HET DIER ALS DIER

De dood van een hond

Nederland telt ruim 1,8 miljoen honden. Ze fungeren voor veel mensen als een (plaatsvervangend) familielid. Maar de knuffelcultus is doorgeslagen. De hond is géén mens.

TIEN JAAR GELEDEN zat ik in de wachtkamer van de dierenarts met mijn doodzieke hond. Er kwam een vrouw binnen met drie Berner Sennens die alle een baseballcap droegen. Zij zette met veel omhaal de petten af, haalde een kam door de kapsels van Kim, Tim en Tinus en begon ongevraagd tegen me te ratelen over haar ‘lieve drieling’ waarmee ze ‘beter contact had dan met haar volwassen kinderen’.
Inmiddels ben ik niet meer zo verbaasd als toen over de wijze waarop sommige mensen met hun honden omgaan. Was het behandelen van de hond als een mens ooit exclusief voor de levensstijl van de hogere klasse – met name bij de excentrieke Britse adel – thans is deze cultus mede door de internetrevolutie gedemocratiseerd en gebanaliseerd. Dit verschijnsel vertoont kenmerken van cultuurverloedering.
Als je bijvoorbeeld ‘het lifestyle magazine voor baasjes’ Wraf doorbladert, zie je hoe verregaand de hond een plek heeft veroverd in het hart van de sociale biotoop. Er staan stukken in over ‘lekker ruiken voor hond en baas’, hoe je je kunt voorbereiden op een skivakantie met de hond (‘winterjasjes aan, mutsen op’) of over de heilzame werking van een fluisteraar.
Basistrainingen zijn aangevuld met honderden speciale cursussen, zoals de heropvoeding van de puberende viervoeter, praten met uw blaffende huisdier (‘ook als zij niet het achterste van hun tong laten zien’), contact met uw overleden lieveling – het alternatieve circuit weet er sowieso raad mee. Ook de homeopathie heeft haar grenzen verlegd naar de genezing van kwakkelende dieren. Honden met obesitas kunnen naar afslankboerderijen. Ze krijgen dieetliflafjes in hun bakjes en halsbanden met Swarovski-kristallen, modepakjes en brillen aangemeten. Voor joodse honden zijn er keppeltjes. Als honden moe worden tijdens een wandeling kunnen ze uitrusten in een buggy of babydraagdoek. Voor de overleden hond bieden de ruim veertig huisdierenbegraafplaatsen en crematoria een menukaart met mogelijkheden, want ‘uw huisdier verdient een mooie uitvaart’.
Dat deze commerciële branche zich richt op het welzijn van de baasjes en op hun portemonnee is evident. Het is een raadsel hoe iemand kan geloven dat een dier van dit alles ‘gelukkiger’ zal worden. Sinds veertienduizend jaar voor Christus de domesticatie van de wolf begon, zijn honden er niet wezenlijk bewuster op geworden. De hond blijft een basaal existerend wezen met basale behoeften als een mand, brokken, water, bewegingsvrijheid en op z’n tijd een bot van de slager. Plus een opvoeding met regels en liefde.
Alleen, dit nuchtere gegeven is veel mensen te saai. Voor hen zijn honden gezinsleden, die materieel verwend moeten worden. Volgens voorspellingen van trendwatchers is deze trend – product van welvaart en individualisering – nog lang niet afgelopen. Bovendien kunnen honden door hun ras een verlengstuk betekenen voor de status van hun eigenaar. De bouvier, Deense dog of pitbull trekt aan de riem van de arbeidersklasse; de golden retriever, labrador of Jack Russell zit op de achterbank van de middenklasse-gezinsauto.
Engelse types of juist onooglijke ‘vuilnisbakken’ scharrelen in de tuinen van de hogere milieus. Schoothondjes behoren tot de modeaccessoires van Gooise meisjes en dito huisvrouwen, die ‘wegwerpsnuffelaars’ sparen als Uggs en gsm’s. Hét voorbeeld is stijlicoon Paris Hilton, die haar chihuahua Tinkerbell inruilde voor een nieuw exemplaar toen hij vermoeid was geworden van de zoveelste party.
Bij dit soort uitwassen vergeet je bijna hoe bijzonder de relatie tussen mens en hond kan zijn, en hoe sensitief honden kunnen reageren op stemmingen van hun bazen. Voor kinderen met kanker heeft het verzorgen van een hond bijvoorbeeld aantoonbaar therapeutische waarde. Of neem het unieke samenspel tussen een blinde en een geleidehond, dat gebaseerd is op een onvoorwaardelijk vertrouwen. Of eenzame mensen voor wie hun huisdier álles is.
Dit realiseerde ik me deze week toen mijn 92-jarige buurvrouw een dwingend beroep op me deed. ‘Mag mijn Robin bij jullie komen liggen?’ zei ze huilend op mijn stoep. Ik snapte haar niet meteen. Mijn contact met haar beperkt zich tot een praatje en ik koop voor haar wel eens grote zakken hondenbrokjes.
Ze trok me mee naar haar bovenverdieping. De adem werd me benomen door een weeïge geur van gekookte pens en urine. Op haar bed lag Robin spierschokkend te slapen. Hij bleek nierkanker te hebben en over twee uur kwam de dierenarts voor het terminale spuitje. Maar, jammerde ze: ‘Ik kán het niet, dan heb ik niks meer. Mijn man is dood en mijn zoon woont in Spanje.’ Boven haar bed zag ik een papiertje hangen met daarop geschreven: ‘Niet reanimeren’. Zij wilde niet verder, mocht het bij haar mis gaan.
Deze gebeurtenis triggerde bij haar van alles. Haar levensloop kwam er in hortende zinnen uit. Over haar gelukkige vooroorlogse jaren in Indonesië en over hoe de ‘Jappen’ haar in het kamp hadden mishandeld. Ze loopt krom door drie kapotgetrapte nekwervels. Robin was haar lifeline naar de buitenwereld. Een paar keer per dag zag ik haar met hem schuifelen. Een irritant beestje trouwens. Altijd keffen en als je in de buurt kwam: happen.
Ik groef in mijn tuin een kuil van een meter diep. Even later droegen we Robin op een dekentje van de steile trap af. De geur van dode hond bleef nog een dag in mijn neus hangen.
Nu komt ze dagelijks even bij het graf zitten. Een andere buurvouw, die een doorgefokte labrador met heupdysplasie heeft en daar melig over praat maar er wél onmiddellijk vanaf wil ‘als het te gek wordt’, zei meewarig tegen me: ‘Waar ben je aan begonnen met dat vieze beest in je tuin.’ Ik mompelde dat voor mij mensen nog altijd vóór dieren gaan. Ook dacht ik hoe verdrietig ik zelf was toen tien jaar geleden mijn jonge Russische straathond niet meer te redden viel.