De drugsdiplomaten

Nee, het zijn geen halfgare hippies, de jongens van het Instituut voor de Drugsvrede. De gebroeders Bronkhorst, twee heren met een missie.
AFGELOPEN VRIJDAG bood het Instituut voor de Drugsvrede op het Amsterdamse stadhuis de petitie Voor een Vrij Nederland in een Vrij Europa aan. Daarin verzoekt het Instituut de Nederlandse overheid resoluut verder te gaan met het ‘Oranje Gedoogbeleid’, een internationale drugsconferentie bijeen te roepen en daarnaast onderzoek te bevorderen naar de therapeutische, de medische en de sociale voordelen van het gebruik van cannabis. Ten slotte wordt de Nederlandse overheid gevraagd om bescherming van de rechten en belangen van de cannabisconsumenten binnen de Europese Unie.

Achter het Instituut gaan de gebroeders Adriaan en Frans Bronkhorst schuil. De eeneiige tweeling, geboren in 1945, opereert vanuit de Amsterdamse Bijlmer. De aanvankelijke vrees dat ik twee hallucinerende broers te midden van weedplanten, stripboeken en chocoladerepen zou aantreffen, die al maanden de woning niet hadden verlaten wegens mogelijke aanvallen van buitenaardse wezens, bleek ongegrond. Het bleken twee keurige heren van goede komaf. Hun vader was dominee en werd in 1954 naar Brussel gezonden om daar de protestantse theologische faculteit op te zetten. Adriaan: ‘Tijdens onze jeugd in Brussel kende men het begrip soft drugs totaal niet. In 1964 kwam Simon Vinkenoog naar de Nederlandse club om gedichten voor te dragen. Hij was een beetje zenuwachtig en verdween achter het gordijntje. Even later kwam hij vrolijk terug. Pas later begreep ik dat hij toen een jointje had gerookt.’
Adriaan is jurist en werkte in het midden van de jaren zeventig voor de Verenigde Naties. Adriaan: 'Ik vertrok naar Congo- Brazzaville voor een reorganisatie van de overheidsadministratie aldaar. Daar kwam ik voor het eerst in aanraking met drugs. Ik was gestrand in een dorp in de jungle en bracht daar met alle mannen uit het dorp de nacht door in de centrale hut. Midden in de nacht zwegen de mannen plotseling en kwam het dorpshoofd aanzetten met een gigantische pijp. Hij begon de kop te stoppen met bang, de plaatselijke weed, en zei: “Deze pijp roken we op de vrede onder de volkeren en ik offreer hem allereerst aan de vertegenwoordiger van de Verenigde Naties.” Een enorme eer natuurlijk, daar zat ik als vijfentwintigjarige VN-vertegenwoordiger, te midden van honderden mannen. Ik had in Nederland wel eens wat gerookt maar dat was van een dermate erbarmelijke kwaliteit dat je onmiddellijk knock-out ging. Dit was dus mijn eerste ervaring met drugs van hoge kwaliteit.’
Frans studeerde sociologie in Frankrijk en economie in de Verenigde Staten. In San Francisco leerde hij daarnaast voor zilversmid en in Rio de Janeiro studeerde hij ook nog theologie. Frans: 'Het was de tijd van de happenings, met mensen als Ken Kesey, Abie Hoffman en Timothy Leary. Het dropping out syndrom was aan mij wel besteed, met een vader die dominee was. Ik in teresseerde me vooral voor de religiositeit van het druggebruik. In Brazilie gebruikte ik al cocabladeren en ayahuasca, een drankje dat van een liaan wordt gebrouwen en in het hele Amazone-bassin wordt gedronken. Aya betekent doden of geesten, huasca betekent liaan. Voor mij hebben drugs een religieuze betekenis, Adriaan is meer een hedonist.’
DE EERSTE ACTIE van het Instituut voor de Drugsvrede was een campagne voor het toekennen van de Nobelprijs voor de Vrede aan drie 'drugspacifisten’, mensen die zich permanent inzetten tegen de drugsoorlog: de Canadese criminologe Marie-Andree Bertrand, presidente van de International Antiprohibionist League, de Amerikaan Arnold S. Trebach, rechter en voorzitter van de Drug Policy Foundation, en de Boliviaan Mauricio Mamani Pocoaca, hoogleraar sociale antropologie en tevens voorzitter van het parlement van Zuidamerikaanse Indianen. Pocoaca kreeg internationale bekendheid met zijn pleidooi om 'het heilige blad van de Inca’s’ uit de criminele sfeer te halen.
Frans: 'Adriaan is een van de weinige druggebruikers die zeer goed op de hoogte is van het internationale ambtenarendom. De meeste Nederlandse ambtenaren in het buitenland zijn deftige mensen met een das die nooit een jointje te roken.’
Adriaan: 'Degenen die mogen nomineren, moeten parlementarier zijn of professor in politieke wetenschappen, filosofie, geschiedenis of recht. Voor een nominatie heb je honderd personen nodig die er achter staan. Die lagen niet voor het oprapen. In Nederland hebben we alle mogelijke wetenschappers, kamerleden en andere parlementariers daarvoor benaderd. Onze nadruk op vooral de positieve kanten van het druggebruik is ons niet in dank afgenomen. Vrijwel niemand reageerde. En als ze al reageerden, was dat negatief. Uiteindelijk is alleen de Boliviaan genomineerd. Men wil er gewoon niet aan.’
Frans: 'Er zijn wel politici en wetenschappers die het druggebruik verdedigen, maar vaak doen ze dat op grond van economische waarden of op grond van de mensenrechten. De Amerikaanse econoom Milton Friedman wil af van het drugverbod omdat het de Amerikaanse staat jaarlijks miljarden dollars kost. In Nederland heb je wel rechters die vinden dat het strafrecht niet mag worden opgezadeld met de problematiek van de soft drugs, maar ze voegen er meteen aan toe dat ze drugs en druggebruikers maar idioot vinden. Veel mensen zijn tegen de drugsoorlog maar ook tegen de druggebruikers. Die begrijpen nog steeds niet dat het gebruik van drugs vergelijkbaar is met het gebruik van alcohol en tabak.’
Het Nederlandse gedoogbeleid heeft behalve voordelen ook nadelen, zo betogen de broers. Adriaan: 'Het gedoogbeleid heeft er toe bijgedragen dat er nooit een brede discussie over het maatschappelijke vraagstuk van het gebruik van soft drugs is gevoerd. Op geen enkele manier is er iets ondernomen om de Nederlander meer vertrouwd te maken met een fenomeen dat voor veel mensen heel gewoon is. Je kan je afvragen of Nederland wel zo tolerant is, misschien is het gewoon een kwestie van boerenslimheid. Het gedachtengoed achter het gedoogbeleid is nooit intellectueel onderbouwd. De overheid kijkt gewoon de andere kant op, net als met de prostitutie. Als het maar geld oplevert en je niemand tot last bent.’
Frans: 'Ik ben niet tegen drugbeleid, maar wel tegen een repressief handelen van de overheid. We willen dat de overheid het druggebruik in goede banen leidt. De overheid zou de initiatie van de jeugd in de mo derne maatschappij moeten begeleiden, zoals je bij de primitieve volkeren ook initiatieriten hebt.’
Adriaan: 'Maar het staatsapparaat raakt steeds meer gecorrumpeerd. Kijk naar al die affaires waarbij de staat tonnen van allerlei verboden produkten importeert en exporteert. Talloze personen verdienen grote sommen geld aan die transacties maar de precieze toedracht komt maar niet boven water. Gisteren las ik in de krant dat er veertien grote heroinehandelaren waren vrijgelaten omdat het openbaar ministerie zijn werk niet goed heeft gedaan. Het beleid van de overheid wordt gekenmerkt door willekeur. Het is daarom tijd dat er een nationaal drugsdebat komt. We hebben onze petitie ter ondersteuning van het Oranje Gedoogbeleid ook bij Justitie en Volksgezondheid aangeboden. Bij Justitie werden we weggesnauwd, Volksgezondheid wilde er niets van weten. Het is natuurlijk not done dat druggebruikers worden ontvangen op een ministerie, stel voor dat men daar in het buitenland achter komt.’
Frans: 'In het buitenland wordt het druggebruik steeds harder onderdrukt. Dan krijg je waanzinnige toestanden, zoals in Zuid- Amerika en Afrika, waar de politie de handel in handen heeft en tegelijkertijd mensen van de straat pakt die een grammetje proberen te verkopen. In de Verenigde Staten wil men de gebruiker nu economisch te grazen nemen, men spreekt al van handel bij vijftien gram en ze kunnen bij het bezit daarvan je auto in beslag nemen. Mensen die aan staar lijden en drie weedplanten hebben omdat cannabis de druk op het netvlies vermindert, worden gearresteerd. Steeds meer gebruikers ontvluchten het land vanwege het repressieve beleid. En veel van hen komen naar Nederland.’