De woede van mensen die er niet toe doen

De druppel en de emmer

De boze witte man bewapent zich weer, in de realiteit en in fictie. Maar nu toont hij zich óók een eenzame figuur die de grens tussen held en antiheld opzoekt. En op die manier verborgen angsten blootlegt.

PVV-LEIDER GEERT WILDERS, held van vele Nederlanders, heeft de tijdgeest mee: ongenoegen op grote schaal over de haperende multiculturele samenleving, verlies van de eigen identiteit, angst voor de gevolgen van de economische crisis en het uitblijven van tastbare tekens van herstel en, misschien nog het belangrijkst, het gebrek aan geloofwaardige alternatieven in de vorm van sterke leiders binnen de gevestigde politieke orde. Een vacuüm ontstaat, een klimaat waarin er één zekerheid is: de woede van mensen. En geen mens zo woedend en gevaarlijk en mogelijk ook extreem gewelddadig als de boze witte man.
Hij manifesteerde zich al in Nederland: Volkert van der Graaf, die Pim Fortuyn vermoordde. Van der Graaf zag zijn wereld, gevormd door de gevestigde politiek, wankelen. Toen ging hij schieten. Zo gaf hij gestalte aan een universeel personage: de boze witte man, geestelijk gedemasculiniseerd door het verlies van macht na ingrijpende persoonlijke, politieke en maatschappelijke veranderingen, transformeert tot terrorist of vrijheidsvechter, bewapent zich en neemt vervolgens wraak op de onvergeeflijke wereld met een daad van verzet of geweld waarna hij dood of levend uit de strijd treedt. Natuurlijk, als boze witte man kun je ook gewoon stemmen op de vertolker van je angst en wanhoop, en zo een reactionaire politicus als Geert Wilders aan de macht helpen. Maar voor boze witten mannen is zelfs dat niet genoeg, en overheerst een soort nihilisme waarover Norman Mailer in zijn magnum opus uit 1995 over Lee Harvey Oswald schrijft: ‘His deepest despair had to arise in those moments when he could not see himself any longer as the key protagonist in forging a new world.’ Want jezelf zien als het middelpunt van de wereld, als die ene, unieke werknemer waar geen bedrijf zonder kan, iemand die macht heeft – dat wil ook de gewone man op straat, dat wil ook de boze witte man. Een kwestie van ego. En daar wringt de schoen.
In de culturele arena kristalliseert zich een identiek personage, vooral in cinema, waar boze witten mannen evenwel niet altijd psychopaten zijn. Vaker zijn ze eenzame figuren die de grens tussen held en antiheld opzoeken en zo de verborgen en onderdrukte angsten van gewone mensen belichamen. In dit soort boze-witte-mannen-verhalen trekken ze soms de wereld in, op zoek naar rust en vrede, zoals de ontgoochelde Vietnam-veteraan John Rambo (hoewel die niet echt wit is, maar des te sterker witte frustraties representeert) of de idealistische, hoogblonde cowboy Jeremiah Johnston, in Sydney Pollacks gelijknamige jaren-zeventigwestern of veel personages in films van Werner Herzog, vooral de maniak Klaus Kinski. Of, in de literaire en filosofische wereld, Henry David Thoreau die in 1845 naar een boshuisje aan de oever van de Walden-rivier in Concord, Massachusetts, verhuisde, bedrukt door de overgrote meerderheid van mensen die ‘lives of quiet desperation’ leidde. Thoreau’s reis, die later door Robert Louis Stevenson werd afgekraakt als een crisis van mannelijkheid, bracht hem tot de conclusie dat traditioneel mannelijke daden als jagen niets méér zijn dan ‘stereotiepe, maar onbewuste wanhoop’. Nee, zegt Thoreau, wijsheid gaat er juist om géén wanhopige dingen te doen.

VERTEL DAT NIET aan Wikus van der Merwe. Boze witte man. En een held. En wat voor een. Woedend, wanhopig, pathetisch. Schitterend. District 9 is de titel van een briljante, nieuwe satire over rassenhaat, identiteit en machtsverlies, gesitueerd in het Zuid-Afrika van de nabije toekomst. Over deze film, een puur meesterwerk geregisseerd door de debutant Neill Blomkamp en geproduceerd door de ervaren Peter Jackson, zal in de komende maanden en jaren nog veel worden geschreven. Voorlopig is District 9 bij uitstek relevant door de centrale plaats die de boze witte man als modern, mythologisch personage in de vertelling inneemt. Hij heet Wikus van der Merwe en is een archetypische Afrikaner (en dus van Nederlandse komaf) in dienst van Multi-National United, een beveiligingsbedrijf dat door de verschijning van een reusachtig ruimteschip in de lucht boven Johannesburg belast wordt met de publieke veiligheid. Dat is broodnodig, want het schip blijkt een bevolking buitenaardse wezens te bevatten, pejoratief prawns genoemd, ‘garnalen’, die zich binnen de kortste keren in een krottenwijk buiten de stad vestigt. Wat te doen? Op komt de bureaucraat, de vrolijke witte man Wikus van der Merwe, die, in de woorden van zijn schoonvader, ‘nooit echt sterk was’. Dan gaat Wikus op patrouille met de agenten van MNU, die de ‘garnalen’ onderwerpen aan een massale, gedwongen verhuizing ver van de stad vandaan, waar ze niemand kwaad kunnen doen.
Dit resulteert in een uren durende orgie van geweld, waarin Wikus gaandeweg in opstand komt tegen de gevestigde orde, vooral op het moment dat hij doorheeft dat hij zijn leven lang alleen maar een radertje is geweest in de machine van de echte machthebbers, gezichtsloze multinationals die de wezens willen uitbuiten voor het ontwikkelen van een nieuw soort wapentechnologie. Vervolgens vertaalt de ontnuchtering van Wikus van der Merwe zich meteen in meer geweld; door de crisis wordt hij gedwongen de onderdrukte woede in zichzelf de vrije loop te geven. Deze richt zich niet alleen tot gangsters in de township, maar ook tegen zijn eigen mensen, witte macho’s en blonde bimbo’s, mannen van middelbare leeftijd die door leugens en geweld en onderdrukking aan de macht blijven en suikerzoete vrouwen die de hele dag in de keuken staan of hun leven wijden aan het vinden van de juiste schakering roze voor de slaapkamer. Het kan niet anders: Wikus breekt, Wikus wordt een boze witte man. En je hebt met hem te doen.
Wikus van der Merwe lijkt, cruciaal, lichamelijk op een haar na op de naar erkenning en sterrendom hunkerende psychopaat Rupert Pupkin (Robert de Niro) in Martin Scorsese’s King of Comedy (1982): zwart, vet haar, snor, baardschaduw, broek te hoog opgetrokken, waardoor de sokken hopeloos zichtbaar zijn. Dat is tragisch, maar zo kleedt zich nu eenmaal de boze witte man, ook D-Fens (Michael Douglas) in Falling Down (1992), Joel Schumachers sleutelwerk over angst en wanhoop in de consumentenmaatschappij. D-Fens – de naam alleen al geeft de rechts-reactionaire ondertoon aan van veel films over boze witte mannen: verdediging tegen een onvergeeflijke maatschappij, waarin buitenlanders ‘ons’ land en ‘onze’ banen pikken, waarin prijzen van eten en drinken als hamburgers en cola de pan uit rijzen. Defense, dus. En in Falling Down slaat Michael Douglas, een nerd, de kruidenierswinkel van een Koreaan vervolgens kort en klein met een honkbalknuppel; vermoordt hij een neonazi in koelen bloede, en stalkt hij zijn eigen vrouw en kind. Nihilisme heerst. Rationeel klopt het allemaal in het hoofd van D-Fens. ‘I have rights’, zegt hij tegen de Koreaan. Maar hij heeft niets meer, realiseert hij zich tegen het einde van de film: ‘I’m over-educated, under-skilled, obsolete. Not economically viable.’

DAT LAATSTE heeft verregaande implicaties. In een recent artikel in Forbes haalt econoom Michael Maiello het voorbeeld aan van de moord op George Tiller, een dokter in Kansas die zich inzette voor het recht op abortus. Maiello stelt dat juist deze moord symptomatisch is voor een terugkeer van de boze witte man, zoals gedramatiseerd door Michael Douglas, die zich voor het laatst manifesteerde ten tijde van de ‘werkloze recessie’ van begin jaren negentig. Destijds bestond er al een vruchtbare voedingsbodem: westerse landen bewogen onwennig in de richting van globalisering, betoogt Maiello, en een denker als Robert Reich, in The Work of Nations (1991), waarschuwde toen al dat Amerika daardoor nauwelijks meer een nationale industrie zou hebben en dat juist Amerikaanse werknemers daar de dupe van zouden zijn. Verder, stelt Maiello, werkte ‘hippiepresident’ Bill Clinton averechts. Zie Timothy McVeigh, die het federale gebouw in Oklahoma City opblies, juist omdat hij geloofde dat de federale regering te veel macht had.
Uit dit alles vloeit voort dat de boze witte man wel degelijk een terugkeer beleeft. De tijd is er rijp voor. Er zit weer een linkse president in het Witte Huis, en uit angst voor strenge, nieuwe wapenwetgeving zijn witte Amerikanen zich massaal aan het bewapenen. Bovendien is de huidige recessie veel erger dan begin jaren negentig en zijn er tekenen dat het op handen zijnde herstel onvoldoende zal zijn om de angst van mensen weg te nemen.
Is het dus een kwestie van tijd voordat een McVeigh of een Van der Graaf zich weer in Amerika of in Nederland laat zien? Paradoxaal biedt juist een Geert Wilders een uitlaatklep. Wilders is als Howard Beale (Peter Finch), de nieuwslezer in Sidney Lumets klassieker Network (1976): mad as hell and not taking it anymore. Wilders toont zich in ieder geval even paranoïde als Beale, net zo vervuld van angst en wanhoop wegens de onstuitbare culturele vernieuwing en het wankelen van de oude wereld. ‘The Arabs control the media, they’re all over’, fulmineert Beale tegenover een miljoenenpubliek. ‘The Arabs are buying us. You must stop them. Revolt!’ In deze fantastisch profetische film, die de opkomst van slechte smaak in het massavermaak en de hieraan verbonden machtsverschuiving in de richting van het volk feilloos voorspelde, dienen de media als uitlaatklep. Wie naar Fox News kijkt of naar Rush Limbaugh luistert, of Geert Wilders tijdens kamerdebatten op televisie volgt, ziet de min of meer legitieme vertolker van de eigen, donkerste dromen. En door te kijken en te luisteren naar die mannen met macht is hij misschien minder geneigd zelf in actie te komen.
Door Geert en Rush en de anderen, misschien zelfs ook de boze witte mannen van de cinematografie, heeft de boze witte man in de realiteit het gevoel dat hij macht heeft, dat hij er toe doet. Ook al is dat niet zo, niet echt.