De drugsbrief

Korte samenvatting: Een stel grachtengordelintellectuelen, onder wie ikzelf (het woord grachtengordel wordt altijd als scheldwoord gebruikt, terwijl ik er juist trots op ben; je zal maar horen dat je een Almere-intellectueel bent, of een Wezup-yup) een aantal grachtengordelintellectuelen dus, ondertekende een brief waarin zij zich uitspraken voor de legalisering van drugs. Onder die brief stonden namen van onder anderen Kees van Kooten en Hanneke Groenteman, plus een stel psychiaters.

Harddrugs, intellectuelen - ik dacht: toch eens kijken wat NRC Handelsblad hierover schrijft.
Helemaal niets.
Is zo'n brief, men spreekt wel van een ‘coming out’, geen nieuws? Wanneer in Amerika Bill Cosby zou verklaren dat hij voor de legalisering van harddrugs is, zouden daar alle kranten vol van staan en elke talkshow zou er over bericht hebben.
De gezaghebbendste krant van Nederland schrijft niets.
Dat is een journalistieke blunder.
Ons drugsbeleid beïnvloedt het beleid in Europa; de meeste problemen die Nederland met de ons omringende landen heeft, gaan over die drugs. Wanneer vervolgens de meest gezaghebbende krant, die ook in het buitenland wordt gelezen, niet meldt dat een aantal journalisten, kunstenaars en wetenschappers voor de legalisering van harddrugs zijn, dan lever je een bekrompen journalistiek produkt. Dan ben je weer de provinciale kerkbode die niet meldt dat de plaatselijke pastoor is opgepakt wegens pedofilie, omdat de lezers dat niet mogen weten.
Iets anders is dit: hoewel ik volkomen achter die brief sta, gebruik ik zelf niet (meer.) Ik durf niet. Ik ben behoorlijk labiel en vecht tegen overmatig alcohol- en tabakgebruik. Gebruik ik coke, dan denk ik dat de CIA achter me aan zit.
Mensen die zeggen dat ze door het gebruik van XTC of lsd geil of gelukkig worden, wantrouw ik ook.
Als ik geil ben, zou ik niet weten hoe ik geiler moest worden dan ik al ben. Eigenlijk ben ik altijd wel min of meer geil. Als ik nog geiler zou worden, zou ik spontaan zomaar klaarkomen - nou, daar krijg ik al zoveel klachten over.
Dan dat geluksgevoel. Domweg gelukkig ben je in de Dapperstraat, maar ik wil niet zomaar gelukkig zijn. Ik wil gelukkig òm iets zijn: omdat ik verliefd ben of veel geld heb verdiend, of omdat ik een mooi stuk heb geschreven. Voor mijn geluk geldt dan hetzelfde als voor mijn geilheid. Ik hoef en wil niet gelukkiger te zijn dan dat.
Ik zou het ook niet kunnen. Een geluksgevoel zonder reden zou mij een gigantische kater achteraf bezorgen: je beseft dat je iets kan zijn zonder dat je het eigenlijk bent. Dat is een tragisch besef; het onderstreept de zinloosheid van het bestaan. Daarom werken al die spullen bij mij vermoedelijk niet.
Ik slikte wel eens cocaïne om aangenaam wakker te blijven. (Veel praten, verhalen vertellen, lachen.) Gewoonlijk kan ik ook veel praten, verhalen vertellen en lachen, en het aardige van cocaïne is dat je je om vijf uur ’s ochtends nog net zo kunt voelen als om tien uur ’s avonds. Tot ik een keer slechte coke had en inderdaad heel veel praatte over mensen die het op mij gemunt hadden.
Geen geluk, maar pech.
Drugs geven je nepgevoelens en wijken daarin niet af van andere emoties die je hebt; het prettige is dat je ze op bestelling kunt krijgen, terwijl je in het andere geval tamelijk veel moeite moet doen om jezelf in de maling te nemen.
Dat betaal je met een beetje geld en wat gezondheid. Nou en?
PS. Ik bedenk me net, dat als ik niet meer geil ben, ik weer heel veel drugs ga gebruiken.