2018 Eka Kurniawan

De draak steken met het noodlot

De grote geschiedenis terugbrengen tot de dimensies van een Javaans dorp, zo gaat de Indonesische schrijver Eka Kurniawan te werk. En die geschiedenis verknoopt hij met de kleine levens van echte mensen.

Eka Kurniawan had niet verwacht dat iemand een Indonesisch boek überhaupt zou opmerken © Daniel Cohen

Achter hem zijn de houten jaloezieën neergelaten om niet te veel tegenlicht te hebben. Ze zijn niet helemaal dicht, maar ook niet helemaal open zodat je niet kunt zien wat zich daar afspeelt. Vermoedelijk niets, maar in de wereld van Eka Kurniawan kan het ook alles zijn, of een klein onopvallend stukje van alles dat op vreemde wijze is verknoopt met de rest. We houden het voor het gemak op niets.

Dat blijkt niet ver van de waarheid, want ook in Indonesië geldt een lockdown, en die treft iedereen, zonder uitzondering. De straten zijn leeg, wat in Nederlandse woonwijken misschien een heel normaal verschijnsel is, maar in het altijd drukke Indonesië levert de afwezigheid van mensen een stilte op die doorwerkt in je geest. De stilte is het tegenovergestelde van het leven, en dat heeft een verwoestende invloed gehad, zelfs op Eka Kurniawan, de ‘Quentin Tarantino van de Indonesische literatuur’, ‘opvolger van Pramoedya Ananta Toer’, genomineerd voor de internationale Man Booker Prize in 2016, een van de ontvangers van de Prins Claus Prijs in 2018. ‘Toen ik hoorde dat we in lockdown gingen, had ik me dat heel anders voorgesteld. Eigenlijk ben ik heel introvert, ik houd niet van massa’s en van drukte. Thuisblijven leek me daarom niet zo moeilijk. Ik schreef mijn uitgever zelfs een boodschap. Ik zei: “Ik moet thuisblijven, dus ik krijg veel tijd om te schrijven. Die nieuwe roman is vast gauw af.” Maar ik ben niet zo productief als romanschrijver.’

De stress van de pandemie is zijn leven binnengeslopen. Niet alleen door de lockdown, maar in toenemende mate door de moskee die steeds vaker de naam van weer een nieuwe dode omroept. ‘Nu is Indonesië het nieuwe epicentrum. Elke twee dagen gaat er wel iemand dood in mijn buurt. Dat geeft een enorme stress. Het is bijna onmogelijk om gefocust te blijven en heel helder te denken. En als ik iets grappigs schrijf – dat is mijn stijl, wat ik schrijf is altijd grappig – voel ik me schuldig. Ik ben bijna de hele dag thuis en dat geeft me hoofdpijn.’

Je zou bijna parallellen trekken tussen zijn onvermogen te schrijven en het onvermogen van zijn personage Ajo Kawit, bijvoorbeeld, uit zijn derde roman Seperti Dendam, Rindu Harus Dibayar Tuntas, (in het Engels vertaald als Vengeance Is Mine, All Others Pay Cash). Ajo kan, nadat hij had staan gluren bij de verkrachting van de gekke Scarlet Blush, geen erectie meer krijgen. Hij kijkt naar zijn penis, die erbij ligt ‘als een babyvogeltje dat net uit het ei is gekropen’ en fluistert: ‘Sta op. Vogel. Sta op, ellendeling.’ Maar de Vogel blijft slapen, en aan het eind van de roman en Ajo Kawits leven weet je niet wat zijn lot meer heeft bepaald: het feit dat hij hem niet omhoog kreeg, zijn hartstochtelijke platonische liefde of de brute kracht en onverzettelijkheid waarmee hij elke tegenstander tot pulp sloeg.

Maar Ajo’s impotentie heeft net zo weinig met de schrijver zelf te maken als het feit dat Margio in Man Tiger de welgestelde Anwar Sadat doodbijt – hij scheurt met zijn tanden een groot bloederig stuk uit zijn nek, en iedereen begrijpt dat hij niet anders kan. In Margio’s lichaam huist een tijger, wat in de wereld van Kurniawan net zo’n normaal verschijnsel is als de prostituee Dewi Ayu (in Schoonheid is een vloek) die besluit te sterven omdat ze vier dochters heeft (niks is erger dan een mooie dochter, want dat geeft alleen maar ellende), maar na 21 jaar toch weer opstaat uit haar graf en zegt: ‘Sorry dat het zo lang duurde. Er zijn geen wekkers in een graf.’

‘De eerste jaren van mijn studie bracht ik door in de bibliotheek, tot ik alles had gelezen’

De scènes zijn beeldend en absurd en vliegen soms voorbij in duizelingwekkende vaart. ‘Ik heb VengeanceIs Mine geschreven als een script voor een stripverhaal’, zegt Kurniawan. Hij is altijd dol geweest op stripverhalen. Ze hebben hem gevormd. ‘Ik groeide op in Tasikmalaya, een kleine stad, waar zoals in alle kleine steden van Indonesië niets te doen was voor een tiener. Ik was niet goed in sport – voetbal en zwemmen – ik zat dus te lezen: meestal stripverhalen. Mijn vader was handelaar in batikstoffen en daarvoor reisde hij wel eens naar Bandung en Yogyakarta, en dan zei ik altijd: “Breng boeken mee”, en dat deed hij. Kinderboeken, Pippi Langkous, dat soort boeken. Ik las alles.’

Op de middelbare school begon hij zelf boeken te kopen, vooral stripboeken, Kuifje. Van literatuur had hij nog nooit gehoord, hij had geen idee wat dat was.

‘Op school leerde ik wel titels van boeken en namen van schrijvers, maar de boeken zelf had ik nooit kunnen lezen. Na mijn middelbare school wilde ik niets liever dan weg uit die kleine stad. Ik had gehoord dat Yogyakarta een cultureel centrum was, een universiteitsstad. Daar wilde ik heen. Ik ging studeren aan de Gadjah Mada Universiteit. Ik ging filosofie doen, omdat dat goed klonk. Ik wist niets van filosofie. Op Gadjah Mada hadden ze een bibliotheek, een heel gebouw vol boeken! De eerste jaren van mijn studie bracht ik door in die bibliotheek, tot ik alles had gelezen. García Márquez, Salman Rushdie, alles.’

De boeken gaven aan de kleine wereld van zijn jeugd een nieuwe dimensie, en algauw zou daar nog een derde dimensie aan worden toegevoegd: Kurniawan werd actief tegen de dictatuur van Soeharto en ontdekte de geschiedenis die altijd verborgen was gehouden onder de censuur. Hij ontdekte dat er veel meer was gebeurd dan wat hij als kind had geleerd en dat veel gebeurtenissen ook anders waren dan ze leken.

‘Als student aan Gadjah Mada maakte ik deel uit van de studentenbeweging, er waren demonstraties, maar ook discussiegroepen. Er werd gepraat over dingen waarover we nog nooit iets hadden gehoord. Ik woonde bijvoorbeeld besloten discussies bij over wat er rond 1965 gebeurde (de massamoord op communisten en hun geestverwanten – mm), over Buru-eiland (de strafkolonie waar de schrijver Pramoedya Ananta Toer tot 1979 zat en waar hij zijn beroemdste cyclus schreef, ‘Buru-kwartet’mm). In die tijd dacht ik niet over het schrijven van romans, maar later herinnerde ik mij al die discussies en verhalen en verwerkte die in mijn boeken. Ik las boeken die waren geschreven door Indo’s. Die boeken gaven mij een nieuw perspectief. Ik las ook veel over journalisten en over jappenkampen. Tot die tijd dacht ik erg stereotiep, ik dacht dat alleen de Indonesiërs slachtoffers waren, maar de Japanners stopten de Nederlanders in de kampen. Ook Nederlanders waren slachtoffers, net als de Indo’s die in Indonesië wilden blijven. Ik kreeg respect en begrip voor hun lot. Het werden mensen, in mijn ogen.’

‘In Nederland bedacht ik dat ik in Indonesië nooit iets had geleerd van het leven van de Nederlanders’

Veel van zijn personages zijn vrouwen. Dat heeft hij gestolen van Pramoedya. Hij wordt ‘de opvolger van Pramoedya Ananta Toer’ genoemd, en dat is niet helemaal onterecht. ‘Ik heb Pramoedya drie keer ontmoet. Hij was een van mijn invloeden, maar ik heb een andere benadering dan hij. Pramoedya is erg realistisch, ik ben humoristisch. Wat ik wel van hem heb geleerd is zijn perspectief op de geschiedenis van Indonesië. Pramoedya representeert Indonesië. Niet alleen Javaans en Nederlands, maar de hele Indonesische samenleving – in al haar rijkdom. Ik schrijf over het leven in een dorp als symbolisch voor leven in het algemeen. Ook dat heb ik van Pramoedya gestolen’, lacht hij.

In Schoonheid is een vloek beschrijft Kurniawan de hele twintigste-eeuwse geschiedenis aan de hand van het opmerkelijke leven van Dewi Ayu: een Javaanse vondeling, opgegroeid als kind van een Hollandse familie, in het Jappenkamp beland, achtergebleven in Indonesië en al snel de beste prostituee van het stadje. Een krachtige vrouw die weet wat ze wil. Ze wordt prostituee door omstandigheden, ‘net zoals omstandigheden iemand een profeet maken of een koning’.

Wat opvalt is het ogenschijnlijke gemak waarmee Kurniawan de grote geschiedenis terug weet te brengen tot de dimensies van een Javaans dorp, en haar daar weet te verknopen met de kleine levens van echte mensen. En dat daarbij alles gebeurt alsof het niet anders had kunnen gebeuren – elke gebeurtenis, hoe klein ook, krijgt bij hem de onvermijdelijkheid van het noodlot. Tot hij ook daar de draak mee steekt, zoals in dit duizelingwekkende voorbeeld in Vengeance Is Mine: ‘Als ik Agus Maïspijp had beschermd, zou hij niet gestorven zijn. Als hij niet gestorven was zou Scarlet Blush (Paarse Blos) niet gek geworden zijn. Als zij niet gek geworden was, zouden de twee politiemannen haar niet hebben verkracht, en als de twee politiemannen haar niet hadden verkracht, zouden jullie die avond niet bij dat huis zijn geweest. En als jullie die avond niet bij het huis waren geweest, zou jij nog steeds in staat zijn geweest een erectie te hebben.’

Maar deze verklaring wordt meteen gevolgd door: ‘Dat is onzin. Het was louter toeval. Het kwam toevallig zo uit dat die avond mijn Vogel besloot om naar zijn bedje te gaan. Trouwens, als we iemand de schuld moeten geven is dat Nini Jumi.’

‘Wie is Nini Jumi? Wat heeft die gedaan?’

‘Nini Jumi is een masseuse. Als zij die dag niet achter haar huis zou zijn gestruikeld, zou ze massages zijn gaan geven, en…’

Beide gedachtelijnen van oorzaak en gevolg zijn logisch en onweerlegbaar, tot hij ze zelf weerlegt met een volgende. ‘Dit is een grapje dat ik vaak maak met mijn vrienden’, zegt hij, op een toon die duidelijk maakt dat je er niet te veel achter moet zoeken. ‘Ik houd er trouwens ook van te spelen met namen, liefst namen van mijn vrienden, of van bekende mensen als Anwar Sadat, die niemand meer kent.’

De Prins Claus Prijs en de nominatie van Man Tiger voor de prestigieuze Booker Prize waren voor hem een aardverschuiving. Hij had nooit verwacht dat zijn boeken zo zouden opvallen. Hij had niet eens verwacht dat iemand überhaupt een Indonesisch boek zou opmerken. ‘Indonesische literatuur was iets obscuurs, dacht ik.’ Toen hij in 2018 zijn Prins Claus Prijs kwam ophalen in Nederland werd zijn wereld opnieuw een beetje rijker. ‘In Nederland bedacht ik dat ik in Indonesië nooit iets had geleerd van het leven van de Nederlanders. Ik wist dat ze Nederland koloniseerden en hoe ze in Indonesië leefden, dat was alles. Ik had geen idee hoe mensen in Nederland zelf leefden.’