Den Haag als internationale stad van vrede en recht

De duif achter de duinen

Den Haag is met zijn 180 internationale organisaties uitgegroeid tot mondiaal centrum van vrede en recht. Hoe heeft de stad dat gefikst? En is de gemeente ook voor haar eigen ingezetenen een toonbeeld van gerechtigheid?

Medium hh 17802391

Het Vredespaleis in Den Haag ontwaakt in een zachte ochtendnevel. Medewerkers fietsen langs het hek, over de oprijlaan, door de klassieke voortuinen naar hun werk. Een officiële delegatie arriveert met de auto. Op het publieksplein voor het monumentale gebouw klinken hoge stemmen. Een groepje jonge vrouwen met dreumesen, gehesen in de fluorescerende hesjes van een peuterspeelzaal, heeft zich op de hoek verzameld voor een wandeling in de omgeving.

Zo alledaags als de sfeer buiten is, zo strikt is de bewaking binnen. Bezoekers die het neo-renaissancistische gebouw willen betreden, moeten zich in het losstaande bezoekerscentrum registreren en hun paspoort afgeven. Persoonlijke bezittingen, zelfs de onafscheidelijke telefoons, moeten in de kluisjes. Pas na een check door het detectiepoortje mogen ze het terrein op. In de statige gang van het Vredespaleis, met een plafond van booggewelven, staan beelden, vazen en vergulde standaarden met kristallen lampenkappen. De muren en vloeren zijn belegd met marmer.

Alles straalt voornaamheid uit in dit gebouw, waarvoor de plannen ontstonden na de Eerste Wereldvredeconferentie in 1899 die in Den Haag werd gehouden. Staalmagnaat Andrew Carnegie, bekeerd tot de filantropie, werd overgehaald om geld beschikbaar te stellen voor een paleis van de vrede, waaraan landen zouden bijdragen met bouwmaterialen en kunstwerken. Op het oude landgoed Zorgvliet verrees het gebouw dat in 1913 werd opgeleverd – een jaar voordat de Eerste Wereldoorlog zou losbarsten. Het Permanent Hof van Arbitrage (opgericht in 1899) vond er meteen onderdak, enkele jaren later gevolgd door het Permanent Hof van Internationale Justitie (1922) dat na de Tweede Wereldoorlog werd vervangen door het Internationaal Gerechtshof (International Court of Justice, icj), het hoogste juridische orgaan van de Verenigde Naties.

Het Vredespaleis is hét symbool van Den Haag als internationale stad van vrede en recht. Hier ligt het tastbare begin van de prestigieuze status van de gemeente. Ook al zijn er claims dat de geest al eeuwen eerder over de stad waarde. In het bezoekerscentrum van het Vredespaleis staat een zeldzaam exemplaar van De iure belli ac pacis opengeslagen. Het boek ‘Over het recht van oorlog en vrede’ werd in 1625 geschreven door Hugo de Groot, die gezien wordt als de grondlegger van het volkenrecht.

Als de vijftien vaste rechters van het Internationaal Gerechtshof plus een toegevoegde magistraat in ganzenpas de statige rechtszaal binnen komen geschreden, bepalen de mores dat de officiële delegaties en het publiek even van hun stoel opstaan. Enorme kroonluchters ondersteunen het daglicht dat gefilterd door glas-in-loodramen naar binnen valt. De zaak die op de rol staat is aanhangig gemaakt door Nicaragua en handelt over de afbakening van de maritieme grenzen met Colombia. Al decennia is het Midden-Amerikaanse land vaste klant bij het hof in Den Haag om conflicten niet met geweld, maar langs juridische weg te beslechten. Nicaragua is partij bij maar liefst vier van de elf zaken die er momenteel lopen.

‘Machtige landen hebben hun legers om zich te verdedigen, maar voor Nicaragua vormt het internationaal recht de belangrijkste verdedigingslinie’, zegt de in rok geklede Nicaraguaanse ambassadeur Carlos José Argüello Gómez (sinds 1983 in Nederland) aan het eind van de zitting. Hij verwijst naar het gewelddadige grensgeschil tussen Nicaragua en Honduras in de jaren vijftig. ‘Ik was toen nog een jongen, maar het was een strijd op leven en dood. Uiteindelijk is de zaak hier aanhangig gemaakt. Toen de rechters hun uitspraak deden, hebben we ons bij het besluit neergelegd en zwegen de wapens.’

Als het Nicaraguaanse gezelschap naar buiten loopt, begint het carillon in de hoofdtoren van het Vredespaleis te spelen. De melodie reikt tot in de villawijken met ambassades en instellingen, maar halen de Johan de Wittlaan niet. Op de middenberm van deze verkeersader staan zo’n tweehonderd vlaggen van de Verenigde Naties en aangesloten lidstaten. Ze markeren het hart van de Internationale Zone, zoals Den Haag het gebied aanduidt waar zich een hoge concentratie internationale organisaties bevindt.

Aan een vijver ligt het Joegoslavië Tribunaal (International Criminal Tribunal for the former Yugoslavia, icty), waar momenteel de processen lopen tegen de Bosnisch-Servische commandant Ratko Mladic en politicus Radovan Karadzic. Een paar stappen verder staat het ongenaakbare kantoor van Europol (Europese politiesamenwerking) en het World Forum. In 2013 besloot de gemeente het vrijwel failliete Nederlands Congres Centrum te kopen, zodat de stad verzekerd was van een geschikte plek voor grote internationale events als de Nuclear Security Summit (nss) in 2014. Buiten die formele aangelegenheden staan ook frivoliteiten op de agenda als de musical De klokkenluider van de Notre Dame en de Jan Smit Elfstedentour.

Als je doorloopt stuit je op de ronde gevel van de Organisation for the Prohibition of Chemical Weapons (opcw), die met de VN samenwerkte om de chemische wapens in Syrië op te ruimen en in 2013 werd onderscheiden met de Nobelprijs voor de vrede. Schuin aan de overzijde komt het nieuwe onderkomen van Eurojust, het agentschap van Europese landen voor samenwerking van politie en justitie in de strijd tegen georganiseerde misdaad. Het is maar een greep uit de 180 internationale organisaties en instellingen (en 115 ambassades) die in de gemeente zijn gevestigd. Hoe heeft Den Haag het gefikst om deze organisaties binnen te halen en uit te groeien tot stad voor vrede en recht?

‘Ik zit hier nu vijf jaar’, zegt Ingrid van Engelshoven, wethouder Internationale Zaken. ‘Maar veel van het werk is voor mijn tijd gedaan. Het was Wim Deetman die Den Haag positioneerde als stad van vrede en recht. Het aantrekken van internationale organisaties werd beleid. Het is een zeer succesvolle strategie geweest.’ Nog regelmatig neemt ze contact op met voormalig burgemeester (1996-2008) Deetman die ‘vol anekdotes en verhalen zit’.

Een afspraak is snel gemaakt. ‘Ik ben Hagenaar’, zegt Wim Deetman, geboren en getogen in de hofstad, terwijl hij een koffie bestelt in het grand café van een hotel. Zijn aktetas ligt naast hem. Hij vertelt hoe zijn stad – waar vanouds de regering zetelt, ministeries en voorname instituten zijn gevestigd, arme volksbuurten en dure wijken met statige woningen elkaar afwisselen – in de jaren vijftig en zestig nog elan had. ‘De Grote Marktstraat was prachtig met die grote warenhuizen’, herinnert hij zich. Met lede ogen moest hij aanzien hoe Den Haag verloederde en het centrum jarenlang een grote bouwput was.

‘Het is een ingewikkeld verhaal met veel afzonderlijke lijnen’, begint hij zijn terugblik. Cruciaal was het telefoontje dat hij in 1997 kreeg. Hij was net een jaar burgemeester. Boutros Boutros-Ghali, die zojuist zijn termijn als secretaris-generaal van de Verenigde Naties erop had zitten, wilde hem een bezoek brengen. ‘Ik was’, zegt Deetman, zoekend naar het juiste woord, ‘ik was verrast.’ De voormalige VN-topman wilde komen kennismaken. ‘Als een man van die statuur deze wens heeft, geef je daar natuurlijk gehoor aan. Het werd eigenlijk een gewoon gesprek. Er was niets specifieks aan. Tot hij opeens zei: “Den Haag is de juridische hoofdstad van de Verenigde Naties. Ik meen het voor de volle honderd procent.

Medium hh 10309224

Boutros-Ghali (16 februari dit jaar overleden) vertelde dat hij het gevoel had zijn idee expliciet te moeten presenteren bij iemand die daar oren naar zou hebben. De Egyptenaar wees erop dat de Nederlandse regering er in de aanloop naar de oprichting nog op tegen was geweest dat het Joegoslavië Tribunaal in Nederland zou komen. ‘Dat klopte’, zegt Deetman. ‘Ik heb het Kooijmans (indertijd minister van Buitenlandse Zaken – tl) nog gevraagd. Hij was tegen want hij wilde niet dat oorlogsmisdadigers die veroordeeld waren door het tribunaal in Nederland gedetineerd zouden worden.’ Het probleem werd opgelost doordat veroordeelden hun straf in andere landen zouden uitzitten. Het Joegoslavië Tribunaal kwam alsnog in Nederland en zou het kantelpunt vormen in de ontwikkeling van de internationale positie van Den Haag.

‘Machtige landen hebben legers, maar voor Nicaragua is het internationaal recht de belangrijkste verdedigingslinie’

Toen Deetman vroeg waarom Boutros-Ghali zo met zijn stad meedacht, verwees de topman naar de goede tijd die hij in de jaren zestig had gehad als directeur van de The Hague Academy of International Law, die is ondergebracht in het Vredespaleis. Hij gunde het de stad om internationaal uit te blinken. Ook andere contacten wezen Deetman op de unieke kansen van Den Haag. ‘Als buitenlandse gesprekspartners mij vroegen waar ik burgemeester was, dan reageerden ze enthousiast: The Peace Palace! We beschikten over een mooi symbool, ook al wisten we dat zelf nog niet zo heel goed.’

Maar het zaadje was geplant. ‘In het eerste jaar van mijn burgemeesterschap heb ik er veel over nagedacht. Den Haag stond bekend als de ambtenarenstad. Het was niet de stad van de ideeën. Het was geen Amsterdam met grachten. Geen Rotterdam met de grootste haven van de wereld. Den Haag was doe-maar-gewoon-dan-doe-je-gek-genoeg.’ Deetman vond dat zijn stad een duidelijke identiteit moest hebben. ‘Ik wilde niet zomaar een slogan. Ik wilde iets duurzaams dat decennia meeging. Wat maakt dat je trots bent op de stad, of je nu arm of rijk bent? Geleidelijk, in mijn eerste jaar als burgemeester, realiseerde ik me dat Den Haag niet zozeer juridische hoofdstad van de wereld moest zijn, maar dat we het breder moesten neerzetten: internationale stad van vrede en recht. Ik merkte dat de slogan langzaam aansloeg. Ook bij de grote groepen minderheden. Immers, veertig à vijftig procent van de stad is allochtoon.’

De gemeente stond er niet alleen voor. Deetman ervoer de steun van de premiers Wim Kok en Jan-Peter Balkenende. Met succes voerde de Nederlandse regering campagne om het opcw naar Den Haag te krijgen. De organisatie ging in 1997 van start, met Den Haag als hoofdkwartier. Het ministerie van Buitenlandse Zaken had ook het oog laten vallen op het Internationaal Strafhof (International Criminal Court, icc) dat personen vervolgt die verdacht worden van internationale misdrijven. ‘Ik sprong op een rijdende trein’, zegt Deetman. Hij herinnert zich nog het gesprek dat hij in Italië had met Hans van Mierlo, toenmalig minister van Buitenlandse Zaken. ‘Ik vroeg: “Hans, je moet me één ding vertellen, waarom loop je zo hard voor Den Haag?” Daarop antwoordde hij: “Wim, dat doe ik met overtuiging. We hebben nu nog de grootste haven, maar hoe lang zal dat nog zo zijn? Met Den Haag hebben we een plek in de wereld die net iets anders is dan alle andere plekken. Het geeft ons internationaal een unieke en daardoor ook sterkere positie.”’

Als burgemeester toog hij in 1998 met de Nederlandse delegatie naar de oprichtingsvergadering van het icc in Rome en bood hoogwaardigheidsbekleders, diplomaten en functionarissen een receptie aan. ‘BuZa had dat netjes geregeld.’ Opnieuw zag de Haagse burgemeester de goodwill die zijn stad ongepland had gekweekt. Buitenlandse topfunctionarissen vertelden hem dat ze hun posities deels te danken hadden aan hun opleiding in Den Haag, zoals bij het Institute of Social Studies. ‘Of ze hadden me ontmoet toen we als Kamerleden cursussen gaven aan buitenlandse collega’s in opkomende democratieën. In Rome zeiden ze: “We hebben van u geleerd hoe een parlement kan werken. Nu vraagt u iets van ons en kunnen we iets terugdoen.”’

De 120 landen die het Strafhof oprichtten, gingen akkoord met Den Haag als vestigingsplaats. Bij Deetman neemt het icc een speciale plaats in. ‘Geen enkele leider kan nog zeggen: ik ben in mijn land vrij om te doen wat ik nuttig vind, ook al is het in strijd met de internationale normen. Deze personen lopen het risico voor het Strafhof te worden aangeklaagd en kunnen achter de tralies belanden. Het hof is een stok achter de deur, die dikker en groter zal worden.’

In december is het hof verhuisd van het tijdelijke onderkomen – een voormalig kpn-gebouw – naar een locatie die Deetman al bij de oprichtingsvergadering in 1998 in gedachten had. ‘Ik vond niet dat het icc in de buurt van het Vredespaleis moest worden gevestigd, want het instituut heeft een eigen positie. Zelf had ik meteen de Alexanderkazerne op het oog. Alleen wilde de krijgsmacht daar niet weg.’ Maar Deetman, die bekend staat als een taaie onderhandelaar, won. ‘Het was een ingewikkeld proces. Er is veel water naar zee gegaan. Maar het is gelukt. En het rijk heeft betaald’, zegt hij breed lachend, en steekt zijn duim op. Met de ontruiming van de kazerne waren miljoenen gemoeid. In de duinen verrees een immens gebouwencomplex, waar het hof nu huist. ‘Ik hoop dat het op een postzegel kan, want het is een prachtig nieuw symbool.’

Nieuwe instituten volgden. Het Special Court for Sierra Leone (scsl) besloot een filiaal te openen exclusief voor het proces tegen de voormalige Liberiaanse president en militieleider Charles Taylor (veroordeeld tot vijftig jaar gevangenisstraf). De zittingen vonden deels plaats in een gebouw in Leidschendam waar het Special Tribunal for Lebanon (stl) is ondergebracht. Ngo’s, ontwikkelingsorganisaties, onderzoeksinstituten, lobbygroepen en denktanks zouden zich eveneens in Den Haag vestigen.

Er waren ook beperkingen. Vanwege de structureel beroerde financiële situatie was de hofstad sinds 1995 een artikel-12-gemeente, wat betekende dat Den Haag onder curatele van het rijk stond. De burgemeester had echter dringend geld nodig voor nieuwe plannen – vele miljoenen. Hij stapte naar het Innovatieplatform (ingesteld door het tweede kabinet-Balkenende) en presenteerde zijn plan als vernieuwing. ‘Het komt dan aan op de redenering’, vertelt Deetman. Hij wees erop dat het internationaal strafrecht na de processen tegen nazileiders in Neurenberg (1945-1946) vrijwel stil had gelegen. Tót de oprichting van het Joegoslavië Tribunaal, ‘waar nieuwe regels en procedures uitgedacht worden die mondiaal worden aanvaard en in de praktijk gebracht dienen te worden. Dat is vernieuwing en het gebeurt in Den Haag.’ Deetman wist het kabinet te overtuigen. Het geld kwam er, ook voor de wetenschappelijke poot. De burgemeester vond: ‘Den Haag moet meer investeren in academisch onderwijs, want juristen zijn van levensbelang voor de stad.’

In 1999 werd de Campus The Hague, als samenwerkingsverband van de gemeente en de Universiteit Leiden, opgericht. Vanaf 1 januari heeft de vestiging een nieuwe naam: Faculteit Governance and Global Affairs.

Op een muurtje bij de entree van het stadhuis aan het Spui is het vernieuwde wapen van Den Haag afgebeeld. Twee leeuwen houden het schild vast waarop de Haagse ooievaar staat met een kronkelende zwarte paling in zijn bek. Aan de onderkant zwiert een banier met de woorden ‘Vrede en Recht’. Het idee voor het motto kwam van de gemeente, die de woorden graag toegevoegd zag vooruitlopend op het honderdjarig bestaan van het Vredespaleis. Keurig op tijd, in 2012, verwierf Den Haag bij Koninklijk Besluit het recht om de wapenspreuk te voeren, als erkenning voor het feit dat de stad en haar bewoners zich ruim een eeuw voor dit grootse thema hadden ingezet.

De lift van het stadhuis zoeft naar de zesde verdieping, waar Ingrid van Engelshoven haar werkruimte heeft. Vanaf deze etage wordt de campagne onverdroten voortgezet. ‘Je moet het goede netwerk hebben. Je moet op het goede moment op de goede plek zijn en je verhaal op orde hebben. Je moet niet als een gek achter elke organisatie aan, om deze voor een vestiging in Den Haag te interesseren, als het niet bij het dna van de stad past’, zegt de zorgvuldig formulerende wethouder. Kleinere instellingen als ngo’s kan de gemeente wel op eigen kracht binnenhalen, maar bij grote organisaties werkt het stadsbestuur samen met Buitenlandse Zaken.

Het is aanzienlijk gemakkelijker dan vroeger, zegt de wethouder: ‘Nu heeft het zoveel massa dat internationale organisaties bijna vanzelf naar Den Haag toe trekken.’ Ze wil niet zeggen welke instellingen vergevorderde plannen hebben om zich in de hofstad te vestigen. Onderhandelingen voltrekken zich in een sfeer van vertrouwelijkheid. Afgelopen najaar tekende de International Commission on Missing Persons een overeenkomst met de Nederlandse regering om het hoofdkantoor van Sarajevo naar Den Haag te verhuizen. De commissie werd in 1996 opgericht voor de opsporing en identificatie van de veertigduizend personen die sinds de Joegoslavische oorlogen vermist waren. Den Haag vormt met de rijke infrastructuur van tribunalen en onderzoeksinstituten een betere uitvalsbasis voor de organisatie met een werkterrein dat zich tegenwoordig uitstrekt over het Midden-Oosten, Afrika, Azië, Europa en Noord- en Zuid-Amerika. Onlangs werd bekend dat het nieuwe Kosovo Tribunaal ook in Den Haag komt.

Momenteel wordt er in de Haagse gemeenteraad stevig gedebatteerd over het controversiële vrijhandelsverdrag Transatlantic Trade Investment Partnership (ttip) tussen Europa en de VS. De wethouder vindt het voor de hand liggen dat het ttip-tribunaal, waar multinationals en overheden hun conflicten kunnen uitvechten, in Den Haag komt. Maar Joeri Oudshoorn, gemeenteraadslid van de Haagse Stadspartij, is tegen. ‘Het tribunaal geeft onevenredige macht aan multinationals. Het holt onze Europese en nationale rechtssystemen uit. Het past dus niet in een stad van vrede en recht.’ Hij noemt de kwestie van het tribunaal de ‘lakmoesproef’ voor de gemeente: waar staat het Haagse bestuur nu eigenlijk voor.

Den Haag zet tevens in op grote conferenties. ‘We hebben als stad de vinger opgestoken voor de Nucleair Security Summit’, zegt Van Engelshoven. Voor deze top in maart 2014, waar ook de Amerikaanse president Barack Obama voor overkwam, was een fiks deel van de stad voor het publiek afgesloten. Veel mensen moesten een andere route nemen naar kantoor. Ouders en kinderen konden niet bij school komen. ‘Het geeft overlast als Obama in de stad is, maar het is ook iets om trots op te zijn’, vindt de wethouder. ‘Na afloop van de nss mocht diezelfde avond de hele buurt een kijkje komen nemen in de zaal waar de conferentie plaatsvond. Deur aan deur, huis aan huis werden mensen hierover geïnformeerd. Dat helpt enorm voor het draagvlak in de stad.’ Hoewel veiligheidskwesties juist ook kunnen botsen met het recht op bijvoorbeeld privacy ziet de wethouder vooral kansen. ‘Vrede, recht en veiligheid hangen nauw met elkaar samen’, stelt ze. Daarom profileert de gemeente zich ook met The Hague Security Delta – een netwerk van bedrijven en kennisinstituten op het gebied van veiligheid. ‘Door de aanwezigheid van internationale instellingen hebben we uitdagingen op het gebied van veiligheid. En juist dat maakt de stad een aantrekkelijke omgeving voor innovatieve bedrijven op dit terrein.’ Den Haag formuleerde de ambitie dat het World Forum tot de meest innovatief beveiligde omgevingen van de wereld zou gaan behoren. ‘Je gebruikt zo’n nss-top als showcase voor vernieuwing.’

‘Na afloop van de Nucleaire Top mocht die avond de buurt een kijkje nemen in de zaal waar de conferentie plaatsvond’

‘Ik merk dat iedereen Den Haag kent’, zegt Van Engelshoven. ‘Den Haag is dé brand voor de gemeenschap van het internationaal recht. Je moet in deze stad zijn geweest als je aan internationaal recht doet.’ Maar het blijft hard werken, want er zijn altijd kapers op de kust. ‘Onze grootste concurrenten zijn Genève en Wenen.’

In de ranglijsten doet Nederland het behoorlijk goed. Met het Internationaal Gerechtshof geldt Den Haag als de juridische zetel van de Verenigde Naties. Maar de absolute top wordt gevormd door andere steden. Sondre Torp Helmersen, onderzoeker aan de Universiteit van Oslo, plaatste in zijn ranglijst van ‘international law cities’ Washington op nummer één, daarna volgen New York, Parijs, Londen, Genève en Brussel. Op de zesde plaats staat Den Haag, dat punten scoort met de aanwezigheid van internationale organisaties, tribunalen en hoven, maar het slechter doet op de criteria academia, private practice en staatsmacht.

Tot ergernis van de wethouder zijn er nationale krachten die het grote Haagse project afremmen. ‘Ik vind het zorgelijk dat de Nederlandse overheid de laatste jaren terughoudender is geworden als gastland voor internationale organisaties. Iets te snel wordt gekeken naar: wat kost het op korte termijn. Iets te weinig kijkt men naar: wat levert het ons op lange termijn op. Nederland heeft als traditie trots te zijn op het internationale karakter van ons land, dat openstaat naar de wereld. Maar landelijk zien we wat dat betreft een klimaatverandering.’ Andere landen lopen harder. ‘Dan word je als stad op achterstand gezet.’

De samenwerking met het ministerie van Buitenlandse Zaken kwalificeert ze als ‘prima’. Van Engelshoven legt uit: ‘We hebben dagelijks veelvuldig contact en trekken samen op. Maar uiteindelijk komt het neer op de bereidheid van de Nederlandse regering om er ook in financiële zin in te investeren.’ Twee kwesties illustreren dat niet iedereen zich altijd even soepel opstelt. Binnen de interdepartementale Stuurgroep Nederland Gastland, voorgezeten door Buitenlandse Zaken, waren meningsverschillen over een bedrag van tien miljoen euro dat Nederland voor de komst van het Europees Octrooigerecht zou moeten neerleggen. Uiteindelijk kreeg het kabinet de financiering rond, maar de Europese Commissie besloot dat het Europees Octrooigerecht zijn centrale zetel in Parijs zou krijgen, met nevenvestigingen in Londen en München.

In die periode speelde nog een hoog oplopende financiële kwestie. Bij de oprichting van het Internationaal Strafhof had Nederland beloofd gedurende tien jaar de huur te betalen voor de tijdelijke huisvesting. Die termijn liep in 2012 af. Er moest nog drie jaar huur worden betaald voordat het hof in 2015 naar de permanente vestiging bij de Alexanderkazerne zou kunnen verhuizen. In het enorme geharrewar over de vraag wie de ‘extra’ huur zou betalen, voelde de gemeente zich machteloos. ‘Wij kunnen als stad niet zomaar in dat gat springen’, zegt Van Engelshoven. Onder grote druk – internationaal en ook vanuit de Tweede Kamer – ging het kabinet overstag en legde een deel van de huur op tafel.

Het binnenhalen van internationale organisaties is één ding, maar er zijn veel meer factoren van belang. ‘Je moet top of the bill faciliteiten hebben’, zegt Van Engelshoven. De stad had die voorzieningen niet van nature. De gemeente heeft de afgelopen twee decennia hard gewerkt aan verbetering van het woon- en leefklimaat. Den Haag heeft het saaie imago van ambtenarenstad wat van zich af weten te schudden. De binnenstad is opgeknapt. Het IJspaleis, zoals het moderne witte stadhuis wordt genoemd, heeft allure. Het Centraal Station heeft een complete make-over gehad. Daartussen ligt een gebied met nieuwe kantoren, ministeries, hoge gebouwen en dure appartementen die zelfs voor een bescheiden skyline hebben gezorgd. Gewaagde architectuur contrasteert met het eeuwenoude Binnenhof. De Grote Marktstraat blinkt weer. De Bijenkorf richt zich op het internationale publiek. Nog altijd komen er nieuwe restaurants bij. De wethouder is trots op grote evenementen als de Volvo Ocean Race. ‘Er heeft zich een enorme verandering voorgedaan. Ik zie een nieuwe dynamiek. We zijn Amsterdam niet en dat moet je ook niet proberen te zijn. Maar nieuwe organisaties zien een stad met een omgeving die op hen is ingesteld.’ Bovendien heeft Den Haag een groot voordeel waar natuurkrachten voor hebben gezorgd: ligging aan zee en het langgerekte strand.

Toch waren expats ontevreden. In 2005 verscheen het onderzoek At Home in Holland? van de International Organisations’ Staff Associations in The Netherlands waarin Den Haag een dikke onvoldoende kreeg. Maar liefst tachtig procent van de expats die bij vijf internationale organisaties werkten (waarvan vier in Den Haag gevestigd en eentje in Noordwijk) wilde het liefst zo snel mogelijk Nederland verlaten. Internationale werknemers waren het meest ontevreden over ‘climate’ (‘Holland is one of the most polluted countries in Europe’), de culturele omgeving, het medische systeem (‘catastrophic’, ‘almost criminal’, ‘a scandal’, ‘bureaucratic’, ‘badly organized’), huisvesting en de omgang met de lokale overheid.

Van Engelshoven kent het specifieke onderzoek niet, maar hecht groot belang aan opvattingen van expats. ‘We monitoren wat de internationale gemeenschap wil’, zegt ze. ‘Hoogwaardige werknemers zijn kritisch. Het is belangrijk dat zij tevreden zijn. Onze beste ambassadeurs zijn immers de werknemers van internationale organisaties.’ De stad heeft de eigen dienstverlening aangepakt. ‘We hebben een one-stop-shop waar expats die net arriveren in één keer alles kunnen regelen. De informatie op onze website staat er zo veel mogelijk ook in het Engels. Ook in de trams worden haltes in het Engels omgeroepen.’ De wethouder, die tevens onderwijs in haar pakket heeft, heeft zich sterk gemaakt voor expat-kinderen. Van alle internationale scholen die Nederland telt, bevindt zich een derde in Den Haag. ‘Men wilde een Europese school. Het was een hele klus, maar die is er nu.’ De stad heeft verder een British School, American School, Lycée Vincent van Gogh La Haye, Deutsche Internationale Schule, Poolse School, Indonesische School, Oekraïense School en de Lighthouse Special Education.

Inmiddels oordelen expats positiever. ‘Overall scoren we nu een dikke zeven. Je wilt natuurlijk altijd een tien. Maar een dikke acht zou heel mooi zijn.’ Ze ziet dat jonge gezinnen zich graag in Den Haag en omgeving settelen. ‘Het is veilig en groen en we bieden goed onderwijs. Het is een mooie stad aan de zee.’

Maar wat schiet de lokale bevolking op met dit grootse project? ‘Werk’, luidt het antwoord van Ingrid van Engelshoven. ‘Ik hoor wel eens geluiden in de gemeenteraad dat al die voorzieningen alleen voor hoogopgeleiden zijn. Toch stel ik dat ook gewone Hagenaars profiteren van voorzieningen zoals het tweetalig onderwijs. Maar een van de meest overtuigende argumenten is dat elke baan in de internationale sector weer banen oplevert voor gewone Hagenaars. Ik heb het dan over werk voor de lager opgeleide beroepsbevolking waar we in deze regio enorme behoefte aan hebben.’

Onlangs maakte de gemeente een promotiefilmpje waarin een taxichauffeur, beveiliger, bakker, zwemjuf, bloemist en restauranthouder vertellen dat zij hun werk en bedrijf te danken hebben aan de internationale instellingen en expats die van hun diensten gebruik maken.

De ‘internationale stad’ is goed voor ‘37.500 banen en 5,2 miljard euro per jaar’, citeert de wethouder de bevindingen van bureau Decisio, dat in opdracht van de gemeente economisch onderzoek doet. De cijfers vereisen echter de nodige nuancering. De helft – 19.500 – bestaat uit (hooggeschoolde) functies bij deze organisaties zelf. Deze banen worden niet zozeer door Hagenaren ingevuld: zestig procent van de werknemers is expat; veertig procent Nederlander. De overige 18.000 banen betreffen indirecte werkgelegenheid die ontstaat doordat organisaties in Den Haag en regio goederen en diensten inkopen, plus bestedingen door werkende expats, zakelijke en privé-bezoekers die hier hun geld spenderen (ict, schoonmaak, beveiliging, hotels, supermarkten, kleding, restaurants). Volgens Decisio bestaat deze indirecte werkgelegenheid ‘voor 75 procent uit functies voor middelbaar en lager opgeleiden’.

‘Dat één baan bij een internationale organisatie zou leiden tot één baan voor een gewone Hagenaar is een zwak onderbouwd verhaal. De 18.000 banen bestaan weliswaar, maar de relatie met de internationale sector is niet hard aangetoond’, oordeelt gemeenteraadslid Joeri Oudshoorn. ‘Het is prima dat we een internationale stad zijn, maar de wethouder zou moeten erkennen dat die sector de werkloosheid van de gewone Hagenaar niet oplost. Den Haag is nog altijd de op drie na slechtste arbeidsregio van Nederland. We hebben hier vooral banen voor laaggeschoolden nodig. Voor het oplossen van die werkloosheid is de internationale stad een druppel op de gloeiende plaat.’

Den Haag geldt als de meest gesegregeerde grote stad van Nederland. Nergens anders wonen mensen met verschillende etnische achtergronden en inkomens zo sterk gescheiden van elkaar. Met de expats is er een kapitaalkrachtige groep van buitenlandse functionarissen bij gekomen die sterk op het reeds aanwezige korps van ambtenaren, overheidsdienaren en bestuurders lijkt. ‘Het is meer van hetzelfde. De groep van het internationale recht mengt zich nauwelijks met andere bevolkingsgroepen’, zegt Oudshoorn. De segregatie wordt er eerder door versterkt. ‘Ook al denk ik niet dat iemand in de Schilderswijk last heeft van de expats, op lange termijn is die scheiding tussen groepen niet goed voor de stabiliteit in de stad.’

‘Het is een heel mooi imago, waarmee ze de stad proberen te verkopen, maar het is een lege huls’

Hoe doorleefd is de gepromote identiteit? Gaat de energie van Den Haag vooral naar een uitgekiende strategie om prachtige instituten te lokken? Is het een staaltje ‘logocratie’, zoals gemeenteraadslid Oudshoorn het noemt? Of is het idee van vrede en recht tot in de vezels van de stad doorgedrongen? De jonge burgeractivist Mohammed Ghay stelt voor af te spreken in de Schilderswijk, waar hij is opgegroeid en waar zestigduizend mensen van bijna tweehonderd verschillende culturen wonen op een oppervlak van twee vierkante kilometer. In de levendige Hobbemastraat springt een etalage met sexy avondglitterjurken in het oog. Een volgende winkel, waar hoofddoeken en hoog sluitende dameskleding worden verkocht, is het toonbeeld van zedigheid. Er zijn telecomwinkels. Een winkelier heeft reiskoffers op de stoep uitgestald. De slagerij verkoopt halal vlees.

Op een hoek ligt theater Vaillant. Mohammed Ghay – kort haar, serieuze blik, zwarte bril – komt aan en neemt in de lobby plaats. Ghay, die een paar jaar rechten studeerde, formuleert raak en is ook in het openbaar een begenadigd spreker. Hij vindt dat het credo van internationale gerechtigheid haaks staat op de praktijk van het politieoptreden in Den Haag. Als de gemeente het echt meende zou het bestuur duidelijker stelling hebben genomen tegen het etnisch profileren door de Haagse politie, stelt hij.

Ghay ondervond het aan den lijve. Vijf jaar geleden liep hij na een avondje stappen in Rotterdam na middernacht naar zijn huis in de Schilderswijk toen hij een auto tegen de richting in de straat in hoorde rijden. Opeens stonden er twaalf agenten in een halve cirkel om hem heen. ‘Ik zeg nog vrolijk: “Goedenavond.” Maar er komt geen reactie. Ik vraag wat er aan de hand is. Geen reactie.’ In een reflex bewoog Ghay zijn hand naar zijn broekzak. Hij dacht dat de agenten, zoals altijd, zijn identiteitsbewijs wilden zien. Plots trokken drie agenten hun vuurwapen. ‘Ik stond te trillen op mijn benen. Met mijn handen in de lucht.’ Na enige tijd vroeg een agent waarom Ghay die beweging maakte. Toen hij het begon uit te leggen, gingen de wapens weg. ‘Je voldoet aan het signalement’, zei een politieman. Er was in de wijk ingebroken. Toen duidelijk was dat hij er niets mee te maken had mocht hij gaan, maar niet zonder dat een van de agenten hem had toegevoegd: ‘En nu opdonderen, anders krijg je een schop onder je kont.’

Anderen kwamen er slechter van af. Ter voorbereiding op het interview stuurde Ghay een mail met links naar clipjes. Het tv-programma Blauw en bont, waarin schrijver, tv- en theatermaker Salaheddine Benchikhi onderzoek doet naar klachten over geweld door de politie Haaglanden, begint met schokkende beelden van een veertienjarige jongen die voor een buurtwinkel op de Hoefkade zonder enige aanleiding hardhandig door de politie wordt gegrepen en tegen de grond gewerkt. Toegesnelde omstanders krijgen rake klappen met de wapenstok.

Het ging vaker mis met de Haagse politie. Op 24 november 2012 schoot de politie op het perron van station Holland Spoor de ongewapende zeventienjarige Rishi Chandrikasing neer. Afgelopen zomer sloeg de vlam in de pan nadat de Arubaan Mitch Henriquez overleed toen hij door de politie in een nekklem was genomen. Na zijn dood waren er protesten tegen het harde politieoptreden. Daarnaast grepen in de Schilderswijk relschoppers hun kans. Oproerkraaiers gooiden met stenen en molotovcocktails. Winkels werden geplunderd. Bij theater Vaillant werd het meubilair naar buiten gesmeten en werden de ruiten kapotgeslagen. Ghay heeft geen goed woord over voor de reltrappers. Hij bleef op afstand en probeerde jongeren te kalmeren.

‘In 2013 ben ik activistisch geworden’, zegt Ghay. Het was nadat zijn beste vrienden werden aangehouden. Een maat verzette zich tegen de politiecontrole en belandde geboeid op de grond. ‘Fucking rooie’, riep de geboeide vriend naar een agent, die hem daarop in zijn zij schopte. Ghay nam het verhaal met een korreltje zout, tot hij de beelden zag. Daarop stapte hij naar de politie met het verzoek om onafhankelijk onderzoek naar het incident. De klachtencommissie van de politie zou de klachten over het fysieke geweld en de vrijheidsbeneming gegrond verklaren. Ook bekritiseerde de commissie het ‘knippen en plakken’ door de politie in diverse verklaringen.

Ghay ontwikkelde zich als luis in de pels. ‘Er is een systeem van repressie, politiegeweld en systematische boetes. Negen van de tien jongeren in onze wijk hebben er zelf ervaring mee of kennen anderen die het is overkomen.’ Hij behoort tot de oprichters van de stichting Vertrouwensherstel Burger Overheid. Tevens is hij betrokken bij Control-Alt-Delete, dat eveneens etnisch profileren aan de kaak stelt.

Toch zou Ghay met zijn stichting geen gelijk krijgen bij de Nationale Ombudsman, die in 2014 oordeelde dat er bij bureau Heemstraat in de Schilderswijk geen structurele misstanden waren als het gaat om bejegening, geweldgebruik, onderscheid naar etniciteit, ID-controles en opnemen van aangiften en klachtbehandeling. Ook al kon het op punten beter. Maar Amnesty International en het VN-comité tegen racisme concludeerden anders. Ghay voelt zich gesteund door hun rapporten die vorig jaar stelden dat er in Nederland wel degelijk etnische profilering plaatsvindt. Alles wat op dit terrein verschijnt, houdt hij bij.

Mohammed Ghay ziet langzaam een kentering optreden. Hij wijst onder meer op het nieuwe actieprogramma van de Haagse politie: een 35-puntenplan met als titel Variëteit, gelijkwaardigheid en verbinding. Maar het gaat hem veel te ver om Den Haag het toonbeeld van gerechtigheid te noemen: ‘Het is een heel mooi imago, waarmee ze de stad proberen te verkopen, maar het is een lege huls.’ Anders zouden gemeentebestuur en politie al veel eerder hebben besloten tot een betere omgang met burgers. Ook zou de stad bijvoorbeeld een veel actievere rol kunnen spelen bij internationale zaken als het Israëlisch-Palestijnse conflict, vindt Ghay. Hij wijst erop dat het in Den Haag gevestigde Internationaal Gerechtshof indertijd oordeelde dat de ‘apartheidsmuur’ die Israël heeft gebouwd een schending van het internationaal recht is.

Medium hh 16637766

Zijn betoog sluit aan bij dat van raadslid Joeri Oudshoorn, die vindt dat het bestuur voor een oppervlakkige invulling van het concept vrede en recht kiest. ‘Den Haag zou niet alleen moeten kijken naar hoe recht elders functioneert, maar ook moeten durven kijken naar Nederland.’ De justice-sector die in de hofstad is neergestreken richt zich op problemen in het buitenland – oorlogen, conflicten, chemische wapens – die vaak ver af staan van de Haagse samenleving. ‘Als stad maken we jammer genoeg geen gebruik van de expertise van deze instellingen voor onze eigen problemen’, stelt Oudshoorn. Hij pleit voor het aanbrengen van dwarsverbanden. ‘Je zou kunnen vragen of deze experts en instellingen met ons willen meedenken over de vraag hoe Den Haag omgaat met vluchtelingen of klachten over discriminatie door de politie.’

De visie van de twee Hagenaren krijgt steun van Barbara Oomen, dean van University College Roosevelt in Middelburg en hoogleraar mensenrechten aan Universiteit Utrecht. De afgelopen jaren deed ze specifiek onderzoek naar mensenrechtensteden. Ze merkt op dat Den Haag de justice-sector ‘vooral als economische niche’ heeft geïdentificeerd. ‘Maar Den Haag is geen mensenrechtenstad zoals Utrecht, Nijmegen of Middelburg. Deze steden committeren zich expliciet aan mensenrechtenverdragen, werken eraan deze verdragen daadwerkelijk toe te passen en hebben daarbij oog voor kwetsbare inwoners.’ Wel heeft de gemeente Den Haag ervoor gekozen zich specifiek voor kinderrechten in te zetten. ‘Het jeugdbeleid is gestoeld op internationale verdragen, maar het feit dat dit gebeurt is vooral te danken aan ambtenaren die zich hier hard voor maken en het is één aspect van mensenrechten. Het was mooier geweest als Den Haag, juist vanwege de internationale status én de segregatie in de stad, zich in de breedte voor mensenrechten had ingezet.’

Oudshoorn ziet Den Haag als een stad die ‘moeizaam’ omgaat met diversiteit en anders-zijn als het niet in het straatje van het bestuur en de consensus past. Juist daarom is hij ‘erg blij’ met de huidige pilot die de gemeente doet met anoniem solliciteren om discriminatie op afkomst tegen te gaan. De proef geldt voor zo’n zestig functies bij de gemeente en loopt tot de zomer. Tot nu toe had twintig procent van de sollicitanten een multiculturele achtergrond, wat meer is dan gewoonlijk. ‘Het experiment kan een goede bijdrage leveren, ook al wordt hier natuurlijk niet alles mee opgelost’, aldus Oudshoorn.

Maar Deetman kijkt met voldoening terug. Hij heeft zich ‘met volle overtuiging’ ingezet voor de ontwikkeling van Den Haag als internationale stad van vrede en recht. ‘Mij heeft daarbij altijd het belang van een half miljoen burgers voor ogen gestaan. Als zij totaal andere ideeën hadden gehad, was ik niet verder gekomen. De stad heeft een sterkere basis dan voorheen met alleen de aanwezigheid van de regering en departementen. Het heeft de stad zelfvertrouwen en het land een zekere trots gegeven. Den Haag is een herkenbare plek op de wereldkaart.’


Beeld 1: Demonstranten voor rechten van vluchtelingen en migranten bij het Vredespaleis in Den Haag, 2013 (Rob Huibers/HH)

Beeld 2: Het Internationaal Strafhof in Den Haag, 2011 (Peter Hilz/HH)

Beeld 3: Het OPCW, de organisatie voor het verbod op chemische wapens, Johan de Wittlaan, Den Haag (Bart Maat/HH)