Europa en de crisis

De dreiging van ieder voor zich

De economische crisis zet Europa onder grote druk. Fundamenten als de Europese solidariteit en de gedeelde markt staan op losse schroeven nu de werkloosheid stijgt.

Medium crisis

‘HET IS TWINTIG jaar nadat Europa werd verenigd, in 1989 – wat een tragedie als jullie toestaan dat Europa weer uiteensplijt’, zei Wereldbank-president Robert Zoellick vorige week tegen de Financial Times. Zoellick sprak over de zeer slechte week voor Oost-Europa, waar de financiële crisis zo hard heeft toegeslagen dat staten als Hongarije en Letland bankroet dreigen te gaan, en over de reactie in West-Europa. Daar maakte bijvoorbeeld de Franse regering duidelijk alles te zullen doen om ervoor te zorgen dat de Tsjechische en Roemeense werknemers van Peugeot en Renault het slachtoffer zullen worden van de crisis en niet de Franse. En de andere West-Europese landen, waar met honderden miljarden werd gesmeten toen de eigen banken op het spel stonden, houden voorlopig elke verplichting af.
Komend weekend komen de Europese leiders in Brussel bijeen om een gezamenlijke strategie te vinden om de economische crisis het hoofd te bieden en een gezamenlijke koers af te spreken voor de cruciale G20-bijeenkomst van begin april. In werkelijkheid zal het al een mooi resultaat zijn als de top niet een hevige kampenstrijd in Europa blootlegt. De bijeenkomst heeft al het vignet ‘Protectionismetop’ meegekregen, omdat het daar in werkelijkheid om draait: trekt het grootste handelsblok van de wereld, de grote kampioen van vrijhandel, in slechte tijden zijn buitenmuren op? Of erger: zetten de lidstaten de basis van zestig jaar stabiliteit op het spel en trekken ze de muren op tegen elkaar? De afgelopen weken beloofden wat dat betreft weinig goeds. Een lichtpuntje was de bijeenkomst in Berlijn van afgelopen weekend, waar de Europese leiders besloten tot regulering van hedgefondsen. Maar dat was een beduidend minder beladen onderwerp dan de bescherming van de eigen industrie. De Tsjechische premier Topolanek, die nu voorzitter van de EU is, doorbrak bij terugkeer in Praag de geforceerde eensgezindheid. ‘Als ik me zeer voorzichtig uitdruk’, zei hij, ‘waren de verschillen van mening nogal groot.’
De nationale belangen zijn ook – voorzichtig uitgedrukt – nogal groot. Om met Oost-Europa te beginnen: daar stroomde de afgelopen tien jaar erg veel goedkoop geld naartoe in de vorm van leningen. Iedereen won daarbij. De Oost-Europese economieën groeiden als kool, terwijl westerse banken een mooie bestemming hadden voor het overvloedige geld dat door de wereldeconomie klotste. Maar het was net als met de Amerikaanse hypotheekmarkt: zodra de groei stilviel, stond Oost-Europa voor een acuut schuldenprobleem. De regeringen van Hongarije, Letland en Oekraïne moesten de afgelopen maanden noodpakketten aanvragen bij het IMF om niet financieel kopje onder te gaan. Servië, Roemenië en andere buren worden de komende maanden bij hetzelfde loket verwacht.
In Oost-Europa geldt de eurozone als de veilige haven, maar die is de afgelopen maanden alleen maar verder uit het zicht geraakt. De Baltische landen wilden de euro al volgend jaar invoeren, maar met zulke desastreuze economische cijfers als bijvoorbeeld die van Letland – een verwachte economische krimp van twaalf procent dit jaar – moeten ze misschien langer wachten. Ook uit andere hoeken valt voorlopig geen redding te verwachten. De export naar West-Europa zakt in, gastarbeiders zullen minder euro’s naar huis sturen en landen als Polen beramen kattensprongen voor het moment dat hun munt in een duikvlucht zou gaan. Het plaatje ziet er zo bleekjes uit dat The Economist schrijft over ‘Argentinië aan de Donau’.
Natuurlijk roepen de landen die het meeste geld in Oost-Europa gestoken hebben het hardst om ‘hulp’ aan de regio. Dat is in de eerste plaats Oostenrijk – banken daar hebben een bedrag in Oost-Europa uitstaan dat even groot is als tachtig procent van de gehele Oostenrijkse economie – daarna Zweden en Griekenland. Maar niet iedereen is nu evenzeer met Oost-Europa begaan. Parijs in ieder geval niet. ‘Als een autoproducent – ik noem geen namen – een fabriek opent in de Tsjechische Republiek om auto’s te verkopen aan Fransen, dan is dat onrechtvaardig’, zei de Franse president Nicolas Sarkozy ter verdediging van zijn plan om Peugeot-Citroën en Renault elk drie miljard euro te lenen. Als zij Sarkozy’s geld willen hebben, moeten ze banen schrappen in Tsjechië en Roemenië, niet in Sochaux en Boulogne-Billancourt.
Eurocommissaris Neelie Kroes reageerde als door een wesp gestoken. ‘Leiderschap is niet het omkopen van multinationals en het stelen van banen uit buurlanden’, zei ze, nota bene in Parijs. Dat klonk onverschrokken, maar de werkelijkheid is anders. Kroes is namelijk degene die uiteindelijk het oordeel over het Franse plan moet vellen. Als ze Sarkozy werkelijk rauw lustte, hoefde ze niets te zeggen en spoelde ze het plan simpelweg door, met groeten van de Europese Commissie. Maar daarmee zou ze de EU in een gevaarlijk spel brengen. Want voor Parijs is het ernst: een op de tien Franse werknemers werkt in de auto-industrie, en die is ernstig door de crisis geraakt. Bovendien lijkt de Franse regering niet terug te schrikken voor een stevig gevecht.
‘Er bouwt zich al geruime tijd een ergernis op bij regeringen die gewend zijn om in te grijpen in hun nationale economie en die hun belangrijke industrieën willen beschermen als het tegenzit’, zegt Simon Tilford, chef-econoom van het in Londen gevestigde Center for European Research, in een telefonisch gesprek. ‘Zij zien deze Europese Commissie steeds meer als de dienaar van een neoliberale economische visie. Ik verwacht dat Frankrijk, en misschien ook Italië, een negatieve beslissing van de Europese Commissie zal negeren en zal wachten tot de zaak voor het Europese Hof komt. Dat zou een openlijke schoffering van de Europese normen zijn en grote druk zetten op de Commissie. Net zoals het Franse plan een fundamentele aanval is op het idee van de gemeenschappelijke markt en een openlijke uitdaging aan Brussel.’

ZOALS IN ALLE Europese aangelegenheden is ook hier de opstelling van Duitsland cruciaal. Maar juist op het punt van protectionisme en de Europese Commissie is Duitsland onvoorspelbaar. Ook Duitsland heeft een grote auto-industrie en ook de Duitse regering heeft zich geërgerd aan de ‘neoliberale’ ijver voor de bankenwereld en het laten bungelen van de industrie. Maar bovenal hebben Duitse politici zich geërgerd aan het feit dat zij in de Britse en Franse pers, die daartoe werd aangemoedigd door anonieme topambtenaren uit Londen en Parijs, al maanden worden afgeschilderd als gierige slomerds die vooral stilzitten en elk zinnig crisisplan direct afschieten.
De belangrijkste reden waarom de Duitsers ‘stilzitten’ is simpel: van elk Europees plan betalen zij het leeuwendeel. De vorige keer dat Duitsland te grote verplichtingen aanging, het te royale reddingsplan voor Oost-Duitsland na de Wende, leverde dat het land een decennium van economische stagnatie op. Aan de Spree is het dus minder vrijblijvend filosoferen over Europese plannen dan aan de Seine. Daarnaast heeft het crisisdebat in Duitsland een venijnige kant die het elders mist: staatssteun voor industrie of banken komt vaak neer op nationalisatie, en dat riekt in Duitsland naar het onuitspreekbare ‘onteigening’ – naar de nazi’s en de DDR. Maar Duitsland kan niet lang meer wachten, alleen al uit eigenbelang. ‘Als de euro in het geding komt, zal Duitsland direct handelen’, zegt Tilford. ‘Maar ook een crisis in een EU-land buiten de eurozone kost Duitsland uiteindelijk veel meer dan een noodplan. Berlijn zal het daar niet op aan laten komen.’ Sinds vorige week zendt Duitsland dan ook signalen uit dat het zal bijspringen als Oost-Europese landen onderuit gaan.
In dat geval werkt het nastreven van het nationale belang in het voordeel van allen, maar dat is op andere terreinen niet zo. Tilford: ‘Het bankenplan, bijvoorbeeld, was geen Europees plan maar een reeks nationale plannen. Het was een vorm van kapitaalprotectie: regeringen zetten druk op banken om de nationale economie te steunen en beschermden hun eigen spaarders. Ze betaalden in feite voor voorrang van eigen burgers en bedrijven. Banken zijn sindsdien al meer nationaal geworden. Op zichzelf is dat niet zo erg, maar het is wel een begin van protectionisme. Dat gebeurde nog met steun van de EU en er waren geen andere EU-landen direct de dupe van. Maar als het om banen gaat, is het wat anders. De dreiging van “ieder voor zich” hangt weer boven ons hoofd.’

foto: Dirk-Jan Visser