Günter Grass

De doofpot van de Duitse geschiedenis

In zijn nieuwe novelle ‘Im Krebsgang’ gaat Günter Grass in kreeftengang, zijwaarts het verleden in, op zoek naar de essentie van Hitlers Duizendjarige Rijk. Centraal staat de ondergang van het schip de Wilhelm Gustloff.

Op Nieuwjaarsdag 1945 mocht het benauwde Duitse volk hem eindelijk weer horen, bijna een half jaar na de mislukte moordaanslag in Frankrijk. De Führer hield zijn traditionele radiotoespraak vanuit Bad Nauheim in het Taunusgebergte, dicht bij het slagveld. Het wanhopige Duitse Ardennenoffensief («Operatie Herfstmist») liep uit op een militair fiasco. Tweede Kerstdag was Bastenaken alweer bevrijd. Geen woord sprak de afgetakelde oude man over zijn wonderwapen, de V2. Niets over het terugtrekken van troepen. Hij had het alleen over doorgaan en Endsieg. Daarna volgde veel van hetzelfde voor het handjevol Duitse nazi-dromers dat nog aan zijn lippen hing. Duitslands vijanden, aangevoerd door «de internationale joodse samenzwering», wilden het vaderland vernichten. Het lijden van het Duitse volk was de schuld van slappe bondgenoten. Toch zou die joodse samenzwering niet alleen falen in haar poging Europa kapot te maken, dat internationale complot zou juist de eigen vernietiging teweegbrengen.

Viktor Klemperer noteerde op 5 januari 1945 in zijn indrukwekkende dagboek (Tot het bittere einde: Dagboeken 1942-1945) dat de toespraak alleen nieuw was «door de aanroeping van de Almachtige die de rechtvaardige zaak naar de overwinning zal leiden». Ondanks de banaliteit van de toespraak was Klemperer — die jarenlange vervolging had overleefd maar het geallieerde bombardement op Dresden in de nacht van 13 op 14 februari nog moest ondergaan — toch ontsteld, «want die toespraak is alleen maar gehouden om het volk op te monteren. En Hitler noemt het offensief met geen woord.»

Het kon nog erger. Als Hitler ten onder ging, dan het Duitse volk ook maar. Tegen de avond van 15 januari 1945 keert hij, een schim van wat hij eens was, in een gesloten trein stilletjes terug naar Berlijn en verschanst zich in zijn bunker onder de Rijkskanselarij, om daar nooit meer weg te gaan. Vanaf half januari wordt Auschwitz ontruimd. Alle sporen van de massamoord op de joden moeten worden weggewist. Tienduizenden uitgemergelde kampbewoners worden door SS-commando’s in lange colonnes in de winterkou naar het westen gejaagd. Op 26 januari blaast de SS het laatste crematorium in Birkenau op. De vluchtelingenstroom westwaarts richting Berlijn en Oostzeekust zwelt aan tot vele honderdduizenden, ook Duitsers, die als de dood zijn voor het Rode Leger. Alan Bullock schrijft in zijn meedogenloos gedetailleerde Hitler en Stalin: Parallelle Levens (1991): «Warschau werd op de 17de ingenomen, Kraków en Lodz op de 19de. Op 20 januari hadden de Russen een doorbraak bereikt die zich van Oost-Pruisen uitstrekte tot aan de voet van de Karpaten (…) Eind januari lagen vooruitgeschoven troepen van Zjoekov en Konjev al aan de westkant van de Oder, en Zjoekovs bruggenhoofd in Kostrzyn was nog maar 80 kilometer verwijderd van Berlijn.»

Het kon nog veel en veel erger. Op 30 januari — de twaalfde verjaardag van Hitlers Duizend jarige Rijk — horen de Duitsers hun leider voor het allerlaatst in een radiotoespraak waarschuwen voor de «Kremlin-joden». Maar het is te laat. Het Groot-Duitse Rijk krimpt en de kades van Oostzeehavens als Danzig en Gotenhafen worden overspoeld met vluchtelingen die per boot aan het oprukkende, moordende en verkrachtende Rode Leger willen ontkomen. Een van die schepen is de Wilhelm Gustloff, die bijna tienduizend vrouwen en kinderen aan boord neemt en in de avond van 30 januari bij achttien graden onder nul de Oostzee op vaart, om een paar uur later getroffen te worden door drie Russische torpedo’s. Het schip zinkt, er zijn slechts duizend overlevenden. Wie mocht denken dat de ramp met de Titanic de grootste is in de scheepvaartgeschiedenis, heeft het mis. Maar mag je een ijsberg in vredestijd wel vergelijken met drie torpedo’s in de Tweede Wereldoorlog?

«Men dient niet te vergelijken.» Dat schrijft de ik-verteller in Günter Grass’ novelle Im Krebsgang, waarna de verteller frappante overeenkomsten tussen de ondergang van de Titanic en die van de Wilhelm Gustloff signaleert. Grass’ nieuwe boek heeft de tongen in Duitsland weer losgemaakt. Het nazi-verleden en het debat rond de herdenkingsverslaving zijn weer stevig opgelaaid. De Duitse literatuur blijkt verre van marginaal. Het verhaal van de verliezers, zo lang onderdrukt en verzwegen, kan blijkbaar eindelijk in de Heimat zelf worden verteld.

«'Waarom pas nu?’ zei iemand die ik niet ben.» Zo begint de novelle. Grass heeft zijn sensationele historische verhaal rond de Wilhelm Gustloff in Im Krebsgang «uitbesteed» aan een vijftigjarige journalist. Deze ghostwriter krijgt van Grass te horen dat hij halverwege de jaren zestig — na zijn Danziger trilogie Die Blechtrommel, Katz und Maus en Hundejahre — het verleden meer dan zat was. Toch heeft hij verzaakt en zijn verzuim is bodemloos. Nu is het te laat en moet de oude, leeg- en moegeschreven auteur het overlaten aan een ex-Springer-journalist, een ex-Ossie die naar West-Berlijn is gevlucht, een halve wees, een ex-echtgenoot en halfbakken vader, opportunist die met de tijdgeest meewaait, niet meer stemt en nooit zijn boek Tussen Springer en Rudy Dutschke schreef. Dit literaire kat-en muisspel met zijn ghostwriter-buikspreker speelt Grass met verve, inclusief zelfkritiek. Want hoewel hij al in zijn Danziger drieluik zijdelings over de Wilhelm Gustloff schreef, was het eigenlijk «de opgave van zijn generatie geweest om uitdrukking te geven aan de ellende van de Oost-Pruisische vluchtelingen: de winterse trek naar het westen, de dood in sneeuwbanken, het verrekken aan de straatkant en in wakken (…)» Maar hoe schrijf je in godsnaam over het duizendvoudig sterven van kinderen in de buik van een schip en in de ijzige zee?

De verteller heet Paul Pokriefke. Schrijf maar over je eigen geboorte, suggereert «der Alte». En hier raakt het persoonlijke verhaal van de journalist verstrikt in de Grote Geschiedenis. Want op de avond van 30 januari 1945 zat hij in de buik van zijn moeder Tulla. Die kreeg na de torpedoaanval weeën, wist van boord te komen en werd gered door de torpedobootjager Löwe. Daar komt hij ter wereld.

Günter Grass laat Im Krebsgang op zeer vernuftige wijze vertellen. Net als een kreeft beweegt hij zich zijwaarts naar achteren het verleden in. Zo ontwikkelt zich een vertelling rond het schip dat midden in het heden van het World Wide Web ophoudt. Maar houdt het echt op? De slotzinnen luiden: «Das hört nicht auf. Nie hört das auf.» Grass’ verhaal in de breedte is de met elkaar verknoopte driedubbele vertelling over Wilhelm Gustloff, NSDAP-leider in Zwitserland die uitgroeit tot martelaar; over David Frankfurter, Servische rabbijnszoon en matige medicijnenstudent die op 4 februari 1936 Wilhelm Gustloff vermoordt («Ik heb geschoten omdat ik jood ben»); over de in Odessa geboren Roemeens-Oekraïense Alexander Marinesko, die als kapitein van een torpedojager de Wilhelm Gustloff tot zinken brengt.

Het lot of het toeval brengt deze drie mensen — dankzij hun botsende persoonlijke drijfveren — met elkaar in verband en laat de Duitse geschiedenis in een ander licht zien. In Nicole Casanova’s interviewboek Atelier des métamorphoses (1979) zegt Grass dat hij weigert de overheersende rol van de geschiedenis te aanvaarden. De historie is voor hem nooit een rechtvaardigende instantie. Hij beziet de geschiedenis met scepsis, niet als hegeliaanse vooruitgang maar «als een vage absurditeit». Het verloop van de geschiedenis «is absurd, onmenselijk in haar gevolgen en in het algemeen geschreven door de overwinnaars, wat een duizendjarige vervalsing van de feiten veroorzaakt». Vanuit die overtuiging moet, op de valreep, Im Krebsgang zijn ontstaan, een uiterst persoonlijke en ontluisterende geschiedenis van de verteller-verliezer én van verliezer Duitsland, de schuldige die het eigen lijden decennialang wel moest wegmoffelen.

In zijn obsessieve research naar de geschiedenis van het Kraft durch Freude-schip Wilhelm Gustloff — dat in de jaren dertig vakantie vierende Duitse arbeiders naar Noorwegen of Madeira bracht — stuit de journalistieke Vergangenheitskrämer (marskramer van het verleden) op een neonazi-achtige website waarop de vermoorde nazi-leider Gustloff als martelaar, als Blutzeuge der Bewegung wordt vereerd.

De schok is groot als hij ontdekt dat zijn zoon, Konrad («Konny»), wiens opvoeding hij heeft verwaarloosd, de kwade genius is achter deze website en chatbox, waarin een zekere David als «eeuwige jood» optreedt. Maar woorden van haat en wraak voldoen niet. «Een virtuele nacht van de lange messen had slachtoffers nodig.» Dat slachtoffer valt, en Paul Pokriefkes zoon heeft er de hand in. Hij wilde per se Wilhelm Gustloffs dood wreken en herhaalt de geschiedenis maar dan omgekeerd: hij schiet «David», zinnebeeld van de «eeuwige jood», dood, met alle gevolgen van dien voor zoon, vader en (groot)moeder.

Het lijkt erop dat in Im Krebsgang de strijd tussen vader en zoon woedt. Toch klinkt steeds weer op de achtergrond een stem die de meeste invloed uitoefent. In een smeuïg dialect vol buigzame taal heerst grootmoeder Tulla over kleinzoon Konrad én over zoon Paul. Zij is de vleesgeworden aanpassing. In het Duizendjarige Rijk wist zij te overleven, maar ook later in de DDR, de «arbeiders- en boerenstaat». Als voorbeeldig arbeidster in een meubelfabriekje treurt ze zelfs om de dood van vadertje Stalin. Zij is zo sluw als de vos die ze bij cruciale gelegenheden om haar nek draagt. In haar raken de ideologieën van stalinisme en nazisme elkaar. Zij is het zinnebeeld van «das Böse» dat in haar woekert en dat ze aan haar zoon en kleinzoon doorgeeft. «Ik ken mijn afgronden», dat zegt de verteller. Toch probeert hij aan het eind van «zijn» boek Im Krebsgang raad te vragen bij zijn ex-vrouw, zijn moeder, de oude schrijver Grass en zelfs bij het vriendinnetje van zijn zoon, die een modelgevangene blijkt maar wel een model van zijn geliefde schip Wilhelm Gustloff in elkaar knutselt en later in aanwezigheid van zijn vader vernielt.

Kent de verteller zijn moeder? Kent hij zijn zoon? Kent hij zichzelf? Zijn vader is onbekend. Kent hij zijn vaderland? «Damals war ich ihr Hoffnungstrager.» Maar wat betekent hoop na de gewelddadige Duitse twintigste eeuw? In zijn roman De bot (1977) laat Grass een geharnaste feministe zeggen: «Hoop legt geschiedenis bloot. Hoop geeft ons in het levenslabyrint zicht op de draad welke historische vooruitgang heet. Zij staat boven de tijd, want de enige echte werkelijkheid is het beginsel van de hoop.» Deze vage echo van de utopische marxist Ernst Bloch wordt in Im Krebsgang zwaar onder vuur genomen. Historische vooruitgang? Hoop? Op de laatste bladzijde van Grass’ novelle slaat juist de wanhoop toe, lijkt de geschiedenis zich voor de zoveelste keer te herhalen, als ramp en als klucht, en komt niemand een steek verder.

Grass wilde met Im Krebsgang van de Tweede Wereldoorlog weer een persoonlijk verhaal maken, een verhaal waarin zijn eigen moeder — in het Danzig van 1945 verkracht door Russische soldaten — te herkennen valt in het provocerende personage Tulla Pokriefke. Het ging Grass wél om het duizendvoudig sterven in de buik van de Wilhelm Gustloff, maar dan via de omweg van Paul Pokriefkes geboorteverhaal en de dramatische nasleep daarvan tot in onze dagen vol daders en slachtoffers, vol terroristen van de geest en de daad die het voorzien hebben op dat wat broos en breekbaar blijft: de democratie, de open maatschappij die zelfs de lectuur van Mein Kampf niet zou willen verbieden. En die samenleving zinkt weg als we niet af en toe een bewuste kreeftengang naar het vermaledijde verleden ondernemen om dáár al reconstruerend te weten te komen hoe het híer zo ver kan komen dat Hitlers stopwoord vernichten weer vanzelfsprekend wordt. Overdrijf ik? Dan nog maar eens de slotwoorden van Im Krebsgang: «Das hört nicht auf. Nie hört das auf.»

Met Im Krebsgang heeft Günter Grass laten zien dat de literatuur een zeer belangrijke gesprekspartner is voor politici, opinieleiders en andere mediatijgers die grossieren in meningen maar zichzelf in hun egocentrische ijdelheid al snel vergeten. Want het persoonlijke is ook politiek, maar anders dan de gepokte en gemazelde ideologen van links en rechts denken.

Günter Grass

Im Krebsgang

Uitg. Steidl, 216 blz., € 18,-