Daniel Heinsius, De verachting van de dood

De doot vermaent haer self

Daniel Heinsius

De verachting van de dood

Uit het Latijn (De contemptu mortis, 1621) vertaald door Jan Bloemendal en Jan W. Steenbeek

Prometheus/Bert Bakker, 516 blz., e 39,90

«Gewen je er aan te denken dat de dood niet iets is dat ons aangaat. Elk goed en kwaad is immers gelegen in de waarneming, en de dood is verstoken raken van waarneming. (…) Het meest huiveringwekkende van alle kwaden, de dood, is dan ook niet iets dat ons aangaat, want wanneer wij er zijn, is de dood er niet, en wanneer de dood er is, zijn wij er niet meer.» Zo eenvoudig zou het moeten zijn, als we Epikouros (314-270 voor Chr.) mogen geloven. Maar zo eenvoudig is het niet, zelfs als Epikouros met zijn analyse gelijk heeft. Hoe zeker we ook weten dat er na de dood niets is, het vooruitzicht te moeten sterven wordt door de meesten van ons niet als prettig ervaren. Dat is maar goed ook, want mensen die daar anders over denken, richten soms veel onheil aan, zoals we de laatste jaren vaak hebben kunnen zien. Doodsangst is een zegen voor de mensheid.

Angst kan echter veel verzieken. Vandaar dat we al tienduizenden jaren verhalen bedenken om onszelf wijs te maken dat het na de dood niet afgelopen is. Persoonlijk begrijp ik niet hoe men troost zou kunnen ontlenen aan de gedachte dat de ziel het eeuwige leven heeft, maar die visie blijkt onuitroeibaar, zelfs onder natuurwetenschappelijk geschoolden. Het aantal mogelijke varianten is beperkt tot twee: alles begint opnieuw, of er is Iets Anders, en dat Andere is ofwel leuk (een hemel met muzak en een overvloed aan maagden), ofwel niet leuk (zie Dantes Inferno). Hoe dan ook kom je in de meeste gevallen van de regen in de drup.

Er zijn slechts twee redenen waarom we de religie en de filosofie hebben uitgevonden. In de eerste plaats willen we kunnen uitleggen waarom het aanbeveling verdient elkaar niet kapot te maken, in de tweede plaats willen we leren de dood te aanvaarden. Beide levensvragen worden vaak tegelijk opgeworpen en opgelost. Alle andere belangrijke kwesties zijn van deze twee vragen afgeleid, of het zijn schijnproblemen. De antieke wijsbegeerte, het christelijk geloof, de islam, hindoeïsme, boeddhisme, allemaal willen ze slechts twee dingen weten. Hoe moet ik leven? En hoe moet ik sterven?

De van oorsprong Vlaamse classicus en dichter Daniel Heinsius (1580-1655), die vanaf 1603 hoogleraar was aan de Leidse universiteit, publiceerde in 1621 een omvangrijk leerdicht over doodsverachting, in het Latijn, de taal waarin hij zich het meest thuis voelde. Door in het Latijn te schrijven plaatste hij zich in de traditie van Vergilius en Horatius, Boëthius en Thomas van Aquino, Petrarca en Erasmus. Bovendien verzekerde hij zich zo van een Europees publiek. In de zeventiende eeuw stond de Latijnstalige literatuur in Nederland op een hoog niveau. Denkers en dichters als Hugo de Groot, Caspar Barlaeus en Daniel Heinsius werden internationaal erkend als grootheden. Het is een daad van elementaire rechtvaardigheid dat Heinsius’ De contemptu mortis nu is uitgegeven, met inleiding, vertaling, zeer uitvoerig commentaar, en als appendix de al in 1625 verschenen vertaling van Jacob van Zevecote. Veel te weinig realiseren we ons dat er in de meeste Europese landen eeuwenlang twee parallelle literaturen bestonden, één in de volkstaal en één in het Latijn. Het wordt hoog tijd dat die Neolatijnse literatuur voor moderne lezers ontsloten wordt.

Dat betekent niet automatisch dat het ook een genot is Heinsius van kaft tot kaft te lezen. De man was weliswaar heel geleerd, maar als filosoof was hij geen hoogvlieger en zijn poëzie is onevenwichtig en vaak tamelijk conventioneel. Heinsius heeft, overigens zeker niet als eerste, een poging gedaan christelijke gedachten te verbinden met het gedachtegoed van Plato, Aristoteles en de Stoa. Epikouros, die als principieel materialist geen rol zag weggelegd voor goden, gold in christelijke kringen als uitgesproken fout en kon dus niet als inspirator dienen, maar om het epicureïsche leerdicht van Lucretius kon Heinsius niet heen.

Heinsius’ leerdicht bestaat uit vier boeken, in totaal zo’n 2400 versregels. In het eerste boek wordt vanuit een platoonse invalshoek betoogd dat de ziel zich gedurende het leven al dient los te maken van het lichaam, dat vooral een storende en corrumperende werking heeft: «Vlees en bloed maken dat de geest niet naar de hemel ziet, maar week en dwaas zich op de liefde stort en naar schandelijke avontuurtjes smacht; wie voortdurend beschonken is en beneveld door de wijn, wijdt geen gedachten aan de verachting van de dood en beneemt de geest het zicht op het hogere.» Het is aardig om te weten dat de dichter zelf een alcoholprobleem had.

Het tweede boek bezingt de ellende van het aardse bestaan en wil bewijzen dat de ziel onsterfelijk is. Het zijn weer vooral filosofen als Plato, Cicero en Seneca die de argumenten leveren. Totaal misplaatst lijkt het derde boek, waarin Heinsius de doodsverachting van soldaten behandelt, ongetwijfeld omdat degene aan wie het gedicht is opgedragen militair adviseur van de Zweedse koning Gustaf Adolf was. Alleen het laatste boek is exclusief christelijk en eindigt met een verheven lofzang op de meest onverschrokken filosoof aller tijden, die voor ons stierf aan het kruis. Enkele passages vertonen bijna reviaanse trekken: «Want wie had durven hopen dat Gij, prachtige jongen, naar ons huis zou komen, een sterfelijk lichaam zou aannemen en dit aan de dood onderworpen leven zou aanvaarden?»

De vertaling van het niet eenvoudige Latijn is adequaat, maar wel erg letterlijk, zodat wie alleen het Nederlands leest geen moment het gevoel zal krijgen dat Heinsius een groot dichter is. Een fraaie regel als «ipsa monet mors quemque sui» («de dood zelf wijst elkeen op zich») wordt helder maar prozaïsch: «Ieder sterfgeval herinnert aan de eigen dood». Zevecote deed het zo: «De doot vermaent haer self». Misschien is Heinsius geen Lucretius of Petrarca, en Zevecote is zeker geen Huygens, maar dit boek is een cultuurhistorisch document van grote waarde.