De broederschapsrevolutie: of wie is wij? (5): Warschau

‘De droom is dood’

In zijn zoektocht naar broederschap in Europa bezoekt Bas Mesters na Parijs, Londen, Berlijn en Rome vlak voor de lokale verkiezingen van 20 oktober nu Warschau. In Polen betekent broederschap vooral: weg met alle anderen. Tegeninitiatieven proberen de verdeeldheid te doorbreken.

De coalitie van antifascistische groeperingen blokkeerde samen met inwoners van Warschau op 1 mei met succes de ‘Nationale arbeidersdag Mars’ van de Poolse fascisten © Agata Kubis / OKO.press

Daar zit Maria Dąbrowska. Witte zomerjurk, goudkleurige mocassins, bril in haar donkere krullende haar. Als ze niet zit, dartelt ze rond tussen ontelbare boeken, in een ruimte vol boekenkasten, gratis gekregen meubels en tafels vol dozen. Als ze niet zwijgt, verspreidt haar heldere stem wijze woorden. Maar nu omarmt ze een huilende vrouw. Ze fluisteren.

Achter hen langs dragen twee jonge vrouwen nog meer dozen met boeken naar binnen. Ze halen ze uit de open laadklep van een op het trottoir geparkeerde auto. Een ietwat door het leven aangetaste vijftiger veegt de stoep voor het pand, ook al is die al lang schoon. Hij doet dit al jaren. Dit was zijn alternatieve gevangenisstraf, maar sinds hij die heeft uitgezeten, blijft hij elke dag nog vier uur meewerken.

Het begon allemaal zeven jaar geleden. Toen timmerde een in Warschau beruchte lokale gangster een bordje op de deur van een raamloze kamer in een vervuild huis in deze arme wijk Praga. ‘De kamer der geheimen wordt hier geopend’, stond erop geschreven. De crimineel had gehoord dat Maria onder zijn woning een kleine bibliotheek zou openen. En hij gaf haar op deze wijze, tot haar verbazing, zijn goedkeuring.

De boeken trokken mensen. En de mensen begonnen te praten, en er ontstond weer iets van beschaving, vertelt de 62-jarige Maria. Ineens begonnen de bewoners van de woonkazerne elkaar erop te wijzen dat pissen in de tuin en het achterlaten van lege flessen niet netjes was.

Verschillende ontruimingen later – speculanten hadden het op panden als die van Maria gemunt – kan nog steeds iedereen zijn overtollige boeken bij Maria brengen. Nu in een andere, grotere ruimte die ze met hulp van de gemeente heeft gekregen. En iedereen mag er ook gratis weer boeken ophalen. Lezen is daarbij niet het hoofddoel, vertelt Maria. ‘Het gaat me om het contact. Om het creëren van cirkels van solidariteit.’

Dagelijks ziet Maria met haar dochter Weronika Masewska (27) en haar partner Sofia Iwanicka (29) dertig tot veertig mensen uit de buurt. Wekelijks trekken ze eropuit om boeken naar veertig gevangenissen en gehuchten in de buurt te brengen. En jaarlijks organiseren ze een boekenmarkt in de wijk die door tweeduizend mensen wordt bezocht. Zo probeert ze de verschillen tussen de mensen te laten verdwijnen en zachtheid en begrip te brengen in de buurt die inmiddels op grote schaal stemt voor de conservatief-nationalistische partij Recht en Rechtvaardigheid (PiS). De partij die Polen bijna drie jaar regeert en die deze maanden fel wordt gekapitteld door de Europese Commissie, vanwege het afbreken van de rechtsstaat, het breidelen van de pers en het weigeren van immigranten.

Volgens Maria is het niet vreemd dat Recht en Rechtvaardigheid aan de macht kwam. De neoliberale politieke elite van de vorige regeringspartij toonde veel minachting voor de mensen. De veranderingen die na de val van het communisme zijn ingevoerd kwamen te snel. ‘Voor de politieke elite waren burgers middelen om winst te genereren. Voor hen moest alles blinken als in Parijs. Recht en Rechtvaardigheid presenteerde zich als een alternatief met als boodschap: gewone Polen hebben ook een stem. En: het is niet verkeerd om naar de kerk te gaan.’

Maar nu Recht en Rechtvaardigheid aan de macht is, verandert de vriendelijke houding. De feestjes zijn voorbij. De partij creëert conflicten. ‘Ze polariseert: tegen Europa, tegen buitenlanders’, zegt Maria. Het is verdeel en heers. De nieuwe regering treedt niet op als mensen dingen doen die ze eerder niet publiekelijk durfden. Zoals roepen dat homo’s naar de gaskamers moeten. ‘De nieuwe regering belooft je een ster aan de hemel. En als je hem niet krijgt, zeggen ze: sorry we konden je hem niet geven. Iemand heeft de ladder gestolen.’

De Polen worden voor de gek gehouden en verleid om te polariseren, vindt Maria. Man tegen vrouw. Stad tegen land. Immigrant tegen Pool. Gelovige tegen atheïst. Rijk tegen arm. Maar mensen zijn ook moe aan het worden van de gecreëerde tegenstellingen, zo ziet ze in haar bibliotheek. Ze worden er eenzaam van. Ze hebben elkaar nodig.

Maria probeert ze met elkaar te verbinden door te handelen. Het kost haar en haar dochter en vriendin veel energie. Ze komen rond van enkele honderden euro’s per maand, die ze in zomerbijbaantjes verdienen. Maar toch zouden ze niets anders willen: boeken innemen en weer weggeven. Praten over boeken. ‘Dat geeft eenzame mensen identiteit. Ze voelen dat ze ergens toe behoren’, zegt dochter Weronika. Maria’s bibliotheek is een van de plekken van verzet in deze Warschause wijk Praga. Een plek waar men bouwt aan gezamenlijkheid, los van afkomst en kleur.

Mijn reis door Europa heeft me naar Warschau gebracht. Nog steeds heb ik dezelfde vragen. Wat bindt ons in Europa in deze tijden van polarisatie? Wie is wij? Wie durft nog wij te zijn? En hoe dan? Is de staat wij, de kerk, de buurman? Wat zeggen de idealen van de Franse Revolutie waar onze Europese samenleving op is gebaseerd ons nu nog? Is er misschien na de gelijkheidsrevolutie van de negentiende eeuw en de vrijheidsrevolutie van de twintigste nu sprake van een Europese broederschapsrevolutie, een streven naar meer gezamenlijkheid?

Een paar dagen voordat ik Maria ontmoette, liep ik enkele kilometers verderop, aan de andere kant van de rivier de Wisła, voor het eerst door het centrum van Warschau. Verrast. Hoe nieuw bleek Warschau! Alles schoon, alles netjes, strak in de stuc. Geen graffiti: niet op de opera, niet op de cafés, niet op de stadsmuur of het grote plein. Het leek allemaal net uit het cadeaupapier gehaald. Alsof de stad een kopie van een ansichtkaart is.

Warschau is zelfs letterlijk een kopie. Na de totale verwoesting tijdens de Tweede Wereldoorlog is het centrum weer opgebouwd aan de hand van een serie stadsgezichten die de Italiaanse landschapsschilder Bernardo Bellotto tussen 1770 en 1780 maakte, zo valt te lezen op billboards. Warschau kreeg zijn stadscentrum terug in een achttiende-eeuws jasje. De realisatie van een romantisch verlangen naar het verleden. Net echt. Maar niet helemaal.

Aan de kaarsrechte kilometerslange Marszalkowska-avenue even verderop zijn de verschrikkingen van de twintigste eeuw ook al zo goed als uitgewist, maar op een andere manier. Hier overheerst een ander droombeeld. Spiegelende wolkenkrabbers vertolken het postcommunistische neoliberale ideaal, dat de laatste jaren met de binnenstromende dollars en later de euro is gerealiseerd. De sovjets schonken Warschau daarvoor al een stenen toekomstdroom: het Paleis van Cultuur en Wetenschap, met 237 meter nog altijd het op twee na hoogste gebouw van Polen. Het is een enorme, hoekige slagroomtaart met 3288 kamers. Na de val van de Muur volgden de torenflats die de zwaartekracht tarten en Warschau in één klap een moderner uiterlijk geven dan veel West-Europese of Amerikaanse steden.

‘De nieuwe regering belooft je een ster aan de hemel. En als je hem niet krijgt, zeggen ze: sorry we konden je hem niet geven. Iemand heeft de ladder gestolen’

Maar wie de rivier de Wisła oversteekt richting het nationaal stadion dat voor het EK voetbal van 2012 werd gebouwd, komt dus in Praga. De wijk waar Maria opereert en waar veel Polen liever wegblijven. Een wijk ook die nog geen metamorfose heeft doorgemaakt en waar mensen zich in de steek gelaten voelen, niet meegenomen in de neoliberale droom van na 1989.

Maria Dabrowska, midden, samen met Weronika en Sofia in haar bibliotheek © Bas Mesters

Aan het begin van de wijk tref ik Paweł Sztarbowski, adjunct-directeur van het beroemde oppositietheater Teatr Powszechny. Hij toont me zijn mobieltje en zegt: ‘Kijk!’ Op het schermpje verschijnen rookbommen. Meer dan duizend woedende vrouwen met rozenkransen, priesters met baarden en rechts-extremisten omsingelen het gebouw. Zoveel agressie bij een theater? vraag ik. Dat gebeurt in Europa vrijwel nooit.

De woede, vertelt Sztarbowski, was opgewekt door het theaterstuk De vloek over pedofilie in de rooms-katholieke kerk. In het stuk pijpte een meisje paus Johannes Paulus II, een paus ‘die in Polen nog belangrijker is dan Jezus’. De mensen die het theater omsingelden roepen op de video: ‘Jezus. Niet democratie.’

‘Ze wilden het podium beklimmen. Er is met zuur naar het toneel gegooid. Er zijn mensen gewond geraakt. Soms zijn we bang hier’, aldus Sztarbowski. Maar de gebeurtenissen maakten hem en zijn directeur Paweł Łysak ook duidelijk dat je sociale verandering alleen kunt realiseren door de conflicten in de samenleving zichtbaar te maken. ‘Dialoog is een waarde’, zegt Łysak. ‘Maar soms kun je geen dialoog hebben. Dan heb je een sterke houding nodig. En als de houdingen en uitgangspunten aan weerszijden duidelijk zijn, pas dan kun je weer beginnen met de dialoog.’

De twee theaterdirecteuren hebben een missie, nu Polen zich zo in zichzelf keert. Ze blijven de moeilijke thema’s bespreken: de katholieke kerk en haar macht in Polen, homoseksualiteit, neonazi’s, migranten. ‘Het is beter dat we er op het toneel over spreken dan dat mensen elkaar op straat aanvallen. Onze performances zijn een vorm van discussie, ook erna. Maar het wordt steeds moeilijker.’

Het theater is voor Sztarbowski en Łysak een lab voor de ontwikkeling van alternatieven. ‘Waar de kerk het podium is voor de consolidatie van het verleden is het theater het platform waar men de toekomst probeert te verbeelden: we proberen er broederschap te imagineren om de vrijheid en de gelijkheid te beschermen.’

Allebei hebben ze kinderen. En die zijn hun belangrijkste motivatie. Sztarbowski: ‘Ik wil dit fucking conservatieve land veranderen. Ik wil dat mijn zoontje in een open en democratische samenleving kan opgroeien. Wij hebben met ons theater een gereedschap om de wereld te veranderen. Het is niet alleen onze wens, maar onze plicht als theaterdirecteuren om daaraan te werken.’

Al in de jaren zeventig was hun theater een oppositietheater, toen tegen de communisten. Het werd geleid door Zygmunt Hybner die in 1989 – het jaar van de val van de Muur – overleed. Daarna werd het een westers georiënteerd theater dat professionaliseerde, waar de toneelspelers goed betaalde sterren werden en waar het publiek veranderde van participanten in consumenten: neoliberalisme op de planken.

Met de komst van de twee Pawełs vier jaar geleden, die met hun programma de aanbesteding wonnen, is Teatr Powszechny weer het oppositietheater dat het ooit was. En na de verkiezingen van 2015 die Recht en Rechtvaardigheid aan de macht brachten in Polen werd hun missie nog geprononceerder. ‘We moeten stelling nemen. Met theater that gets in the way.’ Ze willen werken met de mensen hier in deze arme buurt die voor Recht en Rechtvaardigheid stemden. Samen maken ze performances, gesprekken, concerten en opera. Sztarbowski: ‘We behandelen deze plek als het laboratorium voor de toekomstige sociale veranderingen in Polen. We werken aan nieuwe ideeën.’

Twee jaar geleden organiseerden ze een cultuurcongres met als centrale vraag: wat nu? Wat gebeurt er in Polen en wat moeten we nu doen? De conclusie was dat links erg versplinterd is, terwijl op rechts de kerk al langer een helder verhaal vertelde gericht tegen het neoliberalisme. Links, zo concludeerde men, heeft een nieuw verhaal nodig. Łysak: ‘We nodigden naast kunstenaars ook activisten uit: ecologen, vrouwen, arbeiders, lgtb’ers, vluchtelingen, mensen die demonstreerden tegen de woningnood.’ Er waren concrete acties. Ze bouwden een strand in de wijk waar de buurt in de zomer kon samenkomen. Ze maakten een kleine anti-smogtuin voor het theater, met workshops over smog.

Ze werken ook samen met Maria Dąbrowska van de bibliotheek, en met Alicja Borkowska. Deze acteur en regisseur maakt in de kelder van het theater een serie in drie delen: Animals, Humans en Gods. Als ik binnenkom repeteren ze voor Gods, geschreven en gespeeld door migranten en Polen samen. Ik zie twintig mannen en vrouwen van verschillende herkomst bewegen op muziek tussen de ribben van een kubus van vier bij vier bij vier meter. Ze zitten klem tussen de structuren. Ze proberen hun vrijheid te vinden.

Theater met migranten maken is in Polen steeds meer een daad van verzet, vertelt Borkowska boven de muziek uit. Ze doet het al zeven jaar en het wordt er niet makkelijker op. ‘De wijze waarop media de laatste jaren over migratie berichten, heeft een negatief effect op de populariteit van de workshops en voorstellingen. Steeds minder Polen stellen zich open en doen eraan mee.’

De kerk en rechts overheersen en drukken een stempel op het debat. Hun bereik is veel en veel groter dan dat van de theatermakers. En als Recht en Rechtvaardigheid bij de gemeenteraadsverkiezingen op 20 oktober de liberalen verdrijft uit het stadsbestuur van Warschau kan het ook snel afgelopen zijn met de twee directeuren van het gemeentelijke Teatr Powszechny.

‘We hebben nog steeds een democratie, maar nu de regering de rechterlijke macht controleert en rechters ontslaat, is de wetstoepassing verworden tot theater’

‘Maar zo lang we kunnen, gaan we door’, zegt Łysak. ‘We weten waarom we het doen.’ Vorig jaar hingen ze bij het tweede cultuurcongres dat ze organiseerden de slogan ‘vrijheid, gelijkheid en verbeelding’ aan de gevel. ‘Voor ons is broederschap boven alles verbeelding. Samen verbeelden hoe het beter kan.’ En daarbij is het sleutelwoord wat hen betreft niet power, maar care. Niet macht of kracht, maar compassie en zorg. Łysak: ‘De nieuwe revolutie wordt denk ik een revolutie van vrouwen. Ik denk dat de 21ste eeuw de eeuw van de sisterhood wordt.’

Alicja Borkowska, rechts, regisseert de repetitie van de theaterstukken Animals, Humans en Gods © Bas Mesters

Ook Konstanty Gebert is opgevallen hoe de rol van vrouwen in de Poolse oppositie groeiende is. Toen de regering de abortusrechten nog verder probeerde te beperken was er ineens een beweging van onderop: dertigduizend vrouwen protesteerden, niet alleen in Warschau maar ook in de provinciesteden. En toen vorige herfst op Onafhankelijkheidsdag een grote mars van extreem-rechtse ultra’s was georganiseerd hielden veertien vrouwen van middelbare leeftijd een sit-in op straat waar de demonstratie langs moest. ‘En ze stopten ze. Twintig minuten werden de vrouwen geschopt en geslagen, zonder dat de politie ingreep. Maar de vrouwen slaagden in hun doel. Ik heb geen woorden om te beschrijven hoe buitengewoon moedig die vrouwen zijn. Zij zijn de ruggengraat van de tegenbeweging.’

Als iemand weet wat verzet is, dan is het Konstanty Gebert. Hij was een van de voormannen van de Poolse vakbond Solidarność, van 1981 tot 1989 ondergronds journalist in tijden van de communistische dictatuur, hij zat vast als dissident en nog steeds roert hij zich volop in het Poolse debat. Als medeoprichter, internationaal verslaggever en columnist bij Gazeta Wyborcza, de grootste nationale krant. Als oprichter van het Pools-joodse intellectuele maandblad Midrasz. Geberts artikelen verschenen in vele kranten wereldwijd. Hij schreef meer dan tien boeken over onderwerpen als de Poolse democratische transformatie, Europa in de twintigste eeuw, de Joegoslavische oorlogen, de oorlogen van Israël, de thora, en over de joodse gemeenschap in het naoorlogse Polen. De dag voor ik hem ontmoet is hij door de Franse ambassadeur namens de Franse staat gelauwerd voor zijn hele werk. ‘De Fransen doen van die dingen’, merkt hij droogjes op.

Over het huidige Polen toont hij zich zeer bezorgd: ‘Wij hebben geen rechtsstaat meer. We hebben nog steeds een democratie, maar nu de regering de rechterlijke macht controleert en rechters ontslaat, is de wetstoepassing verworden tot theater. Onder het communisme hadden we de beste grondwet van de wereld. Met allerlei mogelijke garanties voor allerlei mogelijke vrijheden. Maar hij werd niet toegepast. Ook toen was het theater.’

Gebert spreekt zachter en trager als hij wordt uitgenodigd terug te denken aan 2004, het jaar dat Polen toetrad tot de Europese Unie. ‘In de synagoge zong de cantor toen een van de hymnes uit Ode an die Freude: Alle Menschen werden Brüder van Beethoven. Ja, dat was heel emotioneel. En deze droom is nu dood.’ Het is voor hem duidelijk dat er geen natuurlijke evolutie is waarin alle delen van Europa naar elkaar toe groeien en lang en gelukkig zullen samenleven. Europa kan de drie crises die het tegelijk moet verwerken niet aan: de economisch-financiële, de migratie- en de bestuurlijke crisis.

‘Het zou waarschijnlijk elk van deze crises apart wel overleven, misschien ook wel twee, maar drie tegelijk? Dat is simpelweg te veel en dus zitten we klem. Er zijn maar weinig mensen die het publiekelijk durven zeggen: er is geen enkele kans dat de bestuurlijke structuur van de EU, die onvoldoende democratisch gelegitimeerd is en geen duidelijke politieke leiding heeft, de oplossingen gaat brengen die nodig zijn.’ Nee, er zal een breuk plaatsvinden, verwacht Gebert. ‘Er zal een deel van Europa zijn dat verder voorwaarts gaat. En dan zullen er meer of minder succesvolle niveaus van periferie zijn. Polen zal zichzelf terugvinden in de periferie, uit eigen keus.’

Mijn indeling van de geschiedenis volgens de slogan van de Franse Revolutie (vrijheid, gelijkheid en broederschap) fascineert hem. Eenmaal in gesprek voegt hij er in een paar minuten een aantal interessante dimensies aan toe. Zo concluderen we al snel dat elke leus uit de slogan van de Franse Revolutie een januskop kent. Je hebt broederschap en solidariteit. Vrijheid en liberty. En je hebt positieve en negatieve gelijkheid. Schiet een van de pendanten door, dan wordt dat weer gecorrigeerd door de andere. Het volmaakte evenwicht bestaat niet.

‘Ik denk dat hoewel we onze beweging Solidarność (solidariteit) noemden het eigenlijk ging om broederschap’, zegt Gebert. ‘Wie zich dat realiseert kan de recente geschiedenis en de ruk naar conservatief rechts van Polen beter begrijpen.’ Broederschap is volgens Gebert anderen steunen, omdat je fundamenteel herkent dat zij zijn zoals wij zijn. ‘Mijn broeder heeft mijn genen, is van mijn familie, mijn stam. Mijn broeder steunen is als mezelf steunen. Dus je verdient mijn steun als ik besluit dat je bent zoals ik. Pas als je niet zoals ik bent, komt solidariteit om de hoek kijken. Solidariteit is anderen steunen, hoewel ze niet zoals wij zijn. We doen dat omdat we geloven wat de ander zegt of omdat we vinden dat mensen hoe dan ook steun verdienen.’

De vakbond Solidarność was volgens Gebert broederschap vermomd als solidariteit. ‘En ze konden ermee wegkomen’, omdat iedereen in de vakbond wit, Pools en katholiek was. Het verschil tussen solidariteit en broederschap was niet relevant, omdat iedereen zoals iedereen was. Polen is het meest etnisch uniforme land in Europa. ‘Wat de Polen en zeker de regering nu drijft, is wat Le Pen ook drijft: On est chez nous. En dat willen we zo houden.’

Geheel onbegrijpelijk is dat niet, vindt Gebert. ‘Op de twee decennia durende wankele onafhankelijkheid in het interbellum na was het land ruim anderhalve eeuw bezet, het laatst door de nazi’s en de sovjetcommunisten. De hele negentiende eeuw bestond Polen helemaal niet, het was opgedeeld tussen Pruisen, Rusland en Oostenrijk-Hongarije. Pas sinds drie decennia hebben de Polen weer volledig hun zelfbeschikking terug. En de huidige regering laat de Polen zijn wat ze jaren niet konden zijn: trots op hun Pools-zijn. De eerste jaren na 1989 moest Polen nog heel voorzichtig opereren. We wisten niet of de Russen ons onze vrijheid daadwerkelijk zouden toestaan en of het Westen ons echt zou beschermen. Maar nu willen en durven de Polen Pools te zijn. En deze regering faciliteert dat. Not my cup of tea, but let them be Polish’, aldus Gebert.

Klementyna Suchanow, rechts, tijdens de bezetting van de Universiteit van Warschau © Bas Mesters

De broederschapsrevolutie, zo stelt Gebert, toont zich in Polen hoofdzakelijk als een nationalistische revolutie. De Poolse regering omarmt het oude negentiende-eeuwse concept van de natie als een organisch lichaam. ‘De natie als een uitbreiding van de familie: we zijn allemaal bloedbroeders, we zijn allemaal van hetzelfde ras, we zijn allemaal Polen en iedereen is tegen ons. We moeten ons beschermen tegen vijanden buiten en binnen. En wij Polen moeten op onszelf rekenen nu we eindelijk een echte Poolse regering hebben.’

Het heeft grote gevolgen. De geschiedenis wordt herschreven. ‘Neem de jaarlijkse viering van de eerste semivrije verkiezingen in 1989 op 4 juni die leidden tot de val van het communistische regime. Afgelopen 4 juni werd die eerste verkiezing herdacht in het nationaal journaal op de publieke tv met onder in de nieuwsbalk de tekst: “4 juni, een symbool van verraad van de elites”. De officiële versie van de regering is nu dat de communisten en de elites voorafgaand aan die verkiezingen aan tafel waren gaan zitten om een deal uit te onderhandelen. Die deal was een complot van de communisten, de liberalen, de joden, de homoseksuelen, iedereen… tegen het Poolse volk. Polen, zo stellen ze, is pas echt onafhankelijk geworden toen Recht en Rechtvaardigheid bijna drie jaar geleden aan de macht kwam. Dit is een mening, een opinie. Maar het journaal presenteerde dit als een nieuwsfeit en mensen geloven dit.’

‘Voorheen voelden Poolse rechts-extremisten zich bedreigd. Nu weet je als rechts-extremist dat de politie jou wel eens met rust zou kunnen laten’

Sinds het aantreden van de nieuwe regering zijn volgens Gebert al meer dan 140 journalisten bij de publieke omroep ontslagen. In de particuliere media blijven nog enkele titels het gevecht aangaan en die worden steeds feller. ‘Mijn krant is voor een deel in het bezit van de eigen journalisten en voor een deel van aandeelhouders. We zijn nog onafhankelijk. Maar we hebben alle staatsreclame verloren. We hebben ook commerciële adverteerders verloren die ons privé zeiden dat ze het zich niet meer kunnen permitteren om in onze krant te adverteren, omdat ze zaken doen met de regering. Het staatsoliebedrijf heeft ons uit de schappen van de benzinestations verwijderd. De minister van Justitie heeft rechtbanken verboden om zich op onze krant te abonneren.’

De propaganda op de staats-tv wakkert volgens Gebert xenofobie aan. Mensen zijn in elkaar geslagen op straat omdat ze Duits spraken. ‘Dit is Polen, je spreekt Pools.’ Afgelopen lente werd in downtown Warschau bij daglicht een veertien jaar oud Turks meisje door een volwassen man in elkaar geslagen, terwijl hij schreeuwde: ‘Polen voor de Polen.’ Hij liep weg en niemand stopte hem. Het meisje eindigde in het ziekenhuis. En de minister van Justitie zei: ‘Dit was geen racistische misdaad, want ze heeft een heel lichte huid.’

In 2014, toen de vluchtelingencrisis begon, zei 75 procent van de Polen nog: we moeten vluchtelingen binnenlaten en ze helpen. Toen lanceerde Recht en Rechtvaardigheid een campagne die stelde dat de zittende liberale regering moslimimmigranten binnen probeerde te brengen en dat die het land zouden islamiseren en dechristianiseren. ‘In twee jaar tijd wisten ze de publieke opinie om te turnen van 75 procent vóór naar 75 procent tegen het opnemen van vluchtelingen.’

Angst voor vreemdelingen werd een van de belangrijkste sentimenten die de partij aan de macht bracht. En nu kunnen ze zichzelf niet meer corrigeren. ‘Deze leiders van Recht en Rechtvaardigheid denken dat ze kunnen controleren wat ze in gang hebben gezet. Maar er zal uiteindelijk geweld zijn. Niet omdat de regering dat wil, maar geweld is de onvermijdelijke consequentie van hun wereldbeschouwing. Het is het logische gevolg als je de ander niet wilt of kunt accepteren en het als goed en patriottisch ziet om je tegen de anderen af te zetten.’ Polen, zegt Gebert, is helaas een heel interessant land geworden. ‘Mijn hoop was met pensioen te gaan in een zeer saai Midden-Europees land waar niemand over spreekt. Dat is niet wat nu gebeurt.’

En dit wij-tegen-zij-denken, deze bruine broederschapsrevolutie is volgens Gebert in essentie ook de reden waarom Polen zo miserabel faalt in zijn plicht van Europese solidariteit. Bijvoorbeeld op het gebied van de vluchtelingenkwestie. Tegen beter weten in. ‘Want zelfs als we het morele aspect van de Poolse afwijzing van vluchtelingen even laten liggen, blijft het politieke zelfmoord, omdat onze veiligheid is gebaseerd op Europese solidariteit. Want als – God verhoede het – het min of meer bevroren conflict in Oekraïne weer ontploft en we heel veel Oekraïense vluchtelingen in Polen krijgen, dan zullen we om solidariteit van West-Europa schreeuwen. En dan zouden we woedend zijn als de Grieken en Italianen zouden roepen: je kunt de pot op.’

De huidige regering, stelt Gebert, heeft de enorme verantwoordelijkheid dat ze het licht op groen heeft gezet voor wie fascistische neigingen heeft. Niet omdat de regering zelf antidemocratisch is, en zeker niet omdat het fascisten zijn. Maar de regeringspartij Recht en Rechtvaardigheid heeft de stem van de fascisten nodig en geaccepteerd om aan de macht te komen. ‘Zonder die fascistische stem hebben ze niet de absolute meerderheid. Voorheen voelden Poolse rechts-extremisten zich bedreigd en enigszins beschaamd en wisten ze dat hun gedrag werd afgekeurd en dat de politie zou optreden als ze overdreven. Nu weet je als rechts-extremist dat de politie jou wel eens met rust zou kunnen laten.’

Sympathisanten van de bezetting verzamelen zich voor de Universiteit van Warschau © Bas Mesters

De 44-jarige literatuurwetenschapper Klementyna Suchanow spreekt met een heldere en vriendelijke stem. Ze is klein van stuk, draagt een zonnebril en een rugzakje. Ze is een van de veertien vrouwen die er op Onafhankelijkheidsdag in slaagden om een demonstratie van fascisten in het hartje van Warschau te blokkeren. Ook nu is ze net terug van een demonstratie in Krakau. Ik ontmoet haar in de hal voor de rectorskamer van de universiteit van Warschau, terwijl ze alweer volop in actie is. ‘We hebben zoveel demonstraties sinds het aantreden van deze regering. Ik moet echt kiezen waar ik bij wil zijn.’

Op de grond in de chique ruimte slaapt een jongen. Achter tafeltjes zitten studenten druk te bellen en te discussiëren. Op het balkon van het rectoraat liggen slaapzakken en over de reling hangen spandoeken. Het protest is gericht tegen het plan van de regering om meer invloed te krijgen op de benoeming van de universiteitsbesturen. Wetenschappers, docenten en studenten zijn bang dat dit het einde is van de onafhankelijkheid van de universiteit. Klementyna heeft de bezetting van het pand voorbereid en mee uitgevoerd: ‘Het is een van mijn expertises: gebouwen openen en bezetten.’

Niets aan Klementyna doet je denken dat ze de leider van een protestbeweging is. Maar sinds er een foto in de kranten verscheen waarop ze te zien is met haar gezicht op de grond gedrukt en een politielaars ernaast, wordt ze steeds vaker herkend op straat. ‘Als ik nu lezingen houd over mijn werk als wetenschapper, dan komen mensen meer voor de demonstrant dan voor het boek dat ik onlangs schreef. Dat is grappig.’

Ook binnen haar familie had de wijze waarop de politie haar aanpakte gevolgen. Haar moeder stemt op regeringspartij Recht en Rechtvaardigheid. ‘Dat is niet makkelijk. Zij citeerde elke dag de tv-propaganda van de regering om mij te overtuigen dat de actie waar ik bij aanwezig was fout is. Ik antwoordde altijd: ik was erbij en het was anders dan je op het nieuws zag. Ik ben je dochter. Je kunt me vertrouwen. Pas toen ze de foto van mij op de grond zag, onder die politielaars, is ze wat milder geworden en is ze gestopt de tv-propaganda tegen ons te herhalen. Dat was echt schrikken voor haar.’

Klementyna zal niet snel opgeven. Ook al krijgt ze regelmatig rechtse trollen achter zich aan die foto’s van haar verspreiden: ‘Dit is de vrouw die eieren gooide naar de minister.’ Het was op de dag dat werd gestemd over de hervorming van het rechtssysteem. ‘We zagen de leden van de regeringspartij het parlement verlaten. We konden niks doen. We konden alleen eieren gooien. Het was ziek. Het rechtssysteem stond op het spel en het ging daarna alleen over de vraag of we eieren mochten gooien.’

Ze heeft een enorme hoeveelheid aanklachten tegen zichzelf weten te verzamelen. ‘Het gaat om kleine dingen, maar ze worden gebruikt voor propaganda tegen mij.’ Ze heeft een hele map met enveloppen met uitnodigingen voor onderzoek door officieren van justitie. Haar telefoonbeantwoorder staat vol met oproepen van de politie. Ze heeft de geheime dienst achter zich aan. ‘Maar ik heb goede advocaten die me gratis ondersteunen. Er is een vrolijke oude man die zich specialiseert in mijn zaak. Hij zegt: wat je ook doet, ik bescherm je. Ik vertrouw je. Ik weet dat je uit goede intenties opereert.’

Door haar acties tegen de anti-abortuswet die succesvol werd geblokkeerd kwam ze ook in contact met de internationale vrouwenbeweging. En daar leerde ze dat wat in Polen gebeurt deel uitmaakt van een internationale trend. ‘Het gaat tussen degenen die voor een gesloten samenleving zijn en hen die zich inzetten voor een open maatschappij.’ Er is, zegt ze, een nieuwe golf van conservatisme en fundamentalisme die wordt aangevoerd door witte mannen, kerken en rechts-extremistische bewegingen. ‘En die ziekte heeft vooral effecten op de positie van de zwakkeren in de samenleving: vrouwen, ouderen, buitenlanders. Hun rechten dreigen te worden aangetast. Om hier tegenin te gaan moeten we de mensen leren demonstreren.’

Ze vertelt en vertelt, gedreven. Ik leg haar mijn ideeën over de broederschapsrevolutie voor en vraag haar of zij deel uitmaakt van een zusterschapsrevolutie. Ze verzet zich ertegen. ‘Ik mag het woord “sisterhood” niet erg, omdat ik me nooit als een feminist omschreef tot 2016. Ik was gewoon een human being. Ik voelde me sterk genoeg om te krijgen wat ik wilde. Ik hou ook niet van de verdeling van de mensheid tussen twee seksen. Maar de vreselijke anti-abortuswet van 2016, met die straffen, maakte dat ik me afvroeg: in wat voor wereld groeit mijn vijftienjarige dochter op? Ik groeide op in slechte communistische omstandigheden, nu hebben we vrijheid. Wat wacht mijn dochter?’

Op de vraag ‘wie is wij?’ verwijst ze naar de schrijver waarover ze net een tweedelige biografie heeft gepubliceerd: Witold Gombrowicz, een Poolse auteur wiens werk ook in het Nederlands is vertaald. De vraag ‘wie is wij?’ is volgens haar afhankelijk van tijd en ruimte. ‘Gombrowicz zei: “We zijn door omstandigheden gecreëerd. In verschillende momenten handelen we anders.” We interacteren altijd met anderen. Bij ons thuis heb ik geleerd dat als je voldoende afstand tot jezelf en anderen houdt, er ruimte blijft om te lachen. Dat is de enige redding. Het alternatief is vechten en elkaar vermoorden. Je moet in staat zijn om te relativeren met een goed gevoel voor humor. Maar dat betekent niet dat je onverschillig kunt zijn als je misstanden ziet.’

Gombrowicz begon zijn dagboek met: maandag ik, dinsdag ik, woensdag ik… Ik staat voorop, vindt ook Klementyna. Maar er zijn ook andere ikken. ‘En het gaat om mijn ik in co-existentie met de anderen. Ik ben een intellectueel. Ik zou in mijn afgesloten toren kunnen blijven en mijn tijd steken in schrijven en denken. Dat is mijn ik. Maar er is een deel dat zich inzet voor de ikken van de anderen. Dat is mijn actieve handelende ik. Ik ben geen fan van gemeenschappen. Ik leefde erin. Ze kunnen ook slecht zijn. Maar ik denk dat we ons moeten inzetten om elkaar te ontmoeten en tegelijk onze eigen vrijheid moeten proberen te behouden.’


Dit verhaal is mede mogelijk gemaakt door de European Cultural Foundation