Het Migrantenmuseum

De doos

‘De doos die bij het raam van de tweede kamer aan de rechterkant staat nooit openen.’ Waren wij van het Migrantenmuseum slecht omdat we door deze waarschuwing de bezoekers extra nieuwsgierig maakten? Daar was ik nog niet over uit, maar wat ik wél wist was dat het deksel van de doos bijna elke dag openging.
We hoefden niet eens te zien dat weer eens een bezoeker de verleiding niet had kunnen weerstaan. Telkens wanneer we een koude wind voelden, wanneer er een kraai langs het museum vloog, wanneer de teletekst van de televisie met slecht nieuws kwam, wanneer de beltoon van de telefoon als de stem van een zingende Raspoetin klonk, dan wisten we dat de doos ondanks onze waarschuwing weer eens geopend was.
Ik rende dan naar de kamer met de doos en hield de bezoeker tegen die de doos stiekem had geopend en probeerde weg te komen. ‘Wat zag je dan? Wat is er in die doos?’ bulderde ik.
Een brief, een roze sjaal, oorbellen van zilver, twee babysokken, een gedroogde roos…
‘Ik hou zoveel van je dat mijn bloed uitdroogt wanneer ik aan je denk. Lieve Zuhre, ik tel de dagen af dat ik je handen zal vastpakken en aan je haar zal ruiken. Deze babysokken die mijn zus heeft gebreid stuur ik je als symbool van onze liefde. Ik kijk smachtend uit naar de dag dat we de voetjes van onze baby in deze sokken zullen stoppen.’
‘Hoorde je werkelijk deze stem in je hoofd toen je de doos opende?’
‘Ik zweer het, meneer de museumdirecteur, deze woorden heb ik toen gehoord in mijn hoofd. Toen heb ik het deksel maar gauw weer dichtgedaan, want ik kreeg enorme hoofdpijn, mijn handen begonnen te beven, mijn ogen sprongen bijna uit hun kassen en ik huilde vanwege het verdriet in mijn hart…’
Een merkwaardige doos die ikzelf nooit had durven openen. Om mijn nieuwsgierigheid te lessen dwong ik af en toe de mensen die de doos wel hadden geopend tot praten. Ik kon dan niet anders dan deze mensen op hun woord geloven. Wat ik alleen niet begreep, was hoe deze kleine doos zo veel dingen in zich kon herbergen. Een trui, ingepakte kaas, honderden foto’s, cassettebandjes en ga zo maar door.
Op een maandag, de dag dat het museum dicht is, toen de wereld niet zo aardig was tegen mij, een dag waarop ik wilde dat iedereen net zo veel kwaad werd aangedaan als het kwaad dat mij had getroffen, een dag met een miljoen kraaien in de lucht en geen halve kilo geluk in mijn handen heb ik het deksel van de doos omhoog gehaald. En toen begreep ik alles.
‘Hier sta ik op de foto met mijn beste vriend. Liefje, nadat wij getrouwd zijn moeten we in het vlakke land ook voor hem een geschikt meisje vinden. Je hebt vast veel vriendinnen daar. Ik hou van je, ik hou van je, ik hou van je…’
Ik zag de leugen in haar puurste vorm. Ik zag hoe de leugen de wereld regeert. Ik zag dat de leugen dansjes deed op de lijkkisten van jonge, verliefde meisjes die emotioneel dood waren. Ik zag de leugen regeren.
De doos is er om de wereld te behoeden voor het kwaad van de meisjes. Dankzij de doos die de objecten van de leugen bewaart, steken de meisjes, die hun liefjes exact na drie jaar hebben zien vertrekken, de wereld niet in brand.
Maar wanneer de bruid geen bruid meer is maar een wit middel dat gebruikt wordt om een landgrens over te steken, dan verdient deze harteloze wereld misschien niet meer te bestaan.
Er vliegen inmiddels tien miljoen kraaien in de lucht. Ik loop naar de doos. Het kwaad dat de meisjes is aangedaan dient gewroken te worden. Ik pak de doos en wil het deksel omhoog doen. En dan hoor ik de stem van de meisjes die fluisteren dat ze nog hoop hebben. Voordat het kwaad de wereld helemaal overneemt willen ze nog een keer echt bemind worden.
Lieve mensheid, ik heb echt op het punt gestaan om de doos te openen en ook open te houden. De meisjes hebben me voorlopig overgehaald. Maar lieve mensheid, mocht je nog een keer op mijn ziel willen dansen, ik weet waar de doos staat.