De dood van Lodewijk XIV

‘Bijna iedereen gaat dood aan de geneesmiddelen, niet aan zijn ziektes.’ Dat zegt een van de personages in De ingebeelde zieke van Molière. De schrijver en toneelspeler was goed op de hoogte. Maar Lodewijk XIV, een van zijn grootste fans, overleed aan iets anders. Een van zijn benen werd zwart door koudvuur, maar zijn lijfarts aarzelde om het af te zetten. Dat had hem kunnen redden. In plaats daarvan moest hij gewoon proberen te eten en te drinken, al ging dat nauwelijks, hij kreeg een onschadelijk maar ook zinloos elixer van een kwakzalver, en verder was het afwachten maar.

Twee weken duurde het sterfbed van de Zonnekoning. Die twee weken zijn onvergetelijk in beeld gebracht door Albert Serra in La mort de Louis XIV. Jean-Pierre Léaud sterft indrukwekkend: in een donker, bedompt slaapvertrek, met zijn wakkere ogen en zijn krankzinnige pruik. Omgeven door zwijgzame hovelingen, zijn bezorgde maar besluiteloze lijfarts Guy-Crescent Fagon en de medische geleerden die uit Parijs overkomen. En nu en dan opgezocht door de onbewogen Madame de Maintenon, zijn geliefde met haar ondoorgrondelijke blik. De Zonnekoning ondergaat zijn einde met de beheersing en waardigheid die je ook ziet in de kunstige tuinen van Versailles die hij liet aanleggen. Als hij die beheersing verliest, is dat aangrijpend. Het gebeurt als hij het plotseling minutenlang uitschreeuwt van de pijn.

De lijfarts is een interessante figuur. Het vertrouwen van de koning was niet vanzelfsprekend, want iedere machthebber wist dat hij een mogelijk doelwit was van vergiftiging. In de film zie je dat als de kwakzalver uit Marseille langskomt met zijn elixer. Als ik me het recept goed herinner bestaat het drankje uit een mengsel van stierensperma, stierenbloed en hersenvocht. Voordat de koning dit krijgt toegediend, moet hij er eerst zelf van drinken. Hij heft het glas en zegt: ‘Op het leven of op de dood.’

Medium c3fcd642 f152 4488 b8c1 a41ba9f6ef4c
De dood van Lodewijk XIV

Vorig jaar publiceerde Luc Panhuysen een boek over de strijd tussen Willem III en Lodewijk XIV om de macht in Europa: Oranje tegen de Zonnekoning. Panhuysen schrijft: ‘Bij zowel Willem als Lodewijk was een nieuw soort hoveling opgedoken: de lijfarts. Met de komst van lijfartsen werd de koning als gebruiker van zijn lichaam onder toezicht gesteld. Het was een medische uiting van het landsbelang. Hun lichaam was zo belangrijk dat iemand standaard de pot met koninklijke ontlasting ’s ochtends naar het raam droeg voor goed licht. Elke verandering in eetlust en stoelgang werd uitgeplozen en geëvalueerd. De lijfarts was zo belangrijk dat hij zo niet in ’s konings kamer, dan in een aanpalend vertrek sliep. Niet zelden stelde een arts voor de zekerheid een diagnose en vulde een ambitieuze collega die aan met een remedie. Het leven van een verouderende koning was gedrenkt in medicijnen, tincturen en bouillons.’

Gangreen is snel. De Nederlandse benaming is treffend: koudvuur. Johan van Beverwijck schreef in 1636 dat de benaming vreemd lijkt, ‘maar misschien slaat op het feit dat het vlees helemaal koud is, terwijl de kou toch als een lopend vuur verdergaat’. Lodewijk XIV had in zijn leven gekampt met reuma, darminfecties, fistels, hoofdpijnen, chronische koorts, malaria, jicht en nierstenen. En niet te vergeten de grote problemen met zijn gebit. Panhuysen schrijft: ‘Hij was een gulzige eter en het gemis aan tanden verhoogde nog eens de snelheid waarmee alles naar binnen ging.’ Maar nu hij dodelijk is getroffen door het koudvuur, eet hij zo weinig dat zijn entourage applaudisseert wanneer hij een hapje neemt. In twee weken komt er een einde aan zijn leven. Wat er dan gebeurt in de film kun je lezen in The Sun King van Nancy Mitford. Een meesterwerk waar ik om de zoveel tijd in zit te bladeren omdat ze zo prachtig schrijft. Over de dood aan het hof:

‘Ziekte en dood waren verschrikkelijk in Versailles. Zodra de adem het lichaam van een lid van de koninklijke familie had verlaten, veranderde zijn of haar vergulde slaapkamer in een slagerij. Hovelingen of hofdames die hun leven hadden doorgebracht met de overledene en vaak erg droevig waren, moesten bij het bed staan terwijl het lijk in stukken werd gehakt. Het hoofd werd opengezaagd en onderzocht; de lever en de longen werden opzij gelegd, het hart werd op een zilveren presenteerblad aan de ene hertogin gegeven en de ingewanden in een grote zilveren kom aan een andere. Zeven of acht artsen maakten aantekeningen van hun huiveringwekkende bevindingen en verklaarden de oorzaken van de dood. De enige oorzaak die steevast aan hun aandacht ontsnapte was hun eigen onbekwaamheid.’