Biografie Ernest Mandel (1923-1995)

De doodlopende weg

De hereniging van Duitsland op kapitalistische grondslag was voor de trotskist Ernest Mandel zo pijnlijk dat hij begon te raaskallen. Zijn recente biografie noopt tot nadenken over het internationalisme van de sociaal-democratie.

Ernest Mandel, geboren op 5 april 1923 in Antwerpen als oudste zoon van geassimileerde joden uit Polen, stierf op 20 juli 1995. Het ‘ontwaakt verworpenen der aarde’ weerklonk bij de begrafenis trots over de zerk. Het gezang was letterlijk een echo uit het verleden. Want de intellectuele leider van de Vierde Internationale was eigenlijk al sinds najaar 1989 het spoor bijster. Namelijk toen de formeel socialistische ddr zichzelf ophief en zich in de armen van de feitelijk kapitalistische Bondsrepubliek wierp.

Eén foto in de recent verschenen biografie Ernest Mandel: Rebel tussen droom en daad van de Amsterdamse historicus Jan Willem Stutje vat dit lot schrijnend samen. Datum: 4 november 1989. Plaats: Oost-Berlijn. Beeld: Mandel is gekleed in een trenchcoat op weg naar het Palast der Republik, waar zich één miljoen burgers verzamelen voor een betoging tegen het communistische bewind van de sed. In zijn rechterhand sjouwt hij een houten klapstoeltje mee, onmisbaar attribuut wegens een hernia. Mandel is op die vierde november 1989 solidair met de demonstranten die de regerende sed bijna dagelijks verder onttakelen.

De foto is ontroerend omdat Mandel moederziel alleen in de richting van de massa loopt. De man, wiens bewegingsvrijheid op grond van vermeende terrorismedreiging jarenlang was beperkt door inreisverboden voor onder meer Duitsland en Frankrijk, hoopt er aansluiting te vinden met een ontketend proletariaat, dat zich eindelijk tegen het bureaucratische stalinisme keert. Volgens het referentiekader van de Vierde Internationale is hét probleem van het communisme namelijk niet dat de leninistische voorhoedepartij onvermijdelijk dictatoriaal en zelfs totalitair moet zijn – op straffe van helemaal niet zijn. Nee, het probleem is dat de partij door bureaucraten wordt geleid en daarmee de aspiraties van de arbeidersklasse smoort.

De ontroering wordt ontluisterend als Stutje beschrijft wat Mandel op die verpletterende novemberdag 1989 in Berlijn allemaal heeft gezien en gehoord: namelijk niets. Hij telt de affiches op de muren, wel zevenduizend en niet één met een oproep tot hereniging met het kapitalistische Westen, maar hij hoort intussen niet dat de leuze Wir sind das Volk wordt vervangen door Wir sind ein Volk. Het is niet voor het eerst in zijn politieke leven dat hij dingen hoort die niet worden gezegd. Zo zag hij ook in de vrije vakbond Solidariteit heel lang een hernieuwd socialistisch élan in Polen en wimpelde hij weg dat arbeiders, intellectuelen en kerk er echt meer invloed hadden dan die ene verdwaalde pure communist. Het optimisme over een blije proletarische toekomst stond een nuchtere analyse van de werkelijke machtsverhoudingen in de weg. De neocons in de Verenigde Staten hebben daar nu ook last van. Misschien wel omdat velen van hen een trotskistisch verleden hebben.

De ontluistering wordt grimmig als je leest hoe Mandel zich uiteindelijk schoonwast door anderen zwart te maken. Wanneer in het voorjaar van 1990 de Duitse hereniging niet meer is te stuiten en hij in mei ergens in Berlijn in debat gaat met de nieuwe communistische leider Gregor Gysi, beweert Mandel doodleuk dat de sociaal-democratie verantwoordelijk moet worden gesteld voor het ontstaan van het stalinisme. Op zijn oude dag vervalt de theoretische trots van de Wereldpartij in een stalinistische redeneertrant à la de ‘sociaal fascisme theorie’, waarmee het Komintern in de jaren dertig de nazi’s in de kaart speelde. Hoewel Mandel geen teleologisch denker was en zonder mankeren rekening hield met toevalligheden in de geschiedenis was de opeenstapeling van de gebeurtenissen in 1989 hem toch te veel geworden. Dat stond hem als theoreticus niet netjes.

Dat nam niet weg dat zijn uitspraken, om niet te zeggen orakels, vaak onovertroffen waren. Óf ze waren brutaal, maar niet onwaar, zoals de prognose dat de schuldenlast van de VS de Amerikaanse economie een keer kan gaan nekken. Óf ze waren zó hoog gegrepen dat ze belachelijk leken, zoals de zin (afgedrukt in NRC Handelsblad van 27 januari 1988) dat de ontwikkeling van de personal computer slechts ‘klein bier’ is en voor het herstel van het kapitalisme dus nauwelijks betekenis zal hebben.

Waarom is een biografie van deze weinig aaibare man toch van belang? Ten eerste omdat Ernest Mandel nog steeds een aantal klassiekers op zijn naam heeft staan. Hij was niet alleen de politieke Pythia van Delphi die, zoals het de Vierde Internationale betaamde, in de kleinste vonk op de noordpool al de vlam voor de mondiale revolutie kon zien. Hij was ook de theoreticus die er niet huiverig voor was om het marxisme met historiserende criteria te lijf te gaan, toch een boeiender benadering dan het lineaire gelijk van orthodoxe marxisten-leninisten. Hij was de auteur van een reeks studies waarin het begrip ‘laatkapitalisme’ werd gemunt, een woord dat aanleiding gaf tot hilariteit onder critici maar in retrospectief nog zo dol niet was. Volgens Mandel was de economische boom van de jaren vijftig/zestig niet het begin van een permanent jubelende economie. ‘De internationalisering van productiekrachten en kapitaal, mogelijk gemaakt door de derde technologische revolutie, beschouwde hij als de hoofdtrend van het na-oorlogse kapitalisme’, vat Jan Willem Stutje helder samen. ‘Hij voorzag het verval van de absolute hegemonie van Amerika en het afnemende vermogen van de natiestaat tot economische interventies.’ Dat hij zich welhaast hysterisch vastbeet in de rol van inflatie was historisch verklaarbaar. Voor zijn generatie was inflatie dé lont in het kruitvat. De jongere generaties in Europa voelen nu al decennia nauwelijks emotie bij het begrip inflatie.

Ten tweede: wegens de auteur, Jan Willem Stutje, die sinds zijn studententijd in de jaren zeventig geen geheim maakt van zijn verbondenheid met de Vierde Internationale. Stutje heeft zijn vakmanschap al eerder bewezen met een biografie van Paul de Groot, langer leider van het communisme in Nederland dan Jozef Stalin in de Sovjet-Unie. In De man die de weg wees uit 2000 beet Stutje zich iets te ongeremd vast in de ‘bureaucratisering’ van de cpn, maar dat stond een mooi politiek en psychologisch portret niet in de weg.

In Rebel tussen droom en daad toont Stutje wederom dat hij zich, ondanks zijn geestverwantschap met Mandel, niet wil laten verblinden door het kille objectivisme van het ‘wetenschappelijk socialisme’, maar oog heeft voor het subjectieve. Weliswaar wordt het begrip ‘bureaucratisch’ zó vaak gebruikt dat het niet meer dan een romantische dooddoener is – de naam van de Duitse socioloog Robert Michels (van de ‘ijzeren wet der oligarchie’) komt bijvoorbeeld zegge en schrijve één keer in het boek voor, die van zijn nog gewichtiger voorganger Max Weber zelfs nul keer – maar toch schetst Stutje uiteindelijk een portret van een intens tragische man: tragisch qua mensenkennis, tragisch in het gewone intermenselijke verkeer, tragisch in de liefde en tragisch als gemankeerd politicus. Ernest Mandel was in veel opzichten het tegendeel van zijn vader Henri, een koopman met een breed links instinct voor humanistische rechtvaardigheid en internationale solidariteit. Toen zijn vader in 1953 stierf, had Ernest vooral medelijden met zichzelf. Mandel illustreerde zo dat politieke rijpheid en menselijke volwassenheid bij hem gescheiden categorieën waren en overigens ook zouden blijven.

Die paradox, om niet te zeggen gespletenheid, is exact het probleem waarmee revolutionaire bewegingen kampen. Hoewel Stutje daar niet op uit lijkt, is hij er niet bang voor om met Mandel de hele Vierde Internationale op de snijtafel te leggen. Soms zelfs zeer expliciet. Godallemachtig, wat een hoop hartverscheurende en onbeschofte conflicten. In een overzichtelijk aantal pagina’s krijgt de lezer voorgeschoteld dat trotskisten vaak zijn weggezet als ‘scheurmakers’, met enige reden. Ten tijde van de ineenstorting van het ‘reëel bestaande socialisme’ in Oost-Europa bestond de in 1938 opgerichte Vierde Internationale een halve eeuw, maar per saldo had zich in die vijftig jaar een veelvoud aan ‘Internationales’ aangediend, in ‘tendensen’ of regelrechte afsplitsingen, meestal opgeluisterd met al dan niet clandestiene namen als Lambertisten, Pablisten, enzovoort. Het begon in mei 1940, toen Trotski nog leefde en hij het aan de stok kreeg met James Burnham, auteur van The Managerial Revolution, een van de meest baanbrekende studies sinds Max Weber over de onstuitbare bureaucratisering van de industriële maatschappij. In 1953 was het weer mis, nu over de vraag of de trotskisten aller landen zich moesten nestelen (zogeheten intredepolitiek) in echte massapartijen. Waarna er nog schisma’s zouden volgen over onderwerpen als het primaat van de koloniale strijd, het gebruik van geweld en de termen voor politieke hereniging. Dat die conflicten zich vaak afspeelden tegen de achtergrond van oorlog, vermeende oorlog of Koude Oorlog maakt het des te treuriger. Hadden ze al die jaren niets beters te doen? Nee, kennelijk niet. Waarom? Waarschijnlijk omdat de geschiedenis hen permanent op de hielen zat.

De grondleggers van de Vierde Internationale waren gevormd door de jaren dertig en veertig: door crisis, massamoord en oorlog. Ze zouden daarna nooit meer in een andere maatschappelijke context kunnen gedijen. Steeds was deze generatie, waartoe ook Mandel behoorde, op zoek naar de ondergang waaruit de revolutie zou oprijzen. Altijd maar weer bereidde ze zich, onder meer met schuilnamen en andere geheime operaties, voor op de clandestiniteit. Dat de Vierde Internationale zich eind jaren vijftig, meer dan wie ook, met illegale activiteiten inzette voor de Algerijnse bevrijdingsbeweging fln was geen toeval: valsemunterij en wapenleveranties waren een voortzetting van ’40-’45.

De nieuwe aanwas na de Tweede Wereldoorlog was een exponent van voorspoed, schuldgevoel en romantiek, van de jaren zestig. Voor hem was revolutie geen objectieve noodzaak meer maar gunstige bijkomstigheid. Deze jonge generatie gaf de ouderen het alibi te blijven geloven in de wereldpartij, maar had zelf ook andere opties in het leven: in liefde, werk of wetenschap. Het is geen toeval dat deze tweede groep zich niet onvoorwaardelijk overgaf aan de revolutie. Haar belangstelling voor de Praagse lente ten tijde van Dubcek was groter dan de vraag of er in Tsjechië meer dan één trotskist was te vinden.

En dan is er nog een derde reden waarom het boek van Stutje van belang is, een reden die zijn biografie tot meer maakt dan een politiek portret van zijn held. Ernest Mandel was uiteindelijk ook de radicale exponent van een stroming binnen het linkse spectrum die zich niet met één pennenstreek laat diskwalificeren als totalitair en gevaarlijk. Natuurlijk: de Vierde Internationale was een reactie op de Komintern en daarmee ver verwijderd van de sociaal-democraten, die zich honderd jaar geleden niet door Lenin en diens bolsjewisme in de luren hadden laten leggen. Anders dan de Tweede Internationale, die steeds over doel én middelen nadacht, heeft de Vierde zichzelf altijd als leninistisch bestempeld, of beter, als leninistischer dan alle stalinisten bij elkaar. Mandel was dus ook een man die zich bezighield met de niet bijster relevante vraag of de Sovjet-Unie nu een ‘gedegenereerde arbeidersstaat’ was of toch een ‘socialistisch vaderland’. Het idee dat de Oktoberrevolutie van 1917 een vergissing was, was aan hem niet besteed.

Maar toch. Ook wie geen enkel heil ziet in directe democratie of radencommunisme, ook wie geen zin heeft in gepalaver over de intrinsieke waarde van de parlementaire democratie, ook wie zich in het zogeheten revisionistische kamp bevindt en dus niet hunkert naar revolutie, kan er niet omheen dat trotskisten op een aantal cruciale momenten in de twintigste eeuw aan dezelfde kant stonden als de reformisten. Zij het meestal niet vóór een wenkend perspectief maar tégen een naargeestige ontwikkeling. Dat wil zeggen: tégen de interventies in Hongarije (1956), Tsjechoslowakije (1968) en Polen (1981), tégen de fascistoïde regimes in Griekenland, Portugal en Spanje en tégen het systematische geweld van Mao Zedong en Pol Pot. Anders gezegd: hoe verschillend hun politieke overtuigingen ook waren, qua afkeer van een dubbele moraal stond Ernest Mandel minder ver af van bijvoorbeeld Max van der Stoel dan ze beiden konden bevroeden.

Heel ver weg is er zelfs enige virtuele verwantschap. Dat die mede mogelijk was omdat Lev Trotski eind jaren twintig het onderspit dolf tegen Jozef Stalin (en we dus hooguit kunnen speculeren over de vraag of de eerste in de Sovjet-Unie niet evenzeer dood en verderf zou hebben gezaaid) en het trotskisme ondanks zijn superioriteitsvertoon daarom toch een voordeel van de twijfel geniet, wil ik geenszins ontkennen of bagatelliseren. Maar los van al dit soort ideologische tegenstellingen en if-history zet de biografie van Stutje aan het denken over deze virtuele consensus tussen parlementair sociaal-democratisch en revolutionair communistisch: namelijk dat het internationale perspectief van de hele linkerflank sinds 1989/1991 zieltogend is. Het feit dat de trotskisten zich al die decennia nogal consequent verslikten in zowel de Derde en Tweede als Eerste Wereld, doet er niets aan af dat ook sociaal-democraten en andere erfgenamen van de politieke arbeidersbeweging intussen geen kosmopolitisch perspectief meer hebben.

De SP in Nederland heeft amper enige geschiedenis buiten de landsgrenzen. Het massamaoïsme van de SP was nationalistisch. De postmaoïstische SP is nu wat minder nationaal georiënteerd, maar heeft nog steeds geen serieuze zusterpartijen en kapitaliseert meer op anti-Amerikanisme dan op een eigen mondiaal alternatief. Het denken in de Socialistische Internationale van de pvda beweegt intussen nauwelijks. Individueel zijn er talloze sociaal-democraten die zich bekommeren om bijvoorbeeld het fiasco van de beweging in Polen, Tsjechië, Hongarije, Rusland en andere postsovjetstaten. Maar in groepsverband merk je er een stuk minder van. Turkije? Komt tijd, komt raad. Het Midden-Oosten? Daaraan brandt de SI zich zo min mogelijk. Latijns-Amerika? Men beziet Hugo Chávez met wantrouwen maar beperkt zich jegens de Chileense presidente Michelle Bachelet tot lippensolidariteit.

Dat ook de Socialistische Internationale verzaakt betekent niet dat de Vierde met terugwerkende kracht gelijk had. Mandel dacht en deed alles vanuit een manicheïstisch wereldbeeld, met louter zwart of wit. Het was, in een variant op de barbarij van Rosa Luxemburg, ‘het socialisme óf de dood’. In 1989/1991 moest hij zijn nederlaag dus onder ogen zien. Hij schreef: ‘De crisis van het socialisme is voor alles de crisis van de geloofwaardigheid van het socialistische project. Vijf generaties socialisten en drie generaties arbeiders waren overtuigd (…) dat het socialisme mogelijk en noodzakelijk was. De huidige generatie niet meer.’ De jeugd had het kennelijk gedaan. En dat klopte. Voor de jeugd waren woorden als socialisme of sociaal-democratie inderdaad historische categorieën geworden. En die onthechtheid raakte niet alleen de radicaal linkse vleugels, ze had ook invloed op het keurige burgerlijke midden van de oude arbeidersbeweging.

‘Vichoda njet’, zeggen ze in Rusland fatalistisch: ‘Er is geen uitweg.’ In de biografie van Mandel tekent die doodlopende straat zich hyperbolisch en hilarisch af. Maar dat zou de sociaal-democratische internationalisten niet gerust mogen stellen. Zij hebben ook een probleem, niet zo groot als dat van Mandel maar wel ingrijpender.

Jan Willem Stutje, Ernest Mandel: Rebel tussen droom en daad_. Houtekiet, 475 blz., € 32,50_

……………………………………………………………………………………………………………….

De Vierde Internationale werd in 1938 gesticht door Lev Trotski, kort na zijn verbanning uit de Sovjet-Unie. In 1948 vond in Parijs het tweede en laatste congres plaats, zonder veel ophef. Er bestaan nog verschillende trotskistische koepelorganisaties, die zichzelf als de opvolger van de Vierde Internationale beschouwen.