De droom van orde te kijk gezet

Hans van der Meer
Achterland
De Verbeelding, 78 blz., € 16,90

In de grachtengordel van discussiërend Nederland doet momenteel een merkwaardig idee de ronde: dat van een Nederlandse «leidcultuur». Men spreekt zonder ironie van Verlichting en joods-christelijke traditie, vrijheid van meningsuiting en tolerantie, alsof we louter in ideeën leven die zijn verpakt in zeventiende-eeuwse patriciërswoningen. Ik vraag me af of de verlichtingsgodsdienstigen weleens voorbij de grenzen van hun ideeënstrijd kijken. Niet in de geïslamiseerde tuinsteden die de grachtengordel omsluiten, maar daar weer voorbij, waar Nederland nog echt is, puur en onaangeraakt door het vreemde, daar waar de Nederlandse leidcultuur er niet een van grote woorden is, maar geconcretiseerd in een ruimtelijk geordend Holland. Daar kunnen zij zien waar onze leidcultuur toe leidt.

Fotograaf Hans van der Meer trok in de zomer van 2004 door dit echte Nederland. Voor NRC Handelsblad keek hij rond in «het achterland», dat wat we vroeger wel «de provincie» noemden, en vroeg zich af: «Is dit ons land? Zijn wij dit?» Zijn observaties kunnen worden bekeken als een eerste aanzet om de Nederlandse leidcultuur in kaart te brengen. Toon me uw huizen, gazonnetjes, pleinen en bedrijventerreinen, en ik vertel u wie u bent.

Wat opdoemt in de nu in Achterland gebundelde foto’s en stukjes is een Holland dat zijn omgeving ad absurdum probeert te ordenen. Alles keurig recht en symmetrisch, aangeharkt en bijgepunt, ieder grassprietje gekortwiekt door «zitmaaiers» of, in goed Duits, Rasentrimmers. Terrassen gevuld met plastic tuinmeubels, pleintjes aangekleed met zitvijandig stadsmeubilair, straten afgezet met antiparkeerobstakels (een woord dat alleen een ambtenaar met droge ogen durft op te schrijven) en verkeersobstakels, die een eenvoudig autoritje al snel tot een autorally maken. Door de geëgaliseerde en verkavelde velden kruipen «ijsbergslaoogstmachines» en aan de rand van onze landerijen bouwen we retro-huizen, zeg maar namaak-patriciërs woningen, alleen een maatje kleiner. Als wij, Nederlanders, dit zijn – en ik denk dat wij dit zijn – wat moeten we daar dan van denken? Dat we een onuitstaanbaar volkje van poetsers zijn met een onwankelbaar geloof in een maakbare wereld. !
En waar heeft dat toe geleid? Tot een genivelleerd landschap, waar ieder dorp zijn eigen koopgootje met Hema en Blokker, gelijk aan overal elders, heeft. En iedere weg opgebroken wordt met identieke rotondes en verkeersdrempels omdat een eenvoudig verbodsbord niet meer werkt. Alles in goede banen geleid, alles gelijk geschakeld.

Je hoeft maar een paar etappes van het Pieterpad te lopen om te weten hoe herkenbaar dit beeld is. En hoe deprimerend. Tegelijkertijd, en daar doemt mijn eigen Hollands chauvinisme al op, heeft het ook zijn charmes. Als je het tenminste niet al te serieus neemt.

Van der Meer is er de fotograaf niet naar om dit Nederland zonder compassie vast te leggen. Zijn Hollandse velden, foto’s van amateurvoetbalvelden en hun Hollandse bespelers, hebben hem inmiddels internationale vermaard heid gegeven. In die voetbalfoto’s wist hij al liefdevol de relatie tussen ons Hollandse landschap en de troosteloosheid van Hollands voetbalvertier te portretteren. Als geen andere fotograaf beheerst hij de techniek om de Nederlandse horizon als een streep door zijn foto’s te trekken. Het vlakke land, waarvan de witomlijnde voetbalvelden een microkosmos zijn, is zijn terrein. Er moet daarin dus ook iets zijn wat hem aantrekt, hem steeds weer erop uit doet trekken.

In de ordentelijkheid van de Nederlandse voetbalvelden waren dat de voetballers. De tragikomische bierbuikjes, de eenzame keeper die een bal uit een sloot vist, de geblesseerden die zich aanstellen als een Italiaanse prof, de kakofonie van shirtjes en rugnummers, de verkleumde toeschouwers in de winderige vlakte. En dat alles tegen de achtergrond van mathematisch geordende populieren, kaarsrechte slo ten, bakstenen verenigingsgebouwtjes. In dat samenspel van een geordend landschap met zijn slordige, branievolle (voetballende) bewoners tekent zich de vergeefsheid van de Nederlandse droom van orde en maakbaarheid af – melancholie over zoveel streven en de onvermijdelijke mislukking daarvan ligt opgesloten in iedere foto van Hollandse velden.

Het zijn dus juist de tekens die de Hollandse orde im Frage stellen die Van der Meer naar zijn fototoestel doen grijpen. In Achterland zijn dat een illegale geit grazend in de berm van een wegafslag, een schaap op zijn rug in een Texels weiland, een roestige container waarop het «N.K. Buikglijden» wordt geafficheerd, drie koeien van plastic in een rozenperkje, twee koutende dames op hun scootmobiel op een Hollands dijkje, of een onbruikbaar design fietsenrek voor een Sociaal Cultureel Centrum. We kunnen nog zo proberen ons land door middel van gemeentelijke of provinciale «horizonnotities» millimeter voor millimeter in te richten, er zal altijd iets zijn wat de immer vlijtige ambtenaren en politici ontglipt. Er zal altijd een moment komen waarop de droom van orde en netheid even te kijk wordt gezet. Juist op die momenten arriveert Van der Meer om het fotografisch vast te leggen. En toont hij zijn compassie met ons immer streven.

Toch is er ten opzichte van Hollandse velden een belangrijke accentverschuiving. De glimlach lijkt een grimlach geworden, deernis maakt plaats voor voorzichtig geformuleerde irritatie. Alsof er in de jaren na de voetbalfoto’s meer op het spel is komen te staan. Zou dat met die leidcultuur te maken hebben? Is er een grens overschreden? Is het moeilijker geworden om de incongruenties te vinden, de momenten die de orde op zijn kop zetten? Dreigt de gelijkschakeling definitief te overwinnen? Buiten de van schotelantennes vergeven tuinsteden natuurlijk, het Holland dat geen Holland mag heten.

De irritatie over wie we zijn en hoe we dat aankleden, klinkt in Achterland vooral door in de stukjes die Van der Meer bij zijn foto’s schreef. Ook als schrijver is hij vooral kijker. Zo kijkt hij graag naar de woorden die de Nederlandse taal zijn binnengeslopen om ieder conflict in eufemismen te laten verdrinken: milieuvriendelijk mobiliteitsmanagement, jongerenontmoetingsplaats, stadsbeeldverfraaiing. Zoals hij het Nederlandse landschap leest, zo leest hij ook de teksten die daarover worden geproduceerd. Uit het verslag van een vergadering over de herinrichting van het Julianaplein te Gendt citeert hij: «Op het nieuw in te richten plein is behoefte aan een verticaal element. Daarmee wordt er een spanningsveld gecreëerd tussen de horizontale uitgestrektheid van het plein en een in contrast daarmee staand verticaal object.» Ook in de taal klinkt het geloof in maakbaarheid en orde door. Gendt heeft er een vlam van baksteen mee verworven.

Maar waar een fotograaf nog kan zeggen dat hij alleen maar toont, daar moet de schrijver zich uitspreken. Bij een foto van een klein grindveldje met vier houten, pijnlijk haaks bij elkaar geplaatste zitbanken voor de grijze muur van een bedrijfsgebouw in Haaksbergen, noteert Van der Meer: «Het is een opstelling die Japans aandoet, hoewel. Wij overtreffen Japanners in de dwangmatigheid waarmee wij onze omgeving inrichten. Waarom geven dit soort esthetische opvattingen juist in ons land zo’n benauwend gevoel? Omdat we het overdrijven.» Observatie wordt hier mening en waar de foto nog mededogen zou kunnen oproepen («och, wat zijn we toch ordentelijk»), daar kan de schrijver Van der Meer niet verhullen dat zijn irritatiegraad bij voortduring wordt overschreden.

Herkenbaar? Waarom blijven we ons land dan op deze manier inrichten? Omdat, zo stelt Van der Meer, we «onder het mom van esthetiek Ordnung aanbrengen. Dat simpele idee dat als alles netjes recht staat de wereld op orde is.»

En passant raakt Van der Meer toch ook nog even die andere, verontrustende samenleving. In Stadskanaal sleutelt een Iranese vluchteling aan zijn Amica, een brommerautootje waarin we vooral invaliden zien rondrijden. Van der Meer: «Bij wet is bepaald dat mensen met een W-document (voor asielzoekers) en mensen met een verlopen A- tot en met F-vreemdelingendocument geen aanspraak kunnen maken op een rijbewijs. Maar een brommercertificaat halen mag gek genoeg wel. De redenering van onze overheid is blijkbaar als volgt: mensen met een tijdelijke status mogen zich in alle vrijheid door ons land verplaatsen, maar niet te snel.» En dan sluit Van der Meer zijn stukje af met: «Vorig jaar zijn ze ermee naar vrienden gereden in Utrecht. Een afstand van ruim tweehonderd kilometer over binnenwegen. Ze deden er zeven uur over.» Wat een prachtig idee voor een speelfilm, bij voorkeur op te pikken door de makers van Shouf Shouf Habibi! die na de moord op Van Gogh zich niet langer vrol!
ijk willen maken over onze Marokkaanse subcultuur. Een tochtje van zeven uur in een Amica bestuurd door een Iranese asielzoeker, langs de echt existerende Nederlandse leidcultuur: hoeveel hilarische momen ten zou dat niet kunnen opleveren?

Het zou met eenzelfde achteloosheid moeten worden gefilmd als de foto’s en stukjes van Van der Meer uitstralen. Degenen die fotograferen en schrijven begrijpen hoeveel werk dat vereist.