De droomlogica van het voetbal

Voetbal gaat over mogelijkheidszin. Een essay over de dromen van een vader, de linkspoot van zijn zoon en de patafysica van Cruijff.

HET BEGINT BIJ DE droom van de jonge vader die zijn kind, als het nog in de wieg ligt, een bal schenkt. De bal is zo groot dat het babylichaam er bijna door wordt verpletterd.
Zoals er boekenwurmen zijn die genieten van de geur van goud op snee en de specifieke warme geurtonen van de kinderserie Oud goud voor eeuwig zullen herkennen, zo onderscheidt de voetballer de geur van ballen: leer in allerlei kwaliteiten, rubber, plastic, de warme, roezige beharing van de ouderwetse tennisbal.
Als een baby niet tijdig kennismaakt met dit heelal van mogelijkheden kan een vader zijn droom wel vergeten, dan is zijn leven voorgoed voorbij. Voor een vader is het de eerste stap van een kind: van de borst van de moeder naar de bal van de vader. Het eigenlijke werk begint als het kind voor het eerst op zijn beide beentjes staat, zich onhandig vastgrijpend aan de salontafel. Het is zaak onmiddellijk te onderzoeken of je te maken hebt met een tweebenige speler of met een specifieke linkspoot. Duidelijk is dat een rechtspoot de minste garantie is voor succes. Het woord bestaat niet eens.
Een rechtspoot mist een been (het linker), terwijl een linkspoot er een extra lijkt te hebben (het linker). Door een gril van het lot heeft een linkspoot als het ware een gekwadrateerde waarde: het is een gift van God. Net als stotteraars komen linkspoten op de meest onverwachte momenten met iets aardigs uit de hoek van het veld. Het is niet toevallig dat linksbenigen vroeger - ik spreek over zo'n veertig jaar geleden - als onbruikbare spelers werden aangemerkt en op de linkerkant van het terrein werden geposteerd, daar waar de minste schade kon worden aangericht. In die tijd was men nog onvoldoende in staat om de verstrooidheid, de onberekenbaarheid van het linkerbeen te waarderen. De linksbenige is bijna per definitie een dromer op een plek die voorheen inderdaad als een uithoek werd beschouwd - alsof niet ieder punt op het veld centrum en periferie kan zijn. Sommigen zeggen dat het centrum van het veld daar is waar de bal is. Andere, meer verfijnde zielen beschouwen de plek waar de bal zou moeten zijn of komen als het centrum.
SOMS DROOMT DE linkspoot dat hij meedoet en dan gebeuren de meest vreemde dingen. Hij maakt namelijk droomgebaren, hij voert bewegingen uit die anderen zich verkneukelend in bed maken en waarvoor ze op het eigenlijke moment, op het voetbalveld, te weinig lef en ontspanning bezitten. De linkspoot is net zo laf als een rechtspoot, met dit verschil dat de rechtspoot zich altijd bewust is van zijn aanwezigheid, terwijl de linkspoot profiteert van zijn relatieve afwezigheid. Afwezig, dromerig glipt hij tussen de linies door of speelt hij de bal achter zijn standbeen langs, dat met recht een standbeen wordt genoemd, want verder kan een linkspoot er niets mee. Ook dit is een verschil tussen linkspoten en rechtspoten. Een linkspoot is zelden of nooit tweebenig. Hij behandelt zijn rechterbeen als een slaaf, een onderdaan. Het rechterbeen is de onderbouw waar de bovenbouw van de kunsten op kan zetelen. Een goed linkerbeen is een roesmiddel, opium voor het volk.
Dit alles overweegt een jonge vader als hij de plastic bal voor de eerste maal naar zijn kind schopt, zo dat die voor de in wol gehulde voetjes stil komt te liggen. Zal dit wollige mannetje een fluwelen trap bezitten?
Vervolgens maakt vader een aantal bizarre, trappende bewegingen in het luchtledige. ‘Doe dan’, zegt hij.
Het kind valt echter achterover op zijn door dikke luiers beschermde achterste. Het schijnt te besluiten dat hij vandaag voldoende heeft gestaan. Voorlopig heeft hij twee benen die beide even onhandelbaar zijn en een lichaam dat nog slechts speelbal is van de zwaartekracht.
Hoofdschuddend verlaat vader de kamer, zoals hij af en toe voortijdig de tribune verlaat als zijn club een dramatische wedstrijd speelt. Vader is geen fan door dik en dun. Sommige dingen kan hij niet aanzien. Alleen al daarom is hij nooit supporter van Feyenoord geworden. Vader kan slechts ondersteunen wat vanzelf overeind blijft. Zoals bij een verhuizing: als twee sterke lui een koelkast de trap opdragen en jij voor de vorm ook een hoekje vasthoudt. Van dat soort supporters waren er miljoenen in 1988, toen Nederland Europees kampioen werd.
Vader is niet zozeer teleurgesteld, maar wel wordt hij geteisterd door bange vermoedens. Eigenlijk vreest hij dat zijn zoon een echt kind van zijn vader is.
De volgende dagen herhaalt zich dit patroon. Steeds weer wordt het kind gemaand zijn beentjes uit te trappen. Ook gooit vader de bal met enige regelmaat tegen het hoofd van het kind. Waarbij het lijkt of de bal het hoofdje wegkopt.
Soms gaat een bal zekerder door de wereld dan een hoofd op een romp. Ooit hing er, heel statig zoals het hoofd van God, een luchtballon boven de guillotine in Parijs terwijl de hoofden in een mand met stro tuimelden. Die paradox was menigeen te veel.
'Hij huilt in elk geval niet’, zegt vader.
Daarvoor is het kind te verwonderd.
ZELF LEERDE VADER het spel op het schoolplein met een tennisbal die telkens weer achter het fietsenhok tussen de brandnetels verdween. Om die reden hadden alle jongens van zijn klas elke dag rode vlekken op de beentjes en jeuk tussen kniekousen en korte broek. Vader denkt nu nog steeds dat wie wil uitblinken, pijn moet lijden. Hij gelooft hardnekkig in pijngrenzen die altijd weer moeten worden overschreden. Soms, op zijn lange hardlooptochten door het polderland, denkt hij dat hij de snelheid van het geluid nadert en dat hij die barriere met een ontzaglijke knal gaat doorbreken. Pijnloos. Hij gelooft dat hij zichzelf voorbij kan komen. Vader houdt ervan met kracht te smijten. Soms bekruipt hem het gevoel dat hij steeds meer kracht ontwikkelt door almaar harder te gaan lopen. Zoals een perpetuum mobile dat zijn eigen beweging schept, gratis. Heel listig heeft hij een techniek ontwikkeld om het lichaam te vergeten, het al rennende in slaap te sussen. Dan schept hij een kracht die zich niet verliest, maar zich verdubbelt, een verschrikkelijke kracht die altijd slechts enkele minuten duurt.
Wat makkelijk gaat, verveelt hem. Alles wat hem bezwaart, tegenhoudt of ketent, helpt hem vooruit. Vader houdt van tegenwind. Hij verfoeit lieden die altijd zeuren als ze tegenwind hebben en nooit de dag prijzen dat ze de wind mee hebben. Zoals de intelligentie een ding is als honger en dorst die moet worden gestild, zo wil het lichaam zich aan zichzelf te buiten gaan.
Daarom heeft vader een kind.
ALS DE INMIDDELS een jaar oude jongeman voor het eerst een schoppende beweging maakt en zelfs de bal raakt, maakt de richting aanvankelijk niet zoveel uit. Als de bal, tegelijk seismograaf waarmee het talent wordt gemeten, maar met enige vaart door de kamer gaat.
'Pas je op voor het porselein’, roept moeder.
'Denk je dat mijn zoon…’ begint vader.
'Ja ja’, zegt moeder.
Later zal het kind moeten leren de bal recht vooruit te trappen. Dat is al weer heel iets anders dan schoppen. Trappen, met de binnenkant van de voet. Maar in dit eerste stadium is het al een heerlijkheid als de bal wordt bewogen. Bij elke beweging zingt de ziel van vader.
Vader is wereldkampioen op een parcours in het polderland. Hij is de beste van de wereld op dat parcours. Hij kent elke hobbel, elke lantarenpaal. Hij heeft geen tegenstander dan zichzelf, maar hij kent geen geduchter tegenstander.
Sinds vader door ergerlijke blessures niet meer kan voetballen, rent hij. Hij rent zoals die knecht, de hardloper van baron Von Munchhausen die flessen Tokayer moest halen om het leven van zijn heer te redden. De sultan van Turkije wilde de Tokayer binnen een uur op zijn tafel hebben, anders zou hij de baron laten onthoofden. Dus rende de hardloper als de ziedende wind de paar duizend kilometer, van Konstantinopel naar Wenen en terug, terwijl hij die spiritualien droeg. Zoals die hardloper draagt vader zijn geest, zijn spiritus, die zich laaft aan de wind. Elke stap maakt hem lichter en vrolijker. Verstrooider dan een linksbuiten.
Een vader kent veel emoties. De geboorte van een kind is al heel wat. Bij kinderziekten maakt vader zich zorgen. Maar alles staat of valt bij de bal.
Geen groter verdriet dan als het kind weigert de bal een trap te geven, begint te huilen. Of op zijn hurken gaat zitten en de bal in zijn handjes pakt.
'Nee, dat mag niet’, zegt vader.
Met hetzelfde mengsel van verbijstering en godvergeten zekerheid waarmee geestelijken het immens brede palet van onkuisheden verbieden.
Hoezo mag dat niet? Op handen rust een verbod. Handen zijn om mee te schrijven, om later iemand mee te strelen wellicht. Instrumenten van pennelikkers en minnaars. Handen die een bal aanraken, begaan een overtreding. Nog niet eens zozeer tegen de regels van het edele spel. Ze overtreden de grenzen van het verlangen, van de droom van een vader die zelf nooit verder is gekomen dan de vierde klasse KNVB. Of nog erger. De droom dat het met zijn zoon anders zou lopen.
Een kind dat de bal in zijn handjes pakt, wordt aanvankelijk nog aardig bejegend, maar gebeurt dit bij herhaling dan heeft vader redenen om verontrust te raken: het kind verliest voor hem aan mannelijkheid. Een mannelijkheid die toch hoogst aangeboren is. Hij heeft die er immers zelf ingestopt. Alle gunstige eigenschappen zijn aanwezig, want hij heeft die zelf bedacht in een daad van opperste creativiteit. Hij heeft van zijn zoon, vlees van zijn vlees, een wereldvoetballer gemaakt. Het kind hoeft het alleen nog maar uit te voeren, zoals een danser het ballet van een choreograaf. Alle mogelijkheden zijn er, alle lijnen en tierelantijnen zijn uitgestippeld. Voor een omhaal hoeft vader slechts de ogen dicht te doen. Er is niets aan het toeval overgelaten.
DIT ALLES BEDENKT een vader als hij de bal voor de eerste maal naar zijn kind trapt. Wat zal het kind doen? Het wordt stil in de kamer, zoals bij de Consecratie in de kerk. Op dit moment worden werelden geschapen en verwoest. Deelt het kind zijn oneindig deelbare talent met de wereld en zal het zich voorgoed blijven delen op miljarden televisieschermen? Zal het kind de bal volgens de regelen der kunst, de stenen tafelen van het heilige verbond, een trap geven? Zal hij voor de rest van zijn leven aan de borst liggen van de tiende muze: het voetbal? Op haar handen worden gedragen en zo door de wereld schrijden?
Het kind kijkt naar de bal, naar het verwachtingsvolle gezicht van zijn vader. Het kind aarzelt en steekt een duim in zijn mond. Het draait zich om en dribbelt naar de keuken waar moeder iets moederlijks met hem doet. Het kind, het dribbelt wel, denkt vader, maar het moet dribbelen met de bal.
'Kom hier’, roept hij. 'Hierkomen. Je moet de bal een schop geven. Zo. Met je voet. Geef de bal een schop. Schop. Schop.’
Het kind kijkt toe hoe vader als een bezetene zijn been heen en weer beweegt. Het begint te huilen.
'Vrouw. Wat is dit voor een kind.’
'Toe nou. Laat dat kind toch met rust.’
'Ja, dat zal ik zeker doen.’
Ontgoocheld loopt vader de kamer uit, met in zijn hoofd de flarden van zijn laatste jongensdroom. Hij voelt zich plotseling oud.
ALS ZO'N VADER zijn zoon later toch ziet spelen, zijn er twee mogelijkheden. Ofwel de jongen overtreft de vader - in dat geval ziet de vader zichzelf in zijn beste momenten, zijn zonkant. De zoon is het ideale verlengstuk van de vader, waarmee hij de meest eigenzinnige bewegingen uitvoert. Ofwel de jongen speelt minder dan de vader - dan ziet de vader zichzelf in zijn slechte momenten, zijn schaduwzijde. Dat wil zeggen: hij ziet nooit zichzelf en evenmin zijn zoon.
Zo oefent een kind op de snoekduik van Bakhuys, op de omhaal van Van Basten, op de schaar van Piet Keizer, op de stift van Bergkamp, op de dribbel van Vanenburg, op de onverzettelijkheid van Israel, op de sleepbeweging van …, op de pass van … Voetbal is oefenen op iets van iemand anders. Het bedrijven van fictie met jezelf. Het je eigen maken van dromen.
Voetbal is de staat van dromen, dat is een ijzeren logica. Voetbal bevindt zich aan gene zijde van de werkelijkheid. Vandaar de termen droomvoetbal en droomdoelpunt.
Een droomdoelpunt is een onmogelijke goal scoren te midden van honderdduizend mensen. Een doelpunt dat normaal slechts in dagdromen wordt gemaakt, of in het zevende elftal van de SV Haaksbergen om tien uur ’s ochtends voor een publiek van koeien en paarden aan de overzijde van het hek. Als het gras nog nat is van de dauw. Als de noppen over de tegels naar het veld zijn gekrast, dat ook grasland zou kunnen heten. Een waterig zonnetje achter de kerk waarvan de klokken luiden. En ver weg oude vrouwen die in de richting van de kerk schuifelen, gehuld in hun eigen dromen.
Hier wordt gevoetbald. Hier worden de bewegingen gezocht die in de richting komen van die droomgebaren van de slaap. De souplesse, de optimale beweging waarin alles op zijn plaats is, geolied door de drank van gisteravond. Tegen het achtste elftal van SC Joppe. Precisie in haar meest flexibele gedaante. Doelgerichtheid = concentratie + snelheid + verstrooidheid.
Kinderen en vaders kennen deze droom. Vandaar de AFC'ers. Vandaar de heroiek van voetbalstrips. Vandaar de voetbalplaatjes.
IK WED DAT DE voetballers van de jaren zestig ze zelf nog spaarden. Ik wed dat Eddy Achterberg en Nonne de Wit als eersten bij de sigarenhandelaar stonden, ’s morgens om negen uur als de luifel werd neergelaten, om te kijken of ze in zo'n zakje met zeven geurende voetbalplaatjes zaten.
Zo klonk het elke dag op het schoolplein als je je stapel doornam met je vriendjes in een poging je plaatsjesboek compleet te krijgen: 'Heb ik al. Heb ik al. Heb ik al. Heb ik al. Heb ik al.’ Op jacht naar dat ene plaatje dat je nog miste, van Henk Wery of Co Adriaanse.
En dan de glimlach op het gezicht van Eddy Achterberg toen hij zichzelf aantrof in zo'n zakje: voorgoed een plaats in zijn eigen jongensdroom.
Ik wed dat Johan Cruijff nooit zo'n zakje heeft gekocht. Hij gelooft niet in dromen. Voor hem is alles logica, harde werkelijkheid omgezet in harde guldens. 'Kijk, voetbal is een simpel spelletje. Voetbal is logica’, zegt Cruijff. Voor Cruijff is de droom het logische gevolg 'van een totaliteit, van letten op de details’.
Voor de meesten is de droom het uitvergroten van het ontbrekende, het in de verbeelding tot in de hoogste staat van perfectie uitvoeren van wat men niet kan. De droomstaat van Cruijff is het tot op het bot vieren van de mogelijkheden van de werkelijkheid. Droom en mogelijkheidszin zijn twee heel verschillende dingen.
Cruijff zal ook nooit hebben gedroomd van de talenten van zijn zoon. Als Salvador van de Basken, als ridder en held van de Nederlanden heeft hij die droom ook nooit nodig gehad. Zijn zoon is geen verlengstuk, zijn zoon vertegenwoordigt niet de vader, verdoezelt niet diens gebreken. Want Cruijff ontbrak niets. Waar hij stond of waar hij de bal heenstuurde, was het centrum van het veld. Hij was tweebenig, maar had de onberekenbaarheid van een linkspoot. Hij hing als een luchtballon boven het slagveld, klaar voor de klap van de guillotine. Als voetballer was Cruijff een boeddhistische monnik, het eeuwig leven vindend in het hier en nu.
Als coach gaat hij nog een stap verder, zonder het te weten is hij 'patafysicus’. De patafysica is de wetenschap van de denkbeeldige oplossingen, die op symbolische wijze aan schetsen de eigenschappen toekent van de door hun schijn beschreven objecten. Het eerste deel van deze definitie is perfect van toepassing op de door Cruijff voorgestane spelopvatting die letterlijk van een andere planeet lijkt. Want Cruijff kijkt niet naar waar de bal is, hoe zijn ploeg de aanval opbouwt en scoort. Hij is al minutenlang bezig met een halsbrekende situatie na het doelpunt, waarvoor hij zijn maatregelen al wil treffen. Terwijl zijn mannen nog moeten scoren, dirigeert hij ze al naar plaatsen voor na de aftrap.
Dit is de meest opzienbarende voetbaldroom. Cruijff leeft niet langer in het heden, maar maakt zich gereed voor een heel precies moment in de toekomst. Voetbal is meer en meer vooruitzien geworden, vindt Cruijff. Men zal hem dan ook nooit zien juichen bij een doelpunt, zoals hij vroeger, toen hij nog speelde, opsprong en soms minutenlang bleef hangen in het licht. Door acties in de toekomst voor te zijn, voorkomt Cruijff ze; dit impliceert evenwel een andere toekomst die op haar beurt moet worden bezworen. Het oplossen van deze paradoxen vereist zoveel denkwerk dat Cruijff geen tijd heeft voor doelpunten van zijn eigen ploeg.
Daarom is het jammer dat Cruijff niet naar de Wereldkampioenschappen gaat. Er moeten zonen zijn en vaders op de tribune die dromen van alles wat mogelijk en onmogelijk is. Er moet vervoering zijn van miljoenen geesten die los komen van de grond. En dan, het moet gezegd, benadert de logica van Cruijff het dichtst de dromerigheid van vaders en linksbuitens: het is net alsof hij met een andere wedstrijd bezig is die gelijktijdig en op dezelfde plek wordt gespeeld maar toch in een andere dimensie. Zo kan het gebeuren dat een wedstrijd uitmondt in 6-3 die ook in een bloedeloze brilstand had kunnen eindigen. Cruijff zegt niet zomaar dat zijn ploeg eigenlijk beter was als hij met 4-0 heeft verloren.
Daarom, ik herhaal het, is het jammer dat Cruijff niet naar de Wereldkampioenschappen gaat. Met Cruijff als coach zie je niet een wedstrijd, maar een hele serie mogelijke wedstrijden tegelijkertijd. Dat is dromen in het groot en in het openbaar, met ons op de tribune als de collega-dromers van de Messias.