Sylvain Ephimenco

De drenkelinge/La noyée

Tranquille et seule, elle me fixait d'un regard de noyée,

Half verdronken in het duister vroeg ze me: wie ben jij?

Moi? Je sursautais et m'éveillais, je n'en suis pas très sûr,

Maar je verstoort mijn rust en vult mijn nacht met zuur,

Zuur? Quel mot étrange pour moi si tendre et si douce,

Onschuldige drenkelinge, verdwaald in je geroezemoes,

Je regardais la morte, sa chevelure tombait sur ses genoux,

Het is zo laat, zei ik, en mijn lijf is ontiegelijk moe,

Rejoins la mer, les épaves d'où tu viens et les blancs albatros

Ga de zee op, verlaat mijn droom en kies dan een matroos,

Elle agita sa main, pâle et fine, son regard devint triste,

De zee is zo ver, ik moet eerst door de mist,

Voguer de souvenir en souvenir, traverser tant de vies,

Ik wil naar de haven maar de vraag is met wie,

Pas avec moi! Criais-je, je veux ronfler, je veux dormir,

Het leven is zo kort, ik wil vooral plezier,

Le fiancé d'une noyée, morte depuis des années

Met bloed van zout en zilt, mij niet gezien, ô nee,

J'examinais la femme et vis dans ses yeux une larme,

Ik heb niet veel, zei ze, ben niet rijk maar ook niet arm,

Mais je connais Neptune dont tu sembles le fils,

Dat dacht ik niet, ik ben van vlees, je ruikt naar vis,

Mais la jeune noyée poussa un long soupir,

Dikwijls valt in de drek de mooie en rijpe peer,

Elle observa ma chambre et son bel interieur,

Wat doe je voor de kost, ben je een chroniqueur?

Une de ces canailles qui propage la haine?

Die de dag doorbrengen in een bad vol azijn?

Un tout petit Voltaire, un minuscule Komrij,

Met lachwekkende dromen van dubbeltjes en eerste rij?

Son regard devint dur, je fis le doux réveur,

Inderdaad ik geef toe: ik ben een stukjesschrijver,

Elle se leva furieuse, bavant écume et je dis «berk»

Ik zwem liever duizenden rondjes om de kerk,

Plutôt que me coller avec un tel pisseur,

Een zeikerd, een zure pen en altijd in mineur,

Alors que moi je cherche quelqu'un à la Geert Mak,

Voor het plezier maar ook voor het gemak,

Iemand die me alles vertelt over de eeuw van zijn vader,

Gentil, simple et galant, un homme plein d'ardeur

Maar jij, ellendeling, jij vuile columnist,

Sale petite fripouille, graine de crypto-communiste,

Ik heb nog liever het slib op de bodem van de Rijn,

Jamais m'entends-tu chien, je ne serai ta reine.

De jonge drenkelinge stond op, spuugde wat schuim op mijn bed,

Je trouvais ça vulgaire et même un peu trop bête,

Maar scheldend en vloekend verliet ze mijn slaapkamer,

Pour s'enfoncer dans l'océan oú jamais on ne meurt.