H.J.A. Hofland

De dubbele Blair

Een van de grote risico’s voor een staatsman, politicus, publieke figuur is dat hij een uitspraak doet die op het ogenblik zelf klinkt als een klok, en die hem tot zijn laatste snik en nog lang daarna als hoon blijft achtervolgen. «De geschiedenis zal ons vergeven», zei Tony Blair in het Amerikaanse Congres. Omstreeks dezelfde tijd werd het lichaam van de verdwenen wapeninspecteur David Kelly gevonden, maakte onderminister van Defensie Paul Wolfowitz (wiens naam we niet kunnen schrijven zonder het woord briljant toe te voegen) een rondreis door Irak om te kijken wat er misliep, en werden daar weer een paar Amerikaanse soldaten doodgeschoten.

Voor «de geschiedenis» zijn dat kleinigheden. Die bedoelde Blair niet. Hem ging het om het grote historische resultaat dat na verloop van onbepaalde tijd — volgend jaar, nog veel later — zal oprijzen. Andere stervelingen denken kortzichtig aan hun eigen hachje. Als een politicus de geschiedenis aanroept, moet je als burger al je wantrouwen mobiliseren.

(Bewijst de geschiedenis).

Afgezien daarvan was het een mooie rede, met een grote greep op de toestand in de wereld, de filosofische onderbouw over de «universele waarden van de menselijke geest», begrip voor de problemen van de gastheer (het «onbegrepen» Amerika), en een klemmend advies: «Amerika moet zowel leiden als luisteren.» Daarbij hoorden de passages waarmee iedere Europeaan het eens kan zijn. Unilateralisme werkt niet, omdat de grondslag van een bondgenootschap gevormd wordt «door overleg en niet door bevelen». Dat was scherp gezien van de premier. Maar in een andere passage liet hij weer weten dat «om een ernstige partner te zijn, Europa eerst het anti-Amerikanisme moet verslaan dat soms doorgaat voor een politiek debat». Ja, dat is de manier om aan alle kanten gelijk te krijgen. Het serieuze Atlantische debat wordt niet beheerst door anti-Amerikanisme, maar door de Europese kritiek op de manier waarop deze Amerikaanse regering al sinds haar aantreden praktisch alle grote gemeenschappelijke vraagstukken aanpakt. Doen alsof het tegen land en volk gaat, is een leugen. Kritiek op de revolu tionaire club in Washington is pro-Amerikaans.

Voorzover we het nu kunnen overzien heeft Tony Blair van het vroegste voorspel tot de oorlog een dubbele rol gespeeld. In juni 2002 zijn de luchtaanvallen op de Iraakse verbindingslijnen begonnen, waarbij volgens The New York Times door «de bondgenoten» 349 doelen waren uitgekozen. Dat was dus nog vóór Washington ernstig werk ging maken van de massavernietigingswapens.

Daarna begon het touwtrekken in de Verenigde Naties. Dat de oorlog niet meer te vermijden was, stond voor wie het denken van de Amerikaanse regering had gevolgd toen als een paal boven water. Het ging er alleen nog om onder welke vlag dat zou gebeuren en wat de casus belli zou zijn.

Blair heeft er alles aan gedaan om een splitsing tussen Amerika en de rest van de wereld te voorkomen. Hij kon dat doen, want daarvoor had hij Washington zijn contributie betaald: dertigduizend man aan de grens van Irak. Hij was de enige die voor Bush en de zijnen geloofwaardig leek te zijn. Dat was een vergissing, zoals later bleek, namelijk toen minister Rumsfeld zich liet ontvallen dat het zonder die Britten ook wel was gelukt.

Intussen was Blair van laatste bemiddelaar tot eerste medeplichtige in de sensatie om de MVW’s geworden. De strijd om het bestaan van die dingen duurt voort, zij het niet voor dr. David Kelly — tot dusver het enige slachtoffer van de massavernietiging. Wel is inmiddels de publieke opinie bij de Coalition of the Willing en in Irak veranderd. Zegepraal of niet, het vermoeden bij Britten en Amerikanen dat ze met de MVW’s voor het lapje zijn gehouden, wint veld. Het eerste bewijs voor het bondgenootschap tussen Saddam Hoessein en al-Qaeda (de facto ook een reden tot oorlog) moet nog worden gevonden. Op de problemen in Irak hebben Bush en de zijnen zich verkeken. In de nasleep van de bevrijding zijn meer Amerikaanse soldaten gesneuveld dan in de eerste Golfoorlog, alles duurt langer en kost veel meer dan door de oorlogsleiders was verwacht en aan het publiek beloofd. De oorlog heeft zich naar de binnenlandse politiek verplaatst.

Dit is de tragiek van Blairs dubbelrol. Wat hij had willen vermijden is gebeurd, en wat is gebeurd, maakt hem tot slachtoffer in plaats van staatsman. Hij heeft geprobeerd wat hij kon, maar hij heeft zich in vriend Bush vergist. Zijn vereenzelviging met Washington had een eigen logica zolang de oorlog niet was uitgebroken. Nu volgt een langzame ontmaskering.

Het is niet alleen de Blair die heeft bezworen dat Saddam Hoessein MVW’s had die binnen de fameuze drie kwartier operationeel konden zijn. Blair is ook een van de grondleggers van de Derde Weg, de vernieuwing van een soci alisme dat zich verzoend had met de vrije markt, een nieuwe rol van de staat, een rechtvaardigheid die in overeenstemming was met de zogenaamde moderniteit waarvan niemand weet wat die precies is, terwijl iedereen het zijn plicht acht er een menswaardig antwoord op te vinden.

En de bittere apotheose. Op de Amerikaanse basis Guantánamo worden sinds het einde van de oorlog in Afghanistan 680 krijgers, soldaten, terroristen — hoe noem je ze — gevangen gehouden, in afwachting van een geheim proces voor militaire tribunalen. Volgens wat er van bekend is geworden, zitten ze daar in mensonwaardige omstandigheden. Een zeer gemengd gezelschap — van Amnesty International tot William Safire en The Economist («Unjust, unwise, unAmerican») protesteert tegen deze gang van zaken. Twee hebben de Britse nationaliteit. Ter gelegenheid van Blairs bezoek is besloten dat die niet voor een tribunaal zullen komen. De beloning, hem in de vorm van een menselijk hapje toegeworpen. Over de rest zei zijn gastheer: «The only thing I know for certain is that these are bad people.»