Wereldrevolutie: De communistische beweging van Marx tot Kim Jong Il

De droom van het communisme

Lenin en Trotski hebben, net als bijvoorbeeld posterheld Che Guevara, nog altijd het imago van romantische revolutio nairen.

Erik van Ree

Wereldrevolutie: De communistische be we ging van Marx tot Kim Jong Il

Mets & Schilt / Standaard Uitgeverij, 511 blz., e 39,90

Het communisme heeft het veel langer uitgehouden dan het nationaal-socialisme. Vandaar ook dat de geschiedschrijving van de eerstgenoemde totalitaire beweging, die trouwens in een aantal landen nog springlevend is, op het eerste gezicht behoorlijk achterloopt bij die van het regime dat in mei 1945 in het brandende Berlijn ten onder ging. Deels heeft dat, althans waar het gaat om de Sovjet-Unie en de Oostbloklanden, te maken met het feit dat de archieven daar pas vanaf 1989 zijn open gegaan. Ook lijkt het wel of de historiografie van dit soort bewegingen eerst een aantal fasen moet doorlopen alvorens zij evenwichtige en blijvend waar de volle boeken oplevert.

De eerste twee decennia na de on dergang van het Derde Rijk was er vooral veel aandacht voor Hitler, die meestal werd afgeschilderd als de verpersoonlijking van het Kwaad, als een op een onbewaakt moment uit de hel ge kro pen monster dat gruwelen had begaan die het menselijk bevattingsvermogen verre te boven gingen. Hoewel er toen reeds enorm veel serieus onderzoek werd gedaan, heeft het toch tientallen jaren geduurd eer er een afgewogen en genuanceerd beeld van het nazisme ontstond, waarbij zowel aan de persoonlijke als aan de structurele aspecten voldoende aandacht werd besteed.

Recente, ook in het Nederlands vertaalde, bestsellers als de Stalin-biografie van Simon Sebag Montefiorie en de Mao-biografie van Jung Chang en Jon Halliday lijken sterk op Hitler-bio grafieën uit de jaren vijftig. De hoofdpersonen worden afgeschilderd als monsters die werden omringd door een laffe kliek van machtswellustige en dikwijls perverse lakeien. Veel aandacht wordt besteed aan de aberraties en, al dan niet seksuele, excessen van de tirannen, terwijl hun ideologie en de structuur van het systeem ernstig onderbelicht blijven. Vergeleken met de ge schiedschrijving van het nazisme lijkt die van het communisme dus nog een Lange Mars te moeten afleggen.

Toch gaat deze vergelijking mank. Al ruim voor 1989 verschenen er uitstekende boeken over de Sovjet-Unie en China, die op basis van het toen be schikbare materiaal duidelijk maakten hoe onmenselijk en moorddadig die regimes waren. Het archiefmateriaal dat na de val van de Muur beschikbaar kwam heeft in het geval van de Russische dictatuur weliswaar tal van details aan het licht gebracht, het totaalbeeld is niet wezenlijk veranderd. Dat de terreur niet pas onder Stalin startte, bleek zonneklaar uit Marc Janssens dissertatie Een showproces onder Lenin (1982), terwijl iedereen die Solzjenitzyns Goelag Archipel had gelezen tien jaar eerder al was ingelicht.

Hoewel er wat allerlei aspecten van Stalins persoonlijkheid en bewind be treft veel interessant ma te riaal boven water is gekomen – en Erik van Ree drie jaar geleden het uitstekende The Political Thought of Joseph Stalin publiceerde – staat de grote Stalin-biografie van Adam Ulam uit 1973 nog steeds recht overeind. Rond diezelfde tijd publiceerde Robert Conquest zijn standaardwerk The Great Terror en ook over het rampzalige optreden van de Russen tijdens de Spaanse Burgeroorlog, de massamoord op Poolse officieren in Katyn, de gruwelijke wijze waarop de terugkerende Russische krijgsgevangenen werden behandeld, was voldoende literatuur voorhanden.

Iedereen kon het weten, maar velen wilden het niet horen. Vóór 1989 werd tweemaal een bloemlezing gepubliceerd van de verhalen die Varlam Sjalamov schreef over de kampen in Kolyma. Binnen de kortste keren belandden die in de ramsj. Pas de driemaal zo omvangrijke collectie verhalen die De Bezige Bij in 2000 op de markt bracht, bleek aan te slaan bij het publiek. Toch lijkt zelfs nu de belangstelling zich te beperken tot verhalen over de kampen en biografieën waarin de excessen van de grote leiders worden beschreven. Hierdoor hebben veel mensen nog nauwelijks een idee van wat het communisme was en blijft het onduidelijk waarom miljoenen men sen voor deze totalitaire beweging kozen, zodat deze lange tijd grote delen van de wereld in haar greep kon houden.

Daarom is het nieuwe boek van Erik van Ree zo welkom. Het biedt een helder en compact beeld van het communisme als wereldomspannende beweging en beperkt zich niet tot de Sovjet-Unie en China. Bovendien is, in tegenstelling tot de meeste boeken over het communis me, het grootste deel gewijd aan de periode na de dood van Stalin. Uiteraard moest ook Van Ree zich beperkingen op leggen, waarbij hij terecht heeft gekozen voor het criterium van de macht. Hij behandelt alleen die landen waar het communisme enige tijd een machts factor van betekenis was, zodat de communistische partijen van de VS en Groot-Brittannië buiten beschouwing blijven en ook aan de marginale CPN weinig woorden worden vuil gemaakt.

Van Ree begint zijn verhaal niet bij Marx en Engels maar bij Jan van Leiden en Bernd Knipperdolling, die in 1535 in Münster een radicaal egalitair schrik bewind vestigden waarin het geld was af geschaft en alle goederen gemeenschappelijk bezit waren. Hun geweld dadige communistische heilstaatje werd met geweld ten val gebracht, maar het idee van een samenleving waarin iedereen gelijk was en bezit geen rol speelde, bleef voortleven. Het was een van de stromingen die een rol speelden in wat Van Ree aanduidt als de Democratische Revolutie, de stormloop op het ancien régime van de door God uit verkoren vorsten, de kerkelijke hiërarchieën en een door de adel beheerst militair onderdrukkingsapparaat. Toen Marx en Engels het toneel betraden, bestond deze revolutionaire macht niet alleen uit communisten, maar tevens uit romantische nationalisten, jakobijnen, utopische socialisten, anarchisten, radicale liberalen en de eerste vakbonden.

Dat het communisme in de twintigste eeuw zoveel aanhangers kreeg, was volgens Van Ree niet te danken aan de heilsboodschap van Marx en Engels. Slechts de meest naïeve ziel kon geloven in het Rijk der Vrijheid waarin een eind was ge maakt aan bezit, geld, arbeidsverdeling, de staat, godsdienst, na ties en zelfs het gezin. Dat dit paradijs ook nog, als gevolg van de wetten der ge schiedenis, naturnotwendig zou ontstaan, deed wel een erg groot beroep op de goedgelovigheid van hun aanhangers. Marx’ meest geniale zet bestond er echter uit dat hij denkbeelden verbond met de veel bredere democratische revolutie. Ook in de twintigste eeuw zouden communisten overal toenadering zoeken tot massa bewegingen, of het nu ging om vakbonden, boerenbewegingen of nationalistische vrijheidsbewegingen. Als parasieten liftten de communisten mee op een veel grotere golf, in de hoop deze bewegingen naar hun hand te kunnen zetten en de ontketende massa’s het egalitaire paradijs in te loodsen. Het was de ironie van de geschiedenis dat overal waar deze democratische revolutie succesvol was, zoals in West-Europa, de communisten relatief machteloos waren.

Van Ree ruimt een aantal hardnekkige misverstanden uit de weg. Zo laat hij zien dat Marx en Engels helemaal niet hebben beweerd dat de revolutie alleen succesvol kon zijn in industrieel hoog ontwikkelde landen. Ook de door marx isten tot vervelens toe herhaalde bewering dat de denkbeelden van Marx niet utopisch waren, omdat hij immers had gezegd dat hij geen «Rezepte für die Garküche der Zukunft» wilde schrijven, is volgens Van Ree onjuist. Marx hield er wel degelijk een blauwdruk van een communistische samenleving op na.

En voor wie het nog altijd niet wist, benadrukt hij dat de ellende niet met Stalin is begonnen. Uitgebreid gaat hij in op het fanatisme van Lenin en Trotski, de «meesters van de angst» die onmiddellijk na hun machtsgreep in november 1917 opriepen «de sluisdeuren van het bloed open te zetten». In tegenstelling tot Stalin hebben beiden bij het grote publiek nog altijd het imago van romantische revolutionairen die in een strijd op leven en dood waren gewikkeld met het tsarisme en het imperialisme. Wellicht gingen zij soms te ver, maar moet je niet ver gaan om het ideaal van een betere wereld te realiseren? Kun je, om met Lenin te spreken, een omelet bakken zonder eieren te breken? Van Ree, die in zijn jonge jaren maoïst was, laat er geen misverstand over bestaan: «Welbeschouwd waren ook zij schoften, leiders van een politieke knokploeg. Zij genoten van de burgeroorlog die zij voerden. De Rode Terreur riepen ze uit omdat ze zich acteurs waanden in een fantastisch historisch drama.»

Lenin en Trotski hadden de toon gezet, waarop tal van andere communisten een afgrijselijk lied van onderdrukking en bloedvergieten componeerden. Bij Van Ree trekken ze voorbij in een schier eindeloze stoet, zoals de Tsjechische communist Gottwald, die zijn medeparlementariërs in 1929 uitlegde dat hij zo vaak naar Moskou reisde «om er te leren hoe we jullie de nek kunnen omdraaien». Ook de man die nog altijd gezien wordt als icoon van de romantische revolutionair, de on baatzuchtige idealist die ondanks zijn zwakke gezondheid tot het bittere einde ging, de ultieme posterheld Che Guevara, komt er bij Van Ree niet best af. Hij mocht dan hard zijn voor zichzelf, voor anderen was hij nog harder, en vermeende deserteurs executeerde hij bij voorkeur zelf. In plaats van een twintigste-eeuwse Jezus van Nazareth was hij een spijkerharde killer, een profeet van haat en oorlog. Volgens Van Ree was hij «de Bin Laden van het communisme, leider van een communistische Al-Qaida in wording», die de Nieuwe Mens van het communisme zelf omschreef als «een effectieve, gewelddadige, selectieve en koude moordmachine».

De meest angstaanjagende communisten waren niet potentaten als Tito en Ceausescu, die misbruik maakten van hun macht en zichzelf en hun familie mateloos verrijkten. Hun ijdelheid en hebzucht hebben nog iets menselijks. De ascetische fanatici daarentegen waren veel enger. Het meest berucht is natuurlijk de maniakale Pol Pot, die de Cambodjanen wilde transformeren tot machines en die zelfs woorden als «kleurig», «schoonheid» en «comfort» verbood. Maar ook de leider van de Peruaanse beweging Lichtend Pad, Abimael Guzmán, wist van wanten. Niet alleen liet hij, toen hij duidelijk wilde maken dat de Chinese leider Deng Xiaoping een «hondenzoon» was, in Lima honden aan straatlantaarns op hangen, ook riep hij zijn partijgenoten op «door een rivier van bloed te waden» en zoveel mogelijk militairen, politiemensen, leraren, vakbondsleiders, ontwikkelingswerkers, priesters en nonnen te vermoorden, als het even kon op de meest gruwelijke wijze.

Uiteraard besteedt Van Ree aandacht aan de man die hij vroeger vereerde als de Grote Roerganger. Volgens hem was Mao Zedong niet alleen beïnvloed door het marxistisch-leninis tisch machtsdenken, maar had hij tevens «een tik van de anarchistische molen». Hij flirtte met de chaos en ge bruikte vaak de ontketende massa’s om de noodzakelijke terreur uit te oefenen. Het bolsjewistische voluntarisme dreef hij op de spits en hij propageerde de «verachting van het verleden en blind geloof in de toekomst». Aan de om standigheden had hij geen boodschap, pure wilskracht voldeed om het ideaal te verwezenlijken, wat resulteerde in hongersnoden die tientallen miljoenen Chinezen het leven kostten.

Wanneer hij probeert te verklaren waarom het communisme in bepaalde delen van de wereld veel succesvoller was dan in andere wijst Van Ree op de rol die de politieke traditie van een land speelt. Rusland, China en Cambodja waren altijd autocratisch geregeerd geweest, wat niet bevorderlijk was voor een democratische ontwikkeling. Ook religieuze tradities hadden volgens hem een funeste invloed. De Russisch-orthodoxe kerk had een voorkeur voor «geloofsconsensus», wat conformisme bevorderde. De confucianis ten dweepten met autoriteit en loyaliteit, terwijl het boeddhistische streven om het ego op te lossen ook al geen tegenwicht bood aan het collectivistische karakter van het communisme.

Toch waarschuwt Van Ree het «marx istische straatje niet te gemakkelijk schoon te vegen». Het probleem werd volgens hem in belangrijke mate veroorzaakt door het feit dat het marxisme een ontwikkeld rechtsgevoel ontbeerde. In navolging van Marx en Engels staken communisten graag de draak met het moralisme van anderen. Goed en kwaad bestonden in hun ogen eigenlijk niet, alleen klassenbelang. Goed was dat wat hun streven bevorderde, kwaad was alles wat een hindernis kon vormen. Mo raal en tactiek vielen volledig samen, zodat geweld altijd gerechtvaardigd was.

Blijft over de vraag waarom veel mensen zich aangetrokken hebben ge voeld tot deze onmenselijke beweging. Het is tegenwoordig mode om de Verlichting overal de schuld van te geven, en sommige critici wijzen erop dat het universalisme, materialisme, rationalisme, kortom het abstracte denken van de Verlichting en het geloof in de volmaakte mens en maatschappij, schuldig zijn aan de opkomst van het communisme. Hier valt iets voor te zeggen, maar alleen als je er een ander product van de Verlichting bij betrekt: de beweging die ontstond in reactie op het Verlichtingsdenken, de Romantiek. In het beeld dat Van Ree van het communisme schetst spelen niet alleen irrationalisme, de verering van het in stinct, de bakoenistische «Lust zur Zerstörung» een rol, ook word je steeds geconfronteerd met een fenomeen waarmee juist tijdens de Romantiek zo werd gedweept: de Droom. Het communisme verwees vaak naar die rode droom van een volmaakte samenleving en deed voortdurend een beroep op romantische sentimenten. Mao’s Lange Mars, het portret van Che, de operetteachtige foto’s van de Russische Revolutie waarop flamboyant geklede revolutionairen met vlaggen en geweren poseren – pure romantiek. Wat die foto’s van Russische revolutionairen betreft: toen Karel van het Reve zich afvroeg waar die vrachtwagens eigenlijk steeds naartoe reden, ontstak een recensent in De Groene Amsterdammer in woede. Nuchterheid, de neiging tot relativeren, het stellen van vragen: dat is funest voor de romantische droom van het communisme. Toen die droom verbleekte, was het ook voorbij. Van Ree laat duidelijk zien dat de Sovjet-Unie onder Gorbatsjov niet noodzakelijkerwijs moest instorten. Wanneer de dictator had vastgehouden aan de rode droom, wanneer hij genadeloos zijn macht had gebruikt, had hij het nog heel lang kunnen uitzingen. Illustratief is vooral de reactie van Honnecker toen het Politburo van de SED niet akkoord ging met zijn voorstel tanks te sturen naar de demonstranten in Leipzig: «Nou, dan niet.» De droom, die voor miljoenen mensen uitliep op een nachtmerrie, was vervlogen en had het moeten afleggen tegen de feiten.

Wereldrevolutie van Erik van Ree is in de loop van volgende week verkrijgbaar