma is al dertig jaar klaar met leven, maar het is toch een ramp. En dat is niet waar, het is geen ramp.’
Volgens Starik is in Nederland voortdurend tien procent van de bevolking in de rouw, omdat een dierbare het tijdelijke voor het eeuwige heeft verwisseld. Starik: 'Er gaan toch nog altijd zo'n tweehonderdduizend mensen per jaar dood, voornamelijk door natuurlijke oorzaken. Het is echt business hoor, begraven, dat is niet zomaar niks. Daar gaat het mij niet om, maar wel om die business nieuwe vormen en een ander gezicht aan te reiken. Die cultuur is erg aan het omslaan.’
Hoe zit dat dan in die business?
'Sinds kunstenaars zich ermee bemoeien, zij het marginaal, is de omslag bij de grote verzekeraars groot en snel geweest. De grootste uitvaartorganisaties beheersen de markt voor tachtig procent. Zij zien er interessante commerciele mogelijkheden in. Ze zijn ook als de dood dat iedereen zich door de een of andere vriendelijke kunstenaar laat begraven. De standaardbegrafenis zoals die vanaf eind jaren vijftig gebruikelijk is, in goedkoperige nieuwbouw waarin alles gericht is op efficientie en wegmoffelen, die is heel erg aan het veranderen. In de eerste plaats door de aids-patienten, die in de bloei van hun leven overlijden, vaak veel geld hebben en bewust afscheid willen nemen. Er zijn ook dingen veranderd in de Wet op de Lijkbezorging, waardoor er meer mogelijk is. De tentoonstelling in Arti wordt door een grote verzekeraar gesponsord. Het zal iets duurder worden, maar ze kunnen overal voor zorgen.
Die omslag heeft misschien wel met het fin de siecle van doen, en met een zekere mate van decadentie. Dat wij in onze getalsmatig volstrekte onbelangrijkheid er nog wat van willen maken. Het is op een bepaalde manier ook een uitvloeisel van het consumentisme, dat zelfs de uitvaart genoten moet worden. Je mag dan lullig geleefd hebben, je wilt in ieder geval een mooie begrafenis hebben gehad. Het heeft ook alles te maken met verdwijnende gedachtengoederen, zoals het christelijke recht-op-en-neerdenken, waar een sobere, saaie begrafenis heel goed bij past.’
Buiten begint het te schemeren. Starik loopt naar het aquarium en doet het licht uit. Een poging om de nog immer bewegingloze karper te doen zwemmen.
Starik: 'De laatste jaren waren er ineens veel televisieprogramma’s over de dood. Daar is gewoon belangstelling voor. Verzekeraars zijn ook brutaler gaan adverteren, die waren heel erg ingeslapen. Zo langzamerhand gaat er bovendien een andere generatie dood. De mensen die de oorlog nog hebben meegemaakt, zijn zo langzamerhand aan het opraken en dan krijg je nu de babyboomers. Die hebben gewoon goed geleefd, die hebben gestudeerd, die hebben over hun leven nagedacht en die willen dat weer anders. De eersten beginnen nu al te sterven. Al zullen die over het algemeen wel ouder worden, maar er gaan ook mensen onderweg dood. Daar ligt dus een gigantische markt in het verschiet.
Die generatie van de oorlog, zoals mijn vader, die wil gewoon hun lijk netjes opgeruimd en verder geen gedoe. Die hebben zo'n verantwoordelijkheid van geen brood weggooien, dus die stellen zich bij voorkeur beschikbaar voor de wetenschap, om nog nuttig te zijn, nog iets goeds te betekenen. Of ze laten de hele boel gewoon verbranden, allemaal netjes, efficient en schoon. Niks pieren en wormen.’
Jij ziet liever een andere omgang met de dood?
'Je bent in grote lijnen altijd een slaaf van je tijd. Je kunt de oudere generatie niet veroordelen dat ze snel en schoon voor Gods aangezicht willen verschijnen. Zo kun je de jongere generatie niet verwijten dat ze op een ander manier afscheid van het leven willen nemen. Je bent altijd een kind van je tijd, daar kun je je niet aan onttrekken. Als verschijnsel is het natuurlijk te vergelijken met het feit dat onze generatie geen koffiemelk drinkt. Wat een totaal triviaal detail is, maar wat - naar het zich laat aanzien - een volkomen generatiebepaald verschijnsel is. De koffiemelkdrinker sterft uit. Mensen van onder de veertig drinken opgewarmde melk in hun koffie, geen scheutjes koffieroom. En die scheutjes koffieroom zijn altijd een geweldige winstpakker geweest. Zoals de koffiemelkdrinkers proper de kist in willen, zo willen de opgeklopte- melkdrinkers hun eigen soort begrafenis. Tegen de tijd dat mijn verloren generatie doodgaat, dan zal je nog eens wat begrafenissen meemaken. Dan ga je hartstochtelijk terugverlangen naar een gewone koele, rustige begrafenis met een muziekje van Mieke Telkamp erbij, hop de kist de oven in en tot de volgende keer.’
STARIK STAAT OP om wat garnalen voor de karper te snijden, die volgens de dierenwinkel ook 'smaak voor spruitjes’ zou hebben. Hij vertelt dat de vissen voorafgegaan zijn door vogels. In 1988 maakte hij voor een tentoonstelling een werk met een vogel. Starik: 'Gijs heette-ie. Op die tentoonstelling werd hij door iemand verwijderd, een dierenbeschermer die daar beledigd over was. Om het goed te maken, heb ik de vogel een goed pensioen beloofd. Als hij de tentoonstelling zou overleven, zou ik hem tot het eind van zijn dagen gelukkig maken, als vergoeding voor de ontberingen die ik hem had laten doorstaan. En dat was akkoord. Gijs is nog jaren bij me geweest. Ik heb een voliere gebouwd en nog twintig vriendjes voor hem gekocht. Maar toen de oorspronkelijke vogel dood was, waren ook de vriendjes een beetje overbodig. Ik heb een hele grote foto van hem gemaakt. Enkele uren voor hij kwam te overlijden. Zo verbindt zich dat weer mooi met de dood in het werk van de heer Starik.’
Die andere vogels heb je losgelaten, is het niet?
'Die laat ik dan uit het raam, ja, “vliegende tegemoet een zekere meeuw”. Je weet dat ze het niet zullen halen, maar ik ben niet in staat ze met een hamer op het hoofd te slaan. Ik ben wel in staat om zo'n dier een langdurig lijdensproces te bezorgen door hem zogenaamd vrij te laten.
Zoiets schenkt mij toch vreugde en energie, omdat je een kleine overtreding begaat. Die aspecten tegelijk, dat vind ik boeiend. Ook in bijbelse zin: als je een vis redt, passeer je de boodschap aan alle andere vissen dat de mogelijkheid bestaat dat je wordt gered. Hoe hopeloos je situatie ook lijkt. Bijna al je soortgenoten zijn al vastgevroren, jij hangt in je laatst uren, happend naar lucht, in een sombere vijver en daar komt iemand langs en het is mogelijk dat je wordt gered. Het is ook mogelijk dat je weldoener je na twee dagen alsnog door de plee spoelt, maar dan is dat altruistische moment er toch geweest.’
BEDOEL JE DAT met 'schuld is macht’, in de laatste regel van het gedicht 'Leef gevaarlijk ll’?
'Dat heeft daar mee te maken. Je doet dingen fout in je leven, je maakt schuld. Soms ben ik opzettelijk slecht en daarmee bouw ik schuld op. Dat schuldgevoel hanteren vind ik buitengewoon interessant. Om dat toe te laten en ermee te spelen, als een prooidier met zijn prooi.
Ik was laatst in een dierenwinkeltje in Oost en daar hadden ze een hele grote, agressieve cyclide-roofvis. Die was zo kwaad, dat hij zowat uit zijn bak sprong. Daar zitten dus mensen die helemaal mislukt zijn in hun bestaan en die voeren levende visjes aan een grote roofzuchtige vis. En dan gaan ze kijken hoe de grote vis de kleine vis verslindt. Vinden ze mooi, om zo'n handzaam bloedbad onder handbereik te hebben. Om die wreedheid jegens de kleine vis te begaan, en de grote vis te eren. Ik herken het genot daarvan. Hoe mensen in achterstandswijken een soort verlossing voor hun eigen situatie als kleine vis vinden en daarin een soort catharsis van hun eigen leven zien. Dat het als zodanig symboliek is. Dierenwinkels vind ik een van de mooiste plekken van de consumptiemaatschappij.
De hobby als zodanig vind ik heerlijk. Van een hobby gaat zoiets verdrietigs uit. Als je hobby zegt, zie je iemand de meest afschuwelijke dingen doen om zichzelf te vermaken. Met een vrijblijvendheid die met een loden ernst op een triviale zaak gericht wordt, en dat maakt de hobby tot iets moois. Volwassen mannen die op zolders treinen leggen, op hun knieen met een transformatortje. In het verschijnsel hobby komt het absurdisme van ons leven heel mooi tot uitdrukking.’
Vergenoegd kijkt hij naar het aquarium. De karper beweegt zich intussen majesteitelijk door het water.
Starik: 'Dat is toch echt beremooi, zo'n vis.’