Toneel

De drank staat in de coulissen

TONEEL Wie is er bang voor Virginia Woolf?

Regisseur Gerardjan Rijnders noemt Albee’s klassieker ‘de Hamlet van de twintigste eeuw’. Wat zou hij daarmee bedoelen? Dat iedereen de afloop en daardoor ook het verloop van dit stuk wel zo’n beetje kent? Kinderloos echtpaar van eind veertig, begin vijftig voert drankovergoten toneelstukje op over een zoon die niet bestaat, zoiets? Hoe het ook zij: Who’s Afraid of Virginia Woolf? van Edward Albee uit 1962 verdient het steeds opnieuw gespeeld en geïnterpreteerd te worden, moet de regisseur gedacht hebben. In Nederland dit seizoen voor de tiende keer in 45 jaar. Gerardjan Rijnders greep terug op de vertaling uit 1963 van (toen nog) Gerard Kornelis van het Reve, hij legde het origineel ernaast, ontdekte slordigheden, schrapte ruis, herhalingen en vervelende grappen en nam zich voor de onderneming in twee uur zonder pauze, in een hoog tempo dus, te volvoeren. Jürgen Gosch ging hem twee jaar geleden in Berlijn voor: het duurde twee uur en tien minuten, zonder pauze.

Tijd is kostbaar op het toneel. Je kunt de tijd in een scène of toneeldialoog rekken. Dan duurt de toneeltijd langer dan in het bewustzijn van de toeschouwer nodig of wenselijk is. Dat is niet zonder risico. Het resultaat is soms valse spanning, of een net iets te lange stilte. In de loop van de 45 jaar dat Wie is er bang voor Virginia Woolf? wordt gespeeld – ik beperk me tot de Nederlandstalige uitvoeringen, waarvan ik er veel heb gezien – is er tijd gewonnen. Maar steeds mondjesmaat. Hier, bij Rijnders en zijn spelers, is de tijdwinst rigoureus. Behalve door schrappen komt dat vooral door tempo maken. Tempo is in het toneel niet hetzelfde als snel spelen. Het sleutelwoord is eigenlijk: snel schakelen. De toneelspeler zet in een mum van tijd een knop om, vlak voordat de toeschouwer in de gaten krijgt dat er van de ene versnelling in een andere is overgegaan.

Albee’s stuk heeft drie basisbewegingen: ontluisterende ruzies, onthulling (en de daarbij behorende vernederende ontmaskering), en: zuipen tot je erbij neervalt – de drank staat overigens in de coulissen, wat een geestig heen en weer gedrentel oplevert. Met ruzies begint het stuk. De echtgenoten George en Martha zijn daarin ervaringsdeskundigen. Ze suggereren al vanaf het begin dat de thema’s door de jaren heen dezelfde zijn gebleven. Porgy Franssen (George) en Olga Zuiderhoek (Martha) tuimelen in hun teksten van aanval naar verdediging, vice versa – ze schreeuwen tomeloos door elkaar heen, gunnen elkaar soms de ruimte om hun verdediging dan wel hun aanval snel te reorganiseren. In ‘de zilte oorlog van de liefde’ is retorica de kurk waarop hun huwelijk drijvend is gehouden. Het bezoekende jonge echtpaar, Nick (Ruben Brinkman) en Liefje (Honey in het origineel, Eline ten Camp), kijkt verbijsterd toe, probeert het hoge tempo bij te houden – een kansloos streven. Ze worden ongewild binnengezogen in de tweede krachtlijn van het stuk: het rijk van onthulling & vernedering.

Wat me altijd opviel aan het slotbedrijf van het stuk is de nuchterheid van George. Hij doodt hun imaginaire zoon met de steriele precisie van een chirurg. Hier gaat dat anders. Vlak voor het fatale doodvonnis komt Porgy Franssen straalbezopen terug van even weggeweest. Hij demonstreert wat Albee opschreef: vlak voor (of vlak na) het delirium raakt de mens ontnuchterd, en dan begint het dronkemansspel pas echt. De bijna-slotscène van deze Wie is er bang voor Virginia Woolf? krijgt hier iets griezeligs. Een doodssteek gevolgd door een doodskus. Ik weet nog altijd niet hóe, maar Rijnders en zijn spelers slaan me hier alles wat ik dacht te weten over dit macabere stuk in één klap uit handen.

Is dat een compliment? Ik dacht van wel!

Wie is er bang voor Virginia Woolf? van Edward Albee door Hummelinck Stuurman, tournee tot en met 19 mei. Inlichtingen: 020-6164004, www.hummelinckstuurman.nl