Vinex in Amsterdam West

De droom van de jaren twintig

Onder druk van het Vinex-akkoord gaat Amsterdam de westelijke tuinsteden verdichten, gebouwd op grond van het Algemeen Uitbreidingsplan van 1935. Is dat concept verouderd?

In 1901 werden de twee wetten van kracht die alle ontwikkelingen in de stedenbouw zouden gaan bepalen: de Gezondheidswet en de Woningwet. Samen zouden zij een eind maken aan de negentiende-eeuwse sloppenwijken. Bijna tegelijkertijd, in 1902, verscheen het boek Garden Cities of To-morrow (Tuinsteden van de toekomst) van Ebenezer Howard, waarvan de titel als een magisch begrip de twintigste eeuw bleef beheersen. Het Algemeen Uitbreidingsplan van Amsterdam (AUP) van 1935 komt uit deze bronnen voort. Het voorzag in woonwijken met voldoende groen en woningen met ruime licht- en luchttoetreding. Ze heetten dan ook: de westelijke tuinsteden. Pas tijdens de huidige herstructurering worden de westelijke tuinsteden tot parkstad omgedoopt.
Het AUP had nog een derde bron, de «moderne beweging» van de jaren twintig. Deze deed haar intrede in Amsterdam in de persoon van Cornelis van Eesteren. Door de annexaties van 1921 werd het grondgebied van de gemeente bijna verviervoudigd, waarbij Amsterdam uitgestrekte agrarische gebieden ter beschikking kreeg. Direct installeerde burgemeester Tellegen de Commissie Groot-Amsterdam om na te gaan hoe Amsterdam de mogelijkheden van de nieuwe gebieden het best kon benutten. Dit zou anders moeten gebeuren dan het Plan-Zuid van Berlage, dat in 1917 definitief was vastgesteld. Plan-Zuid kon alleen over het zuidelijke uitbreidingsgebied beschikken en gaf geen visie op de stad als geheel. Er ontbrak iets aan wat in New York door Raymond Unwin was ingevoerd: een wetenschappelijk onderzoek vooraf, de «Survey». Om de gewenste aanpak mogelijk te maken werd in 1928 Stadsontwikkeling (SO) opgericht als afdeling van Publieke Werken. De man die als ontwerper zijn stempel op SO zou drukken, C. van Eesteren, werd in 1929 benoemd. Van Eesteren (1897-1988) was voortgekomen uit de avant-garde van de jaren twintig. De moderne beweging, in Nederland belichaamd in De Stijl en in Duitsland in Das Bauhaus, was zowel een schoonheidsleer als een technische leer. Zij predikte soberheid en doelmatigheid. Heldere vormen, moderne materialen, grote, ongebroken vlakken en veel wit zouden de uitdrukking zijn van de nieuwe tijd. Het leek ratio neel en dat was het ook wel, maar de wil om er iets moois van te maken overheerste. Van Eesteren was bevriend met de theoreticus Theo van Doesburg en met Piet Mondriaan, die beiden esthetisch gericht waren, maar hij had ook samengewerkt met de architect Le Corbusier, voor wie het nuchtere functionalisme vooropstond.
De moderne beweging ontdekte de schoonheid van de techniek. De techniek was in linkse kringen lang afgewezen als het instrument van het kapitaal voor de onderdrukking van de arbeiders en zij vervreemdde de arbeider van zijn eindproduct. Van Eesteren dacht daar anders over: «Onze opgave is de schoonheid welke in de techniek ligt, te verwerken en te organiseren. De houding welke men over het algemeen tegenover de voortbrengselen der techniek aanneemt, komt uit ongeveer de volgende gedachte voort: ‹Hoe trekken we dit monster een mooi kleedje aan›, zonder de schoonheid van het naakte monster te zien.»
Dit schreef Van Eesteren in 1922, 25 jaar oud. Zijn hele levensprogramma is in deze zin verwoord. Hij gaf er meteen een voorbeeld van: «Voorbeeld: een stadsbeeld zal bestaan uit een horizontaal viaduct, een verticale fabrieksschoorsteen, een gesloten pakhuis. Met deze elementen zonder eenige ornamentatie, welke zwakheid te verbergen zou hebben, een stadsbeeld te vormen, is onze opgave.» De techniek zou leiden tot standaardisering en dus tot een herhaling van elementen, die een eigen schoonheid voortbrengt. De techniek was daardoor een democratiserende kracht in de samenleving. Zij maakte massaproductie mogelijk waardoor de goederen binnen handbereik van de massa kwamen. Wat het c&a’tje was voor de kleding — de opheffing van het zichtbare standsverschil — zou de woningwetwoning voor het wonen worden.
Van Eesterens stelling was esthetisch, maar kwam ook de Nieuwe Zakelijkheid goed te pas, die in 1927 door Ben Merkelbach in Nederland werd geïntroduceerd. Ornamentatie zou zwakheid verbergen. Als een regenpijp of schoorsteen nodig is, moet je hem rustig laten zien; of berging voor fietsen en kinderwagens. Nodig is nodig, en zeur nou maar niet dat het «lelijk» is. Ook Berlage liet de onontbeerlijke regenpijpen eerlijk zien, maar hij benutte ze meteen als een versiering van zijn gevels. Dat hoefde van de nieuw-zakelijken niet meer. Dat zou, om met Van Eesteren te spreken, «zwakheid te verbergen hebben».

De tweede ontdekking uit de jaren twintig was die van het wonen. Altijd was de aandacht van de architecten uitgegaan naar de welverzorgde buitenkant, het uitgesproken ideaal van de sociale woningbouw van de Amsterdamse School. De Nieuwe Zakelijkheid stelde de functie van het wonen, en dus de binnenkant van de woning, centraal. Doelmatigheid van binnen ging voor schoonheid van buiten. Van Merkelbach mocht je een gebouw nooit «mooi» of «lelijk» vinden. Het gemak van de huisvrouw (er werd nog niet aan de huisman gedacht) was de maatstaf voor goed of verkeerd bij het stoken, in de keuken, bij het schoonmaken en bij de kinderverzorging. De plattegrond bepaalde de waarde van de woning. Een gebouw was niet «mooi» of «lelijk», het was een goed of een slecht gebouw.
De nieuwe stijl bestempelde een traditionele straat vol afschuw als een «stenen kanaal», waar niet genoeg licht en lucht konden toetreden. Tegenover de heersende Amsterdamse School, die romantisch was, versierd en knus, zou de nieuwe stijl rationeel, sober en open zijn.
De moderne beweging was links. Zij geloofde dat openheid in de woning en de woonwijk, gemeenschappelijk groen en moderne sportcultuur de mens beter, blijer en meer sociaal voelend zouden maken. In 1927 schreef Van Eesteren: «De stedebouwer heeft iets positiefs, waarvan hij overtuigd is, dat het beter is dan het oude, dat verdwijnen moet wanneer het verbruikt is.» En in 1967 schreef Hans Jaffé ter gelegenheid van Van Eesterens zeventigste verjaardag: «Heel het werk van De Stijl was gericht op de toekomst en het beperkte zich geenszins tot het gebied der esthetica: het kent diepe, tot de religieuze bronnen van het Nederlandse volk teruggaande stromingen.» Ook Le Corbusier, Mondriaan en Malevitsj meenden dat hun architectuur en hun kunst praktische invloed zouden hebben, ja, dat zij de maatschappij ten goede zouden veranderen.
De Ciam, de wereldorganisatie van moderne architecten, stelde in 1933 de Charte d’Athènes op, waarin de droom van de jaren twintig werd gecodificeerd: de indeling van de stad volgens de vier functies wonen, werken, verkeer en recreatie. De scheiding werd nodig geoordeeld omdat in de negentiende-eeuwse steden arbeiderswoningen onder de rook van stinkende en lawaaiige fabrieken waren ontstaan en omdat maar al te vaak de recreatieve gronden waren ingenomen door de luxevilla’s van de rijken. Jose-Luis Sert heeft beschreven hoe hij en zijn geestverwanten in 1920 in een vliegtuig boven Parijs de lucht gingen verkennen en vaststelden dat dit geen atmosfeer was waarin je mensen kon laten wonen.
Aan het ontwerpen ging de Survey onder leiding van Th.K. van Lohuizen vooraf, symbool van het geloof in de maakbaarheid van de toekomst. Toen uit onderzoek bleek dat rond het jaar 2000 het maximum van rond één miljoen inwoners zou zijn bereikt, haalde men bij SO opgelucht adem. Het lot van de grote wereldsteden met hun monstrueuze groei zou Amsterdam bespaard blijven. Er hoefden geen satellietsteden op afstand van de kernstad te worden gesticht. Er was een verkeers telling gehouden, waaraan een groot aantal scholieren had meegedaan. Er werden aan de hand van buitenlandse voorbeelden verhoudingsfactoren ingevoerd voor de behoefte aan industrieterrein per arbeider, aan sport- en parkgebieden per inwoner. Het doet aan als een sprookje.
«Het bleek mogelijk», aldus het AUP, «om de voor een stad van de aangenomen grootte van 960.000 inwoners benodigde oppervlakten voor woonwijken, werk- en ontspanningsterreinen op zoodanige wijze organisch te rangschikken, dat een doelmatig ingerichte en schoone stad kan ontstaan. (…) De verschillende woonwijken konden op niet te verre afstand van de werkcentra en de kernstad worden ontworpen en van elkaar gescheiden door ontspanningsgebieden van afwisselend karakter, zoodat deze wijken elk voor zich een behoorlijk afgerond stedebouwkundig complex zullen vormen en toch geleidelijk tot ontwikkeling zullen kunnen worden gebracht, al naar de behoefte tot uitbreiding blijkt.»

Over de begintijd van Stadsontwikkeling doen verhalen de ronde waarvan ik de echo terugvond in een artikel van Giulio Carlo Argan, een hoogleraar kunstgeschiedenis die tot burgemeester van Rome was benoemd, in de Corriere della Sera van 1976: Perchè mi hanno fatto sindaco di Roma: «Waarom ze mij burgemeester van Rome hebben gemaakt». Argan had Van Eesteren in hun beider jonge jaren gekend en vertelt in dit artikel hoe dat prachtige AUP van Amsterdam is ontstaan: «Op een enorme zolder van het stadhuis had Van Eesteren een maquette van de gehele stad laten opstellen. Daaroverheen was een loopbrug aangebracht, zodat men de stad kon overzien en in details kon bestuderen. E passava lassù la sua giornata — en op die brug bracht hij zijn dagen door, terwijl hij met zijn medewerkers en geïnteresseerde stadgenoten alle, tot zelfs de kleinste wijzigingen in het stedelijk weefsel besprak. Se non è vero, è ben trovato.» Voor Argan was Amsterdam door zijn planvorming het voorbeeld in de strijd tegen stedelijke chaos, corruptie en grondspeculatie.
Van Eesteren ontwierp het stramien van de westelijke tuinsteden met een dubbele oriëntatie: eerst de oost-westverbindingen, die de nieuwe wijken aan de oude stad hechtten; dan de zuid-noordwegen, die de nieuwe stad oriënteerden op het nieuw aan te leggen Westelijk Havengebied. «Nu hebben we de notenbalk, waarop we onze muziek kunnen componeren», zei Van Eesteren. Zo kon die man, die leek op een combinatie van aannemer en herenboer, ineens heel poëtisch uit de hoek komen. De plankaart toont lyriek en openheid in zijn losse uitwaaiering van geleidelijk aan te schakelen elementen, het had ook beschikbaarheid voor de onvoorziene wijzigingen die de toekomst zou kunnen eisen.
De uitvoering van het AUP werd door de Tweede Wereldoorlog vertraagd. De waarde van het plan was echter wel meteen merkbaar. Argan schreef in het eerder geciteerde artikel uit 1976 dat het AUP het enige doeltreffende middel was geweest om de ergste vijand van de moderne steden, de grondspeculatie, aan banden te leggen. «De grondspeculatie bedreigt niet alleen de historische binnensteden, zij schept ook aan de buitenrand van de stad de chaos van onmenselijke, overbevolkte getto’s, armoewijken en barakkendorpen.» Hiervoor heeft het AUP Amsterdam behoed.
De bouw begon in 1948 onder wethouder J.J. van der Velde. Hij was jurist en accountant en had bestuurservaring bij een verbruikscoöperatie. Toen hij in september 1948 de wethouderskamer betrad die door zijn CPN-voorganger Leen Seegers was ontruimd, vond hij daar niets anders dan de twee delen van het AUP. «Ik wist niets van stedenbouw, maar ik ben die twee delen gaan lezen. Am sterdam had vijf, ja acht jaar achterstand in onderhoud en nieuwbouw van woningen. Toen heb ik mijn directeur Publieke Werken, de heer Clercx, opgebeld en gezegd: ‹U weet zeker wel wat het AUP is? Gaat u dat plan maar uitvoeren.›» De directeur protesteerde door op de Haagse regelingen te wijzen, waarop de wethouder de gulden woorden sprak: «Doet u nu maar wat ik zeg en laat de politieke verantwoordelijkheid aan mij over.»
De omstandigheden waren sinds 1930 drastisch veranderd. Vooral op twee punten klopten de voorspellingen niet. Het verkeer eiste veel meer ruimte — toen al! — en de woonverdunning (minder mensen per woning) ging sneller dan verwacht. Aangezien het gebombardeerde Rotterdam bij de wederopbouw terecht op de eerste plaats kwam, moest Amsterdam het stellen met zeer kleine woningtoewijzingen. Van der Velde kon echter heel ver gaan met de voorbereiding. Hij begon zelfs in de eerste wijk, Slotermeer, al met het heien. Haagse ambtenaren tikten hem hierover op de vingers, en hij antwoordde ernstig: «Als ik die palen zomaar laat liggen, zullen Amsterdamse kinderen er een speelterrein van maken. Veiliger is ze in verticale opslag te bewaren.» Ze slikten het. «Eigenlijk jammer», zei Van der Velde tegen zijn tachtigste terugblikkend op die jaren. «Wat was ’t mooi geweest van mijn partijgenoot minister In ’t Veld een proces-verbaal te krijgen omdat ik de woningnood bestreed.»
Het ergste waren natuurlijk de eeuwige bezuinigingen, het rode potlood van de Haagse ambtenarij die de plannen moest fiatteren. Of, zoals architect Wim van Tijen mij kort voor zijn dood vertelde: «Dan had je een woonblok, of liever een reeks van die blokken, die toch al vrij sober waren ontworpen, en daar hadden we dan een betonpaneeltje bij elke voordeur, dat gaf zo’n aardig effect — en dat werd dan gewoon weggestreept.»
Van Eesteren was zich ervan bewust dat grote maatschappelijke veranderingen zijn Wunschbild doorkruisten. Maar hij was tegelijk artistiek-gevoelig als een radarscherm en vasthoudend als de Sliedrechtse polderjongen die hij van oorsprong was. In 1948 getuigde hij bij de aanvaarding van een professoraat in Delft van zijn rotsvaste geloof in zijn vak: «De ruimtelijke wanorde waar wij in leven, is een onafwendbare consequentie van een wereld die, zoals steeds, maar nu door een versneld tempo in heviger mate voelbaar, aan het veranderen is. Ik ben er nochtans van overtuigd, dat orde zal kunnen terugkeren.»
De kracht van een plan-in-hoofdzaken ligt in de mate waarin het bestand is tegen de uitvoering en de wijzigingen die door de veranderde omstandigheden worden voorgeschreven. Nieuw-West heeft veel van het doordachte karakter en de helderheid van plattegrond behouden die het merkteken zijn van Van Eesteren. Hij moet hebben gevoeld dat de orde die hij zich had voorgesteld, nog niet op het punt stond terug te keren. Maar hij was realist genoeg om te zeggen: «Wat er ook is misgegaan, de kinderen zijn gezond.»

Na de glorieuze jaren van de uitvoering werd ook het AUP getroffen door de onafwendbare golfslag van de smaak. Toch lijkt de grondslag, de «notenbalk», nog steeds goed. Bij de herstructurering van het gebied zal het concept uit 1930 zijn kracht kunnen tonen.
Net als de andere grote utopieën van de twintigste eeuw heeft ook de nieuwe stedenbouw de grenzen die de menselijke natuur stelt niet doorbroken. In de nieuwe stad ontstond geen «nieuwe mens». Onveiligheid, verslonzing, eenzaamheid waren bijproducten van wat de stralende stad had moeten zijn. De utopieën houden geen rekening met onverwachte ontwikkelingen, zoals welvaart, vergrijzing en immigratie, waarop nieuwe antwoorden moeten worden gevonden. De woonverdunning, gevolg van de welvaart, leidde tot de noodzaak van stadsverdichting: naarmate de mensen per persoon meer woonruimte verlangen, moet je de woningen wel dichter bij elkaar zetten.
Stedenbouwkundig schoot het functionalisme te kort doordat het naliet herkenbare stedelijke accenten aan te brengen in de huizenzee. De antihiërarchische revolutie, de angst om «smoel» te tonen, heeft vooral in de stedenbouw veel kwaad gedaan. De grote verkeerswegen die de «grid», het raster, van de nieuwe stad vormen, kregen geen hiërarchisch accent, maar een te lage bebouwing die niet bij hun breedte past. De functiescheiding deed vergeten wat een wijk nodig heeft naast woningen: een school, een middelbare school, een bestuursgebouw, een politiepost en postkantoor, een gemeenschapshuis en een kerk.
Architectonisch faalde de Nieuwe Zakelijkheid doordat zij naliet een samenhangend stelsel herkenbare stijlkenmerken te scheppen, waardoor ze een overtuigende plaats in de stijlgeschiedenis had kunnen verwerven. De oppervlakkige toepassing van de uiterlijke kenmerken van het Nieuwe Bouwen leidde in de jaren zestig tot de imponeerarchitectuur: groot, glad, rechthoekig en koud. De efficiency in het ruimtegebruik, een programmapunt van de moderne beweging, was gewoon starheid. Er was in de woningen geen ruimte voor de overdaad aan opschik waar de mensen nu eenmaal van houden; en er was geen plaats voor nieuwe behoeften, zoals grammofoon, televisie en computer in de ooit zo goed doordachte plattegrond van zowel woning als kantoorgebouw.
Nieuwe normen en idealen deden hun intrede. We keken met nieuwe ogen naar Berlages Zuid, dat overal herkenbaar is in een altijd aanvoelbare structuur. In de jaren zeventig stelden bewonersgroepen tegenover het ideaal van de functiescheiding de eis van functiemenging; tegenover strokenbouw, doorzonwoning en open hoven stond de herleving van de straat met gesloten gevelwand in de negentiende-eeuwse wijken; tegenover de kale Nieuwe Zakelijkheid kwam de Amsterdamse School opnieuw in hoog aanzien. De wanhopige stadsgebruiker kan nu verzuchten: «De Amsterdamse School bouwde prachtige gevels voor ondoordachte plattegronden. De Nieuwe Zakelijkheid bouwde doordachte plattegronden achter saaie gevels. Willen de architecten eindelijk eens hun verstand op scherp stellen en mooie gevels combineren met bruikbare woningen?»
In het Oostelijk Havengebied werd in de jaren tachtig en negentig een nieuw stedelijk milieu gebouwd, voor het eerst zonder tuinstadgedachte. Hierbij werd het concept van eindplanning vervangen door dat van procesplanning, die beter op de veranderende behoeften kan inspelen. Er zijn wel stedenbouwkundige accenten in dit gebied, maar het zijn woontorens in plaats van openbare gebouwen. Laten we hopen dat IJburg, onze laatste kans, nu eens geen woonwoestijn wordt maar een echt gemengd milieu.