De doodstraf als angstkreet

Waarschijnlijk is een pleidooi tegen de doodstraf voor de lezers van dit weekblad overbodig. Maar de lezers van De Groene vormen helaas geen representatieve doorsnee van de Nederlandse bevolking. Want de Nederlandse bevolking gaat steeds meer voelen voor herinvoering van de doodstraf. Het meest verontrustend is dat jonge mensen daarbij voorop lopen.

Wat voor mij de doorslag geeft bij mijn onvoorwaardelijke verwerping van de doodstraf, is dat de staat zich met het uitspreken van de doodstraf aanmatigt iets te doen waarvan niemand de draagwijdte kan overzien, maar waarvan in elk geval wel vaststaat dat zij resoluut een einde maakt aan alle rechten van de mens. Rechten waaraan die staat zich anders dient te houden.
Allerlei andere redenen om tegen de doodstraf te zijn - zoals de niet- omkeerbaarheid, de wreedheid van de straf, de vaststelling ook dat het toch niet helpt - zijn van bijkomstige aard.
Ruim veertig procent van de ondervraagden is nu voor invoering van de doodstraf. Dat is veel, maar toch maak ik daar een kanttekening bij. Toen in 1870 in Nederland de doodstraf werd afgeschaft, gebeurde dat ook niet met eenparigheid van de stemmen. Er is tevoren eindeloos veel over geschreven en er waren heel veel tegenstanders. In de Eerste Kamer kwam de afschaffing erdoor in de verhouding twintig voor en achttien tegen. Meer dan 47 procent sprak zich dus uit voor het behoud van de doodstraf.
En toen het Supreme Court van de Verenigde Staten in 1972 besliste dat de grondwet de doodstraf verbood omdat dat een ‘cruel punishment’ was, was de verhoding vijf op vier. Zoals bekend zijn ze daar later ook weer op teruggekomen.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd ook in ons land voor oorlogsmisdaden de doodstraf weer ingevoerd en na die oorlog in een aantal gevallen ten uitvoer gelegd. Daarover is debat gevoerd, maar niet op grote schaal.
Onder bepaalde omstandigheden begint de roep om deze radicaalste van alle straffen steeds weer op te komen, zo luidt mijn conclusie. Het is, dunkt mij, in onze tijd vooral een kreet van angst, van moedeloosheid en van woede over criminaliteit die niet wordt beteugeld. Een kreet die gemakkelijk wordt overgenomen en uitgroeit tot een eis.
Ik vrees dat die roep zal toenemen zolang de bij voorbaat verloren 'oorlog’ tegen de drugs gevoerd blijft worden op een wijze die duidelijk de onmacht van de overheid aantoont: langs de exclusieve weg van het strafrecht dat, naar inmiddels wereldwijd is gebleken, daarvoor niet is toegerust. En, daarmee nauw samenhangend, onmacht om aan haar burgers die elementaire bescherming te bieden, op grond waarvan zij door hen ondanks haar veeleisendheid wordt aanvaard.
Wanneer bij mensen op grote schaal de overtuiging veld wint dat het, overdag en ’s nachts, in stad en land, thuis en op straat, niet meer veilig toeven is, dan is daardoor de rechtsstaat, die de doodstraf afwijst, in gevaar.