Hoofdcommentaar

De doorzettingsmacht van Donner

«Mijn luchthaven is veilig», sprak Schiphol-directeur Paul Luijten afgelopen zaterdag op het Groot Gala van Het Terrorisme in de Amsterdamse Stadsschouwburg. «En ook als dat niet zo was, zou ik precies hetzelfde zeggen.» Ziedaar het dilemma waarmee alle gezagsdragers kampen. Ze moeten ten eerste de veiligheid van hun grondgebied, achterban of bedrijf garanderen, in wezen een onmogelijke opgave. Ten tweede moeten ze de belangen van relevante politieke groeperingen, bondgenoten en marktpartijen in het oog houden. En ten derde moeten ze zich indekken tegen de gevolgen van tegenvallers of mislukkingen. Die laatste verplichting is natuurlijk niet dwingend, maar bestuurders is niets menselijks vreemd.

De kans op justitiële en politieke ontsporingen onder het mom van de «strijd tegen het terrorisme» is dan ook levensgroot. De Amerikaanse autoriteiten vinden het sinds 11 september 2001 geen bezwaar om het oorlogsrecht aan hun laars te lappen, hun eigen onderdanen krijgsgevangen te nemen en verdachten zonder vorm van proces jarenlang achter de tralies te zetten en aan systematische marteling te onderwerpen, alles met een beroep op de nationale veiligheid. Zo ver willen we het – hopelijk – hier niet laten komen. Maar waar ligt de grens? Wordt die overschreden nu het kabinet aan de minister van Justitie «doorzettingsmacht» bij de bestrijding van een acute terroristische dreiging toekent? En is minister Donner, de man die knoeide met het uitleveringsverzoek voor mullah Krekar en het in de zaak van de vier zogenaamde «Rotterdamse terroristen» niet zo nauw nam met de waarheid, de juiste man op die post?

Die laatste vraag is niet alleen van belang voor de rechtsstaat, opgevat als het stelsel van rechten en instituties die het individu beschermen tegen machtsmisbruik door de overheid. Hij is ook van belang voor onze collectieve veiligheid. Een overheid die blunder op blunder stapelt teneinde de schijn van doortastendheid op te houden, is een bijna even grote bedreiging voor de democratie als een overheid die om wille van de veiligheid de fundamentele rechten van haar burgers schendt. Het antwoord op al deze vragen is nog allesbehalve duidelijk.

De beweegredenen voor het «terreuralarm» van afgelopen zomer, die de laatste weken mondjesmaat aan het grote publiek werden medegedeeld, maken voor de verandering een serieuze indruk. Anders dan in de zaak van de «vier van Rotterdam» lijken de schouders van het openbaar ministerie ditmaal wél sterk genoeg om de bewijslast te dragen. Op 30 juni is een achttienjarige Rotterdammer gearresteerd die zich volgens de dagvaarding bezighield met gewapende overvallen en in het bezit was van islamistisch propagandamateriaal alsmede kaarten van «strategische doelen» als Schiphol, de kerncentrale in Borssele en het AIVD-gebouw. Een maand later zijn nog eens vier mannen gearresteerd die worden verdacht van voor bereidingshandelingen voor moord, brandstichting en het veroorzaken van een explosie. Twee van hen zouden een video-opname hebben gemaakt van een mogelijke route voor een zelfmoordactie. In hun woonhuizen zouden vuurwapens en islamistische propaganda zijn aangetroffen.

De brief aan de Tweede Kamer van afgelopen vrijdag, waarin Donner en zijn collega van Binnenlandse Zaken Remkes schrijven dat de afgelopen maanden individuen zijn gesignaleerd die «objecten en terreinen als mogelijk doel van aanslagen» in kaart brengen, lijkt dus niet uit de lucht gegrepen. En gezien de aard van de Nederlandse bureaucratie zijn er goede gronden om één minister in dit soort gevallen «doorzettingsmacht» te geven, mits hij zijn positie niet misbruikt om de mantra aan te heffen van de «nieuwe bevoegdheden» die zogenaamd nodig zijn omdat hij anders met lege handen staat. De Nederlandse overheid heeft ruim voldoende bevoegd heden, alleen worden ze zelden efficiënt ingezet. Donners titel van «terrorisme-tsaar» mag geen vrijbrief zijn om de regels op te rekken of gaandeweg nieuwe te introduceren. De titel schept de verplichting om bestaande regels slim en goed gecoördineerd toe te passen.

In dit verband zijn de voorlopige conclusies van Gijs de Vries, de Europese «terrorisme-tsaar», het aanhoren waard. In een interview met Le Monde van 18 mei, dat om mysterieuze redenen door geen enkel Nederlands medium is opgepikt, zegt hij dat hij in zijn eerste rapportage niet pleit voor meer bevoegdheden voor zichzelf of voor de Europese opsporingsorganen. Alvorens te praten over meer bevoegdheden en nieuwe samenwerkingsorganen doen de lidstaten er goed aan eerst eens hun eigen wetten en onderlinge verdragen van de afgelopen twintig jaar na te komen, aldus De Vries.

Volgens hem gaapt er een «kloof» tussen de alledaagse Europese samenwerking en alle hoogdravende afspraken en beloften van generaties Europese politici. Tal van veiligheidslekken kunnen nu reeds worden gestopt door het uitvoeren van VN-conventies betreffende de aanpak van de financiering van het terrorisme, de veiligheid van het lucht- en scheepvaart verkeer of de productie van explosieve stoffen. Helaas zijn acht van de twaalf relevante conventies, waarvan sommige dateren van twintig jaar geleden, nog steeds niet door alle lidstaten geratificeerd.

«Doorzettingsmacht» is een veelbelovende term, vooropgesteld dat hij dient als stormram om de bureaucratie te doorbreken en duidelijkheid te scheppen over ambtelijke, bestuurlijke en politieke verantwoordelijkheden. Voor Donner zelf moet de titel een tweesnijdend zwaard zijn. Als de Tweede Kamer akkoord gaat met zijn «doorzettingsmacht», moet het vanzelf spreken dat de minister voortaan de volle verantwoordelijkheid neemt voor de successen, maar ook voor het onverhoopte falen van de Nederlandse terrorismebestrijding.