Diana Ong, Masked Emotion, 2006 © Diana Ong / Bridgeman Images

1976, Brownsville, New York. De kleine Michael Tyson is dik, slist en kan niet lezen. Op straat wordt hij voortdurend in elkaar geslagen. Troost vindt hij bij duiventillen op de daken. De tienjarige Tyson heeft zich neergelegd bij zijn lot als loser, zijn leven bestaat uit wachten op de volgende vernedering, of op een al dan niet verdwaalde politiekogel.

Maar dan dient zich het allesbepalende moment aan waarop de kleine Tyson een man wordt en zijn transformatie van loser tot vechtmachine begint. Een pestkop draait voor Mike’s ogen zijn geliefde duif de nek om, de bloedende kop rolt over de grond, een nieuwe kracht wordt in Mike wakker en hij slaat de grotere jongen tegen de grond.

Iedereen begrijpt dat Mike vanuit woede handelt, daarvoor hoef je deze scène uit de dit najaar verschenen biopic Mike niet gezien te hebben. Je kunt je Mike’s gezicht en lichaamstaal voorstellen: ogen wijd opengesperd, samengebalde handen. Iedereen weet hoe Mike zich voelt. De meeste mensen denken dan ook dat zo’n basale emotie als woede aangeboren is. Dat alle mensen dezelfde essentiële gevoelens ervaren: woede, angst, blijdschap. In feite is dit een inzicht van Charles Darwin die in emoties een primitief communicatiemiddel zag, waarbij elke basisemotie (bijvoorbeeld angst) hoorde bij een specifieke situatie (een naderende tijger), een eigen functie (beschermen tegen gevaar) en specifiek gedrag (vluchten).

Al langer staat die eenvoudige uitleg onder druk. Neuroloog Lisa Feldman Barrett publiceerde vijf jaar geleden How Emotions Are Made, het boek waardoor ze, naar eigen zeggen, tot de één procent meest geciteerde wetenschappers ter wereld behoort. Feldman Barrett zette zich af tegen het invloedrijke onderzoek van psycholoog Silvan S. Tomkins in de jaren zestig waarin proefpersonen over de hele wereld basisemoties op foto’s herkenden. Als mensen basisemoties konden aflezen op gezichten, was het idee, dan zou elke emotie een ‘essentie’ hebben. Woede bijvoorbeeld, zou haar eigen unieke fysiologische en neurologische patroon volgen: het hart klopte snel, de ademhaling was zwaar, adrenaline stroomde door de aderen, de handpalmen zweetten en een specifiek hersengebied werd geactiveerd. Zo ontstond het populaire idee dat de amygdala het ‘angstgebied’ in de hersenen was en cortisol het ‘angsthormoon’.

Feldman Barrett liet zien dat 85 procent van de proefpersonen weliswaar de ‘juiste’ basisemotie uit de multiplechoiceantwoorden koos, maar dat zonder die mogelijke antwoorden het nog maar 58 procent was. Haal de vraag weg (‘welke emotie zie je?’) en het resultaat blijkt nog lager. Onbewust pikken proefpersonen hints op uit de vraag (‘welke emotie zie je’, ‘kies uit angst, woede, walging’, et cetera) die hen richting een bepaald antwoord duwt. Feldman Barrett concludeerde dat niet de gezichtsuitdrukking maar de context bepaalt hoe mensen expressies of gedrag interpreteren.

Ook het idee van de ‘blauwdruk’ van basisemoties bleek een mythe, zo kwam naar voren in Feldman Barretts meta-analyse van 220 psychologische onderzoeken uit de afgelopen twintig jaar. Niet eenvormigheid van emoties was de norm, maar variatie. Boos? De een kookt van woede (de lichaamstemperatuur stijgt), de ander blijft koeltjes. Bang? Soms slaat het hart op hol, soms stijgt de bloeddruk, soms spannen de nekspieren zich aan. En al die lichamelijke reacties verschillen per individu, per context, per moment. Ook in het brein is variatie de norm. Emoties hebben geen ‘eigen’ hersengebied of -patroon. Feldman Barrett en haar team ontdekten dat de amygdala niet alleen wordt geactiveerd als een proefpersoon naar een ‘angstig’ gezicht kijkt. De amygdala licht élke keer op dat een proefpersoon een nieuw gezicht ziet, onafhankelijk van de gezichtsuitdrukking.

Feldman Barrett kwam met de theorie dat emoties functionele constructen zijn, vergelijkbaar met stereotypen. Het zijn concepten om sensaties in het lichaam te begrijpen en te delen met anderen. Die fysieke sensaties (ook wel ‘affecten’) zijn een product van wat Feldman Barrett de regulatie van het ‘lichaamsbudget’ noemt. De taak van het brein is om te zorgen dat het lichaam voortdurend voldoende zuurstof, glucose, zout en water heeft. Goede nachtrust en gezonde voeding vullen het budget aan. Sporten of iets nieuws leren zijn investeringen in dit budget: ze kosten energie, maar leveren in de toekomst een gezonder lichaam en brein op. Andere gebeurtenissen doen het budget slinken: de griep, een stomp in de maag, het verlies van een dierbare. Het lichaamsbudget is vervlochten met zijn omgeving en in het bijzonder met de mensen met wie men samenleeft. Als een geliefde of een vriend vertrekt of overlijdt, kleurt het lichaamsbudget in het rood, met als gevolg ondraaglijke gevoelens.

Volgens de klassieke kijk op emoties vindt het volgende plaats met Mike Tyson en zijn duif: de pestkop maakt de jonge bokser boos door zijn geliefde duif te doden. De situatie ‘triggert’ in Tyson het ‘woedesysteem’ en daarom reageert hij boos, agressief. Volgens Feldman Barrett is het precies andersom: Mike máákt de emotie. Volgens haar zijn emoties niet alleen interpretaties op basis van eerdere ervaringen, zintuiglijke indrukken en innerlijke processen; mensen produceren emoties en de lichamelijke reacties. Het brein treedt in dit proces op als een accountant van het lichaamsbudget. Om het lichaam energie te besparen, doet deze accountant voortdurend voorspellingen van situaties en de mogelijke weerslag. Wanneer het brein een gebeurtenis herkent als een bedreiging voor het lichaamsbudget, drukt het alvast op de knoppen om het lichaam aan het werk te zetten: het hart gaat al sneller kloppen als het brein vermoedt dat er een slang is.

Vraag een Japanner naar het belang van gevoelens uiten, en hij zal de vraag niet begrijpen. Wie emoties niet ziet als ‘gevoelens in zichzelf’, hoeft ze ook niet ‘los te laten’

Interpretatiefouten liggen door deze energiebesparende aanpak op de loer: vaak is een onprettig gevoel het gevolg van slaaptekort of uitdroging, en wordt het niet veroorzaakt door die ene luide collega.

Dit jaar verscheen Between Us, van de Nederlandse sociaal-psycholoog Batja Mesquita, hoogleraar in Leuven, die een nieuwe wending aanbrengt in ons denken over emoties. Mesquita betoogt dat emoties cultureel bepaald zijn en zodoende per cultuur kunnen verschillen. In Nederland is er nog niet veel over verschenen, maar in de Verenigde Staten is over Between Us al veel geschreven, in bladen als The New Yorker.

Mesquita begon haar wetenschappelijke carrière als aanhanger van de klassieke emotietheorie. Voor haar proefschrift interviewde ze tientallen Nederlanders, ook met een Turkse en Surinaamse achtergrond. De psycholoog vroeg hun de basisemoties te beschrijven en kreeg, tot haar irritatie, van de Turkse en Surinaamse deelnemers ‘verkeerde’ antwoorden. Zij duidden regelmatig ‘lachen’ en ‘missen’ als een emotiecategorie aan. Veel aandacht besteedde ze destijds niet aan de afwijkende resultaten, schrijft Mesquita. Tot ze naar de Verenigde Staten verhuisde en ondervond hoe moeilijk het is om de emoties in een vreemd land te begrijpen. Wat bedoelden de Amerikanen bijvoorbeeld met ‘distress’? Was het angst of stress? En in welke situaties was het een gebruikelijke emotie en hoe voelde het? Mesquita ondervond aan den lijve hoe moeilijk het was om zich de functie van een emotie in een andere cultuur eigen te maken. Haar sociaal-culturele ervaringen sluiten aan bij Feldman Barretts neurologische onderzoek.

Herkenbaar zijn Mesquita’s eerste ervaringen met de Amerikaanse omgang met ‘trots’. Vol bravoure introduceert haar Amerikaanse collega Mesquita als dé wereldwijde emotie-expert. De nuchtere Nederlander wuift het compliment weg, de Amerikaanse collega begrijpt haar bescheidenheid niet en dit leidt tot ongemak en onbegrip. Dit soort overdreven ‘trots’ staat in dienst van de belangrijkste waarden in de Amerikaanse cultuur: geluk en succes. Ouders prijzen hun kinderen al voordat ze kunnen praten publiekelijk, in de hoop dat het nageslacht later zelfverzekerd door het leven zal gaan. Kinderen leren op de juiste momenten en op de juiste manier ‘boosheid’ te uiten, met als doel hun zelfstandigheid te bestendigen. Emotieconcepten als ‘angst’ of ‘schaamte’ zien Amerikanen daarentegen als ‘slechte’ emoties. Deze emoties dragen niet bij aan het zelfvertrouwen van een kind en kunnen in het slechtste geval tot eenzaamheid en depressie leiden.

Ook voor volwassenen in westerse landen is schaamte haast ondraaglijk. Het is een bewijs van het eigen falen; door het gevoel trekken velen zich terug uit het sociale verkeer. In sommige niet-westerse culturen is schaamte echter een ‘goede’ emotie. Zo cultiveren Taiwanese ouders het gevoel van schaamte bij hun kroost door ze publiekelijk te wijzen op verkeerd gedrag. Niet om hun kinderen te straffen, maar om ze te leren hoe ze op de juiste manier onderdeel kunnen zijn van de Taiwanese samenleving. Schaamte is zo een ‘goede’ emotie, omdat een beschaamd kind laat zien zijn plek te kennen in de gemeenschap en bereid is om zich aan te passen aan de heersende normen.

Voelen Taiwanese kinderen zich dan voortdurend slecht? Nee. De Taiwanese cultuur draait niet om het individu, maar om de verbinding met anderen. Kinderen leren door terechtwijzingen over normoverschrijdend gedrag dat de relatie met hun familie en de gemeenschap vanzelfsprekend is; ze hoeven niet te vrezen voor uitsluiting. Sterker nog: dat een kind zich schaamt, is goed. Ook een ‘basisemotie’ als woede heeft in sommige culturen een andere functie. In het geloofssysteem van de Utku Inuit is woede een afgezant van de duivel: het voelen en uiten van woede is daarom bijzonder slecht voor de positie in de groep.

Mesquita ontdekte door haar onderzoek dat niet-westerse culturen een ander begrip hebben van wat emoties zijn. Terug naar het dak in Brownsville in Mike. Mensen in westerse culturen stellen zich de emoties in de scène als volgt voor: 1. De boosheid zit ín de kleine Mike. 2. Deze boosheid wordt getriggerd door een incident en komt naar buiten. Emoties zijn in de eerste plaats interne gevoelens. In niet-westerse culturen worden emoties daarentegen gezien als iets wat gebeurt tussen mensen. Emoties zijn geen individuele, interne sensaties, maar relationele handelingen. Daarom noemden de Turkse en Surinaamse Nederlanders ‘lachen’ en ‘missen’ als hun belangrijkste emoties. Zo bezien borrelt Mike’s boosheid niet op uit zijn diepste zelf, maar ontstaat de woede tussen hem en de pestkop.

Deze verschillende opvattingen over wat emoties zijn, hebben daadwerkelijke gevolgen: in westerse culturen is het belangrijk om emoties te uiten – onderzoek toont aan dat het opkroppen van emoties leidt tot depressie of burn-out. Vraag een Japanner of een Taiwanees naar het belang van gevoelens uiten en op die manier loslaten, en ze zullen de vraag niet begrijpen. Wie emoties niet ziet als ‘gevoelens in zichzelf’, hoeft emoties ook niet ‘los te laten’. In die culturen vindt men dan ook geen negatief effect van het ‘opkroppen’ van emoties op de gezondheid.

Hoe kan het dat toch bijna iedereen – ook kijkers uit een niet-westerse cultuur – de woede op Mike’s gezicht herkent? Omdat ze geleerd hebben, uit talloze boeken en films, dat dit specifieke verhaal en deze specifieke scène tot boosheid leiden. Het is een westers stereotype, en als zodanig zal vrijwel iedereen de boosheid ‘herkennen’. En het is diezelfde westerse blik die eeuwenlang het onderzoek naar emoties heeft gekleurd.